RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiseres,
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.6848
geboren op [geboortedatum],
van Libanese nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. B. de Haan),
en
(gemachtigde: mr. F. Reidinga).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van
30 januari 2026 in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij is ook geen verblijfsvergunning regulier of uitstel van vertrek verleend. Aan eiseres is ook geen terugkeerbesluit opgelegd, omdat is gebleken dat het arrest Chavez-Vilchez van het Hof van Justitie van de Europese Unie mogelijk gevolgen heeft.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 23 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiseres en haar gemachtigde hebben voorafgaand aan de zitting aangegeven niet te zullen verschijnen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres heeft verklaard dat zij de Libanese nationaliteit heeft en dat zij behoort tot de Palestijns/Libanese bevolkingsgroep. Verder heeft eiseres verklaard dat zij in 2015 is gehuwd en dat haar echtgenoot daarna naar Nederland is vertrokken. Eiseres heeft vervolgens afwisselend in Syrië en Libanon gewoond. Eiseres is naar Nederland gekomen omdat haar echtgenoot het syndroom van Marfan heeft en zij hem moet helpen. Ook heeft eiseres verklaard dat de situatie in Syrië nog slecht is.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister het volgende asielmotief:
- identiteit, nationaliteit en herkomst.
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig. Volgens de minister leidt dit asielmotief niet tot een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. Hiertoe overweegt de minister dat eiseres heeft verklaard geen problemen te hebben ondervonden in Libanon en geen reden heeft om te vrezen bij terugkeer. Omdat eiseres slechts heeft verklaard naar Nederland te zijn gereisd om voor haar zieke man te zorgen, heeft de minister de asielaanvraag van eiseres afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder a, van de Vw. De minister ziet ook geen aanleiding voor een reguliere vergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. De belangenafweging in dit kader valt in het nadeel van eiseres uit. Hierbij wijst de minister in het bijzonder op het feit dat eiseres geen inspanningen heeft geleverd om verblijf in Nederland te verkrijgen vanwege haar relatie met haar echtgenoot en dat zij haar gezin heeft uitgebreid zonder dat zij zeker was van een verblijfsstatus en de mogelijke voortzetting van haar gezinsleven in Nederland. Ook wijst de minister op het restrictieve toelatingsbeleid en op de sterke binding van eiseres met Libanon.
Procesbelang
5. De minister heeft op 21 september 2026 een kennisgeving van 16 maart 2026 overgelegd, waaruit blijkt dat de minister voornemens is om aan eiseres een verblijfsdocument op basis van artikel 20 VWEU te verstrekken. De minister verzoekt de rechtbank om te beoordelen of er gelet hierop nog sprake is van procesbelang bij de onderhavige procedure.
Eiseres voert in reactie hierop aan dat er wel degelijk sprake is van procesbelang omdat een verblijfsvergunning asiel een sterker recht oplevert dan de afgegeven verblijfsvergunning regulier.
De rechtbank overweegt als volgt. Op de zitting heeft de minister desgevraagd aangegeven dat de verblijfsvergunning regulier inmiddels aan eiseres is verleend. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 2 november 2018 geoordeeld dat een vreemdeling moet kunnen procederen over de weigering om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen als hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verleend. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eiseres belang heeft bij de beoordeling van haar asielaanvraag.
Herhaling zienswijze
6. Eiseres verwijst naar de zienswijze en verzoekt om de inhoud daarvan als herhaald en ingelast te beschouwen.
De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit gemotiveerd is ingegaan op wat eiseres in de zienswijze heeft aangevoerd. Het enkel verwijzen naar de zienswijze in de beroepsgronden, zonder daarbij aan te geven op welke punten en waarom de motivering van het besluit volgens eiseres niet toereikend is, is naar het oordeel van de rechtbank geen gemotiveerde betwisting van het besluit en kan daarom niet tot vernietiging van het besluit leiden.
Belangen van het kind
7. Eiseres voert aan dat de minister in de besluitvorming onvoldoende heeft gemotiveerd op welke wijze de concrete belangen van haar minderjarige kind zijn gewogen. Het bestreden besluit is daardoor strijdig met artikel 3 van het IVRK. Ook voert eiseres aan dat de minister de positie van het ongeboren kind van eiseres onvoldoende heeft beoordeeld.
