ECLI:NL:RBDHA:2026:28678

ECLI:NL:RBDHA:2026:28678

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 28-09-2026
Datum publicatie 28-09-2026
Zaaknummer NL26.4304
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

AA. Syrië. Beroep is ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.4304

geboren op [geboortedatum]

van Syrische nationaliteit,

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. H. Diepeveen),

en

(gemachtigde: mr. F. Reidinga).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 20 januari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Daarbij is ook geen verblijfsvergunning regulier of uitstel van vertrek verleend. Aan eiser is wel een terugkeerbesluit opgelegd, waarin is bepaald dat eiser Nederland binnen vier weken moet verlaten en moet vertrekken naar Syrië.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 23 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft verklaard dat hij de Syrische nationaliteit heeft, dat hij behoort tot de Arabische bevolkingsgroep en dat hij is geboren in Idlib, Babilla. Eiser is in september 2023 uit Syrië, Hama, vertrokken omwille van zijn familie en omdat hij niet het leger in wilde gaan. Op 3 januari 2026 zijn bedoeïenen in de plaats Babilla geweest om zijn familie te bestelen. Daarbij is één van de bedoeïenen beschoten en bij de deur van de oom van eiser neergelegd. De neef van eiser wordt nu beschuldigd van de dood van deze persoon. Vanwege dit incident wordt eiser nu ook bedreigd met de dood door de bedoeïenen. Bij terugkeer vreest eiser vermoord te worden of vreest hij dat hij zelf moet vermoorden vanwege dit probleem.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

- identiteit, nationaliteit en herkomst;

- dat eiser wordt bedreigd door de bedoeïenen.

De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De bedreiging door de bedoeïenen acht de minister niet geloofwaardig. Eiser heeft onvoldoende documenten gegeven en heeft daarvoor geen goede verklaring. Ook vormen de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel. Zo volgt uit de verklaringen van eiser niet dat hij persoonlijk is bedreigd door de bedoeïenen en heeft eiser vage en algemene verklaringen afgelegd over de problemen met de bedoeïenen. Ook acht de minister het niet logisch dat eiser en zijn familie worden bedreigd vanwege een incident dat heeft plaatsgevonden in een plaats waar hij en zijn familie al jaren niet meer woonachtig zijn. Volgens de minister leidt het geloofwaardige asielmotief ook niet tot een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. Hiertoe overweegt de minister dat er na de val van het Assad-regime in Syrië geen sprake meer is van een militaire dienstplicht. De vrees voor een militaire dienstplicht wordt dan ook niet aannemelijk geacht. Verder neemt de minister voor heel Syrië aan dat er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. De minister overweegt dat eiser geen individuele gronden heeft aangedragen die aangemerkt kunnen worden als risico verhogende omstandigheid. De minister heeft de asielaanvraag van eiser daarom afgewezen.

Herhaling zienswijze

5. Eiser verwijst naar de zienswijze en verzoekt om de inhoud daarvan als herhaald en ingelast te beschouwen.

De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit gemotiveerd is ingegaan op wat eiser in de zienswijze heeft aangevoerd. Het enkel verwijzen naar de zienswijze in de beroepsgronden, zonder daarbij aan te geven op welke punten en waarom de motivering van het besluit volgens eiser niet toereikend is, is naar het oordeel van de rechtbank geen gemotiveerde betwisting van het besluit en kan daarom niet tot vernietiging van het besluit leiden.

De bedreigingen door de bedoeïenen

6. Eiser voert aan dat de minister de bedreigingen door de bedoeïenen ten onrechte niet geloofwaardig heeft geacht. De minister heeft ten onrechte tegengeworpen dat hij over het incident met de bedoeïenen en zijn familie vage en algemene verklaringen heeft afgelegd. Eiser is immers zelf niet aanwezig geweest bij het incident en moet het doen met wat zijn familie hem daarover bericht. Ook kan in redelijkheid niet verwacht worden dat eiser meer bewijs aanlevert ter onderbouwing van de problemen dan wat hij heeft gedaan met de overgelegde spraakberichten. Verder heeft de minister ten onrechte tegengeworpen dat niet valt in te zien dat de bedoeïenen eiser kennen en hem als doelwit zien. De minister miskent daarbij dat de familieband in Syrië zwaarder weegt dan in Nederland en eiser door zijn achternaam al direct is terug te leiden tot zijn familie. De wraak is gericht tegen de familie en treft eiser daarom ook. Verder voert eiser aan dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij het eerdere incident met de bedoeïenen in 2014 niet goed kan herinneren.

De rechtbank is van oordeel dat de minister de bedreigingen door de bedoeïenen terecht ongeloofwaardig heeft geacht. De minister heeft er terecht op gewezen dat eiser heeft verklaard nooit persoonlijk te zijn bedreigd door de bedoeïenen maar dat hij door zijn familie is gewaarschuwd. Ook heeft de minister terecht tegengeworpen dat eiser slechts kan verklaren dat er vier bedoeïenen in het dorp aanwezig waren en daarvan een is doodgeschoten maar hij hierover niet meer tot in detail kan vertellen. Verder heeft de minister terecht tegengeworpen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bedoeïenen hem via zijn achternaam zouden kunnen achterhalen. Eiser heeft hierover zelf verklaard dat de bedoeïenen hem niet persoonlijk kennen. Ook de door eiser overgelegde spraakberichten maken het voorgaande niet anders. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hier beperkte waarde aan kan worden toegekend omdat het een niet-verifieerbare bron betreft. Daarnaast is het de rechtbank niet duidelijk geworden van wie de spraakberichten afkomstig zijn en aan wie ze zijn gericht. Op de zitting heeft eiser hier ook geen duidelijkheid over kunnen geven. Ten aanzien van het eerdere incident met de bedoeïenen heeft de minister op de zitting verduidelijkt dan niet aan eiser wordt tegengeworpen dat hij niet uitgebreid heeft kunnen verklaren over het eerdere incident, maar dat wordt tegengeworpen dat het eerdere incident niet relevant is voor de geloofwaardigheid van het incident van 3 januari 2026. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser, gelet op zijn vage en algemene verklaringen, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als doelwit geldt bij de bedoeïenen vanwege het incident op 3 januari 2026.

Vrees voor de algemene veiligheidssituatie in Syrië (artikel 15c)

7. Eiser betwist de beleidswijziging voor Syrië in het kader van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. Ter onderbouwing wijst eiser op verschillende bronnen. Eiser voert aan dat uit het landenbeleid niet duidelijk wordt in hoeverre deze informatie door de minister is meegewogen bij het vaststellen van het gewijzigde beleid. Ook wijst eiser op verschillende rechtbankuitspraken. Hieruit volgt ook dat de humanitaire omstandigheden bij de beoordeling over artikel 15c moeten worden betrokken. Eiser legt verder het rapport van SNHR van 1 januari 2026 over met daarin een overzicht van buitengerechtelijke executies in het jaar 2025. Uit de rapportage en informatie over Syrië blijkt volgens eiser dat de veiligheidssituatie zeer onvoorspelbaar en gevaarlijk is, met aanhoudende conflicten, terrorisme, luchtaanvallen en een humanitaire crisis. Gelet op de informatie over Syrië is er volgens eiser nog steeds sprake van een reëel risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 15c alleen al door de aanwezigheid in Syrië. Verder voert eiser aan dat zijn familie in Libanon is en dat hij daarom naar Syrië zou terugkeren zonder netwerk, woning, werk of vangnet.

De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft geoordeeld dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Syrië een lager niveau van willekeurig geweld geldt. Ook is geoordeeld dat uit de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025 volgt dat humanitaire omstandigheden globaal betrokken moeten worden in de 15c beoordeling, voor zover deze (in)direct voortkomen uit het handelen of nalaten van een actor die partij is bij het gewapend conflict.

De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor een ander oordeel dan dat van haar meervoudige kamer. De rechtbank volgt eiser niet in de verwijzingen naar de rechtbankuitspraken. De minister heeft met verwijzing naar de ambtsberichten van mei 2025 en januari 2026 en het EUAA-rapport van december 2025 deugdelijk gemotiveerd dat in Syrië sprake is van relatief lager niveau van willekeurig geweld. Ook uit de meest recente rapporten van EUAA volgt dat sprake is van een lager aantal geweldsincidenten en burgerslachtoffers dan voor de val van Assad, ook specifiek ten aanzien van Hama en Idlib. De minister heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat uit landeninformatie volgt dat de ernstige humanitaire omstandigheden in Syrië niet of slechts in (zeer) beperkte mate te wijten zijn aan het lopende gewapend conflict, maar het gevolg zijn van de jarenlange oorlog, economische sancties en nalatigheid van de regering Assad, die inmiddels geen actor meer is binnen het gewapende conflict. De slechte humanitaire omstandigheden zijn daarmee niet in overwegende mate te herleiden tot het handelen en/of nalaten van partijen die op dit moment betrokken zijn bij het gewapende conflict. Eiser heeft met de door hem overgelegde landeninformatie niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een hoger niveau, of een uitzonderlijk niveau, van willekeurig geweld waarin eenieder te vrezen heeft op ernstige schade. Evenmin heeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij vanwege individuele omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van dit willekeurig geweld. De rechtbank acht hierbij van belang dat eiser heeft verklaard nog wel familieleden in Idlib te hebben. Er is daarom niet gebleken dat eiser bij terugkeer geen netwerk heeft waarop hij kan terugvallen.

Artikel 3 EVRM en terugkeerbesluit

8. Eiser betoogt verder dat terugkeer in strijd is met artikel 3 van het EVRM, omdat hij in Syrië terecht zal komen in zeer slechte humanitaire omstandigheden. Eiser wijst erop dat hij nog maar 19 jaar oud is en dat hij daar alleen zal zijn nu zijn familie in Libanon is.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich deugdelijk en voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken dat in Syrië sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden waarin de humanitaire omstandigheden zich tegen uitzetting verzetten. Hoewel de humanitaire situatie slecht en complex is, is de rechtbank niet gebleken dat in Syrië, en in Idlib in het bijzonder, sprake is van dergelijke zeer uitzonderlijke omstandigheden. Bovendien heeft eiser, ook ter zitting, verklaard dat hij nog familie in Idlib heeft.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. De minister heeft de asielaanvraag terecht afgewezen als ongegrond en heeft aan eiser een terugkeerbesluit mogen opleggen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van

mr. V. Vegter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak bekend is gemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand