RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.55672
V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. A.S. Sewman),
en
(gemachtigde: mr. L. Ploeger).
1. Deze uitspraak gaat over het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring aan eiser. Eiser is het hier niet mee eens. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. De maatregel is op goede gronden opgelegd en de minister heeft kunnen afzien van het gebruik van een lichter middel. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. De minister heeft eisers op 19 september 2026 op grond van artikel 59 eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw in bewaring gesteld en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
Eiser heeft op 22 september 2026 gronden van beroep ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 25 september 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
De maatregel van vreemdelingenbewaring
3. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister gemotiveerd waarom een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
Beoordeling door de rechtbank
4. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreek zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Voortraject
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
6. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, omdat aan eiser op 20 maart 2026 een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar is opgelegd. Die beslissingen staan in rechte vast. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
7. De rechtbank is van oordeel dat de gronden a, b en c, anders dan eiser stelt, terecht aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Voor deze gronden is voldoende dat zij feitelijk juist zijn. Het is feitelijk juist dat eiser Nederland niet op voorgeschreven wijze is binnengekomen (a). Eiser beschikt niet over een paspoort, geldig visum of verblijfsvergunning en heeft bovendien tijdens het gehoor verklaard Nederland illegaal te zijn ingereisd, zoals ook vermeld in de maatregel. Dat deze grond gebrekkig zou zijn gemotiveerd, volgt de rechtbank dan ook niet. Ook is feitelijk juist dat aan eiser op 20 maart 2026 een terugkeerbesluit is opgelegd en dat hij niet heeft voldaan aan zijn vertrekplicht binnen de gestelde vertrektermijn (b). Dat eiser niet goed op de hoogte was van de stand van zaken van zijn asielprocedure, komt voor rekening en risico van eiser. Verder is feitelijk juist dat eiser niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit (c). Dat eiser nu aangeeft al het mogelijke te willen doen om terug te keren naar Marokko, waaronder het vaststellen van zijn identiteit, en dat dit ook blijkt uit het vertrekgesprek van 24 september 2026, doet daar niet aan af. In de periode tot aan dit vertrekgesprek heeft eiser nooit actie ondernomen om aan documenten te komen.
Tot slot is ook grond s terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd, nu eiser heeft verklaard te beschikken over minder dan één euro. Het risico op onttrekking heeft de minister ten aanzien van deze grond voldoende gemotiveerd. Dat eiser al die tijd binnen de voorzieningen van het COa heeft verbleven en daar nog altijd wenst te verblijven, doet hieraan niet af.
De rechtbank concludeert dat alle gronden aan de maatregel ten grondslag kunnen worden gelegd en dat deze, in samenhang gezien, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te dragen. Er bestaat voldoende grond voor het standpunt van de minister dat er een onderduikrisico bestaat en dat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
Lichter middel
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit verband acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat daarmee het onderduikrisico is gegeven. Dat eiser, nadat hij in bewaring is gesteld, kenbaar heeft gemaakt alsnog vrijwillig te willen terugkeren met ondersteuning van het IOM en daartoe in contact wil treden met DT&V, maakt dit niet anders. Ten tijde van de inbewaringstelling had eiser namelijk geen concrete stappen ondernomen om zijn vrijwillige vertrek daadwerkelijk in gang te zetten, zoals hij ook zelf heeft verklaard tijdens het gehoor van 19 september 2026. Aan zijn huidige verklaring dat hij bereid is terug te keren kan daarom minder waarde worden gehecht. Daarbij is ook van belang dat niet is gebleken dat eiser op dit moment al enige actie heeft ondernomen om zijn vertrek mogelijk te maken. Gelet op het vastgestelde onderduikrisico heeft de minister zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met een minder dwingende maatregel, zoals plaatsing in de VBL, niet kan worden volstaan.
Overigens is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen of medische omstandigheden van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien om te volstaan met een lichter middel dan een maatregel van bewaring.
Voortvarendheid
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De minister heeft op de derde dag van de inbewaringstelling, namelijk op 22 september 2026, navraag gedaan bij de zaaksofficier of kan worden ingestemd met de voorgenomen uitzetting van eiser. Daarnaast heeft de minister op 24 september 2026 een vertrekgesprek met eiser gevoerd en is op diezelfde dag een lp-aanvraag ingevuld en doorgestuurd naar DIA. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend.
Zicht op uitzetting
10. De rechtbank overweegt dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko in het algemeen niet ontbreekt. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen.
Conclusie en gevolgen
11. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is.
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.