RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.54973
V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en
(gemachtigde: mr. L. Ploeger).
1. Deze uitspraak gaat over het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring aan eiser. Eiser is het hier niet mee eens. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
2. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. De maatregel van bewaring was vanaf 23 september 2026 onrechtmatig, omdat de maatregel te laat is omgezet. Eiser krijgt daarom een schadevergoeding en een vergoeding van zijn proceskosten. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
3. De minister heeft eisers op 16 september 2026 op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw in bewaring gesteld en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
Eiser heeft zijn asielaanvraag op 21 september 2026 ingetrokken.
De minister heeft op 24 september 2026 de maatregel opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 25 september 2026 op zitting behandeld. Eiser, mr. M. Pater als waarnemer van de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister zijn op de rechtbank in Groningen verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
4. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank als de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
5. De minister heeft de maatregel gebaseerd op de a-grond en de b-grond van artikel 59b, eerste lid. De a-grond is aanwezig als de identiteit of de nationaliteit van de vreemdeling met onvoldoende zekerheid bekend is en zich ten minste twee van de gronden, bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, van de Vb voordoen. De b-grond is aanwezig als door de bewaring de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel kunnen worden verkregen. Ook voor de b-grond geldt dat zich ten minste twee van de gronden, bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, van de Vb moeten voordoen.
De minister stelt een vreemdeling slechts in bewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de bewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring. In het besluit tot bewaring vermeldt de minister de feitelijke en juridische gronden waarop de bewaring is gebaseerd en de reden dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast.
De maatregel van vreemdelingenbewaring
6. In de maatregel staat dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser (a-grond) en daarnaast met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag (b-grond).
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft
ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister gemotiveerd waarom een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
Beoordeling door de rechtbank
7. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreek zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de bewaring te laat is omgezet na de intrekking van de asielaanvraag. In geschil is wel of de maatregel van meet af aan onrechtmatig is geweest, daarop zal de rechtbank hieronder eerst ingaan.
Voortraject
8. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
9. De rechtbank is van oordeel dat de maatregel terecht op basis van de a-grond van artikel 59b, van de Vw is opgelegd. De minister stelt in de maatregel van bewaring terecht dat er onvoldoende zekerheid bestaat over de identiteit van eiser, omdat hij niet in bezit is van identiteitsdocumenten. Dit wordt door eiser niet betwist.
Ook de b-grond van artikel 59b van de Vw is terecht toegepast. Als goed gemotiveerd is dat een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat, vloeit daaruit voort dat de maatregel van bewaring noodzakelijk is om gegevens te verkrijgen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag. Anders zouden die gegevens namelijk niet verkregen kunnen worden. De rechtbank oordeelt hierna, onder 10, dat sprake is van een risico op onttrekking.
Gronden
10. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden a, j, p, q, r en s die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, niet heeft betwist. De rechtbank ziet ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden ten onrechte aan eiser zijn tegengeworpen. De maatregel is gemotiveerd en er zijn ten minste twee van de gronden als bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb aanwezig. Daarmee is voldaan aan de in artikel 5.6 van het Vb neergelegde voorwaarde voor inbewaringstelling en is er voldoende reden om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De rechtbank laat de beoordeling van de overige gronden daarom onbesproken.
Lichter middel
11. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit verband acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat daarmee het risico op onttrekking is gegeven. De enkele stelling dat eiser de kans is ontnomen om zijn asielprocedure dan wel terugkeerprocedure met een lichter middel te doorlopen, is hiervoor onvoldoende. Daarnaast is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen of medische omstandigheden van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien om te volstaan met een lichter middel dan een maatregel van bewaring.
Voortvarendheid
12. De rechtbank is van oordeel dat de minister, tot aan de opheffing van de maatregel, niet onvoldoende voortvarend heeft gehandeld ten aanzien van de asielaanvraag van eiser.
Te late omzetting
13. Niet in geschil is dat de maatregel na te laat is omgezet na de intrekking van de asielaanvraag. De asielaanvraag van eiser is ingetrokken op 21 september 2026 en is op 24 september 2026 omgezet. Nu de minister in het geval van eiser vier dagen schadevergoeding heeft aangeboden en eiser dat bod op zitting nadrukkelijk heeft aanvaard voor zover de rechtbank de maatregel niet van meet af aan onrechtmatig acht, ziet de rechtbank geen aanleiding om een ander bedrag dan het aangebodene toe te kennen.
De rechtbank wijst de minister er daarbij wel op dat uit de jurisprudentie geen verplichting voortvloeit om schadevergoeding aan te bieden vanaf dag één van de intrekking van de asielaanvraag, omdat de minister – zoals ook op zitting is toegelicht – twee dagen wordt gegund voor de omzetting van de maatregel.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep is gegrond, omdat de bewaring met ingang van 23 september 2026 onrechtmatig is geworden. Op grond van wat hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de maatregel niet van meet af aan onrechtmatig was.
15. De rechtbank kent de door de minister aangeboden schadevergoeding toe. Dat is een bedrag van 4 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 480,-.
16. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,-. De rechtbank rekent 1 punt voor de kennisgeving en 1 punt voor het verschijnen op de zitting.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.