ECLI:NL:RBDHA:2026:28701

ECLI:NL:RBDHA:2026:28701

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 23-09-2026
Datum publicatie 29-09-2026
Zaaknummer AWB 25 / 11957
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Visum kort verblijf Iran. De rechtbank is van oordeel dat de minister bij de beoordeling of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eisers om Nederland vóór het verstrijken van de geldigheid van het visum te verlaten, onvoldoende kenbaar rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van eisers. De minister heeft eisers ten onrechte niet gehoord en ten onrechte niet deugdelijk gemotiveerd waarom de persoonlijke omstandigheden van eisers onvoldoende zijn om aannemelijk te maken dat zij tijdig zullen terugkeren naar Iran. Beroep gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 september 2026 in de zaak tussen

[eiser],

[eiseres],

de minister van Buitenlandse Zaken, de minister

Samenvatting

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 25/11957

V-nummers: [v-nummer 1] en [v-nummer 2]

geboren op [geboortedag 1] 1947, eiser,

geboren op [geboortedag 2] 1951, eiseres,

beiden van Iraanse nationaliteit, hierna gezamenlijk: eisers

(gemachtigde: [gemachtigde]),

en

(gemachtigde: mr. Ö. Sari).

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een visum voor kort verblijf. Eisers zijn het niet eens met deze afwijzing. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. De beslissing op het bezwaar kan dus niet in stand blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben aanvragen ingediend voor een visum voor kort verblijf, omdat zij hun dochter [referent] (hierna: referent) en kleinzoon die sinds 2021 in Nederland verblijven, willen opzoeken.

Met de besluiten van 10 mei 2024 heeft de minister deze aanvragen afgewezen. Eisers hebben tegen deze besluiten bezwaar gemaakt.

Met een besluit van 16 mei 2025 (bestreden besluit I) heeft de minister het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Eisers hebben beroep ingesteld tegen dit besluit.

Met een besluit van 18 augustus 2026 (bestreden besluit II) heeft de minister het bestreden besluit I ingetrokken en het bezwaar opnieuw kennelijk ongegrond verklaard. Het beroep van eisers richt zich van rechtswege tegen het bestreden besluit II.

Eisers hebben aanvullende gronden van beroep ingediend tegen het bestreden besluit.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 7 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent en de gemachtigden van partijen.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit I

3. De minister heeft het bestreden besluit I ingetrokken. Het beroep gericht tegen dit besluit is daarom niet-ontvankelijk. Eisers hebben wel terecht beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I. Daarom veroordeelt de rechtbank de minister in de door eisers gemaakte proceskosten.

Het bestreden besluit II

4. In het bestreden besluit II heeft de minister het bezwaar van eisers opnieuw kennelijk ongegrond verklaard. De minister vindt dat de actuele situatie in Iran de tijdige terugkeer onzeker maakt. De persoonlijke omstandigheden van eisers zijn niet genoeg om de redelijke twijfel over tijdige terugkeer weg te nemen. Het is bovendien onzeker of terugkeer naar Iran vóór afloop van het visum daadwerkelijk mogelijk zal zijn. Eisers zijn niet gehoord, omdat bij de beoordeling van de persoonlijke omstandigheden en de situatie in Iran meteen duidelijk is dat tijdige terugkeer naar Iran onzeker is.

Beroepsgronden eisers

5. Eisers kunnen zich niet verenigen met het bestreden besluit II. Zij voeren aan dat de minister ten onrechte geen individuele beoordeling heeft gemaakt. De stukken die eisers in bezwaar hebben overgelegd om hun economische en sociale binding met Iran te onderbouwen, zijn ten onrechte niet kenbaar betrokken in de beoordeling. Ook voeren eisers aan dat de minister hen ten onrechte niet heeft gehoord.

Standpunt van de minister

6. De minister stelt zich op het standpunt dat de persoonlijke omstandigheden van eisers en de gestelde sociale en economische binding met Iran, waartoe eisers verscheidene documenten hebben overgelegd, zijn betrokken in de beoordeling. Echter, de actuele situatie in Iran brengt een zodanige onzekerheid met zich mee ten aanzien van tijdige terugkeer, dat individuele terugkeerwaarborgen die twijfel op dit moment niet weg kunnen nemen. Sinds eind juni 2026 zijn de spanningen tussen de Verenigde Staten en Iran weer opgelopen. De situatie is erg onvoorspelbaar en kan snel verder verslechteren. De Nederlandse ambassade in Teheran (alwaar een eventueel visum in het paspoort geplakt dient te worden) is tijdelijk gesloten voor publiek en de consulaire dienstverlening is opgeschort vanwege de spanningen en de veiligheidssituatie in de regio. Reizen naar Iran wordt ten strengste afgeraden en een veilige terugkeer kan niet worden gegarandeerd. Het Iraanse luchtruim is open, maar internationale vliegmaatschappijen vliegen nog niet op Iran. Een nadere toelichting van eisers tijdens een hoorzitting over hun gestelde sociale en economische binding met