De rechtbank stelt vast dat eiseres op het moment van het bestreden besluit één (minderjarig) kind had en zwanger was van haar tweede kind. Uit een bericht van de gemachtigde van eiseres is gebleken dat eiseres vlak voor de zitting is bevallen van haar tweede kind.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de belangen van de kinderen voldoende heeft betrokken bij de besluitvorming. Zo heeft de minister overwogen dat het belang van het kind in principe zwaar meeweegt, maar dat daaraan in dit geval geen doorslaggevend gewicht wordt toegekend omdat de kinderen van eiseres zijn verwekt en geboren op het moment dat het verblijfsrecht van eiseres onzeker was. De minister heeft daaraan zwaarwegend gewicht mogen toekennen. Verder heeft de minister betrokken dat er geen objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven in Syrië en/of Libanon uit te oefenen. Omdat het tweede kind van eiseres op het moment van het bestreden besluit nog niet was geboren, heeft de minister op dat moment terecht geoordeeld dat er nog geen sprake was van gezinsleven. Eiseres heeft in beroep niet onderbouwd op welke punten onvoldoende rekening is gehouden met het belang van het kind en waarom deze van doorslaggevend belang zouden moeten zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
Kennelijk ongegrond
8. Eiseres voert aan dat de minister haar asielaanvraag ten onrechte heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiseres heeft namelijk niet enkel economische motieven aangevoerd maar ze heeft in de zienswijze ook gesteld dat zij een Palestijnse is niet naar haar familie in Libanon kan terugkeren vanwege haar culturele achtergrond. In het verlengde hiervan voert eiseres aan dat de minister artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag niet correct heeft toegepast en ten onrechte heeft nagelaten de positie van eiseres als Palestijnse in Libanon adequaat te onderzoeken volgens de eigen Werkinstructie (WI) 2020/19. Eiseres wijst hierbij ook op WBV 2025/12 en WBV 2025/13. Ook voert eiseres aan dat de minister de samenwerkingsplicht heeft geschonden door haar niet in de gelegenheid te stellen haar stelling uit de zienswijze, dat zij vanwege haar culturele achtergrond niet bij haar familie in Libanon kan verblijven, nader toe te lichten in bijvoorbeeld een aanvullend gehoor. Ook heeft de minister ten onrechte geen onderzoek verricht naar de vraag of en waarom de culturele achtergrond van eiseres een objectieve belemmering zou kunnen vormen voor terugkeer. Gelet op de vermelding van culturele achtergrond in combinatie met het feit dat eiseres een alleenstaande zwangere vrouw is, lag het voor de hand dat eiseres hiermee zou doelen op kwesties als eerwraak, buitenhuwelijkse zwangerschap of vergelijkbare omstandigheden.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de asielaanvraag van eiseres terecht als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. De minister heeft er hierbij terecht op gewezen dat eiseres tijdens het aanmeldgehoor en nader gehoor nadrukkelijk heeft verklaard dat zij enkel naar Nederland is gekomen om voor haar zieke echtgenoot te zorgen, dat zij geen problemen heeft ervaren in Libanon en Syrië en dat zij bij terugkeer naar Libanon en Syrië niets te vrezen heeft. Dat eiseres er in de zienswijze op heeft gewezen dat zij een Palestijnse is en dat Palestijnse asielzoekers in Libanon geen effectieve bescherming kunnen krijgen van de Libanese autoriteiten, er geen beschermingsalternatief is en eiseres geen bescherming heeft gehad door UNRWA, maakt het voorgaande niet anders. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat dit niet relevant is, omdat eiseres duidelijk heeft verklaard geen bescherming te behoeven. Ook heeft de minister er op de zitting terecht op gewezen dat WI 2020/19, die inmiddels is vervangen door WI 2026/5, niet van toepassing is op eiseres omdat niet is gebleken dat eiseres een staatloze Palestijnse vluchteling is die bescherming heeft gehad door UNRWA. Eiseres heeft namelijk de Libanese nationaliteit en heeft ook verklaard in het bezit te zijn van een Libanees paspoort waarmee zij legaal uit Libanon is vertrokken. De verwijzingen naar WBV 2025/12 en WBV 2025/13 maken het voorgaande ook niet anders. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister terecht heeft overwogen dat eiseres niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom zij vanwege haar culturele achtergrond niet zou kunnen terugkeren naar haar familie in Libanon. De enkele stelling dat dit zo is, is hiervoor onvoldoende. Ook in beroep heeft eiseres niet onderbouwd dat zij vanwege haar culturele achtergrond niet zou kunnen terugkeren naar Libanon. Er is op geen enkele wijze gebleken dat eiseres vreest voor eerwraak, problemen vanwege haar zwangerschap of vergelijkbare omstandigheden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister hierin geen aanleiding heeft hoeven zien om eiseres aanvullend te horen en ziet ook geen aanleiding voor het oordeel dat de minister de samenwerkingsplicht heeft geschonden. De beroepsgrond slaagt niet.
De redelijke termijn
9. Eiseres voert aan dat de minister artikel 42 van de Vw en artikel 6 van het EVRM heeft geschonden door niet binnen de wettelijke termijn te beslissen op haar asielaanvraag. Eiseres heeft op 10 oktober 2023 asiel aangevraagd. De minister had daarom uiterlijk op 10 april 2024 moeten beslissen. De beschikking is uiteindelijk pas genomen op 30 januari 2026 en dus vijftien maanden na de indiending van de aanvraag en meer dan negen maanden na het verstrijken van de wettelijke termijn. De minister heeft geen deugdelijke verklaring gegeven voor deze extreme termijnoverschrijding.
De rechtbank verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 17 december 2025, waarin zij uitspraak heeft gedaan over het beroep dat eiseres heeft ingediend omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op haar asielaanvraag. De rechtbank ziet in geen aanleiding voor het oordeel dat de minister was gehouden om in deze procedure verder te motiveren waarom het niet is gelukt om binnen de wettelijke termijn op de asielaanvraag te beslissen. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
10. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat de afwijzing van haar asielaanvraag in stand blijft. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
mr. V. Vegter, griffier, en openbaar gemaakt voor middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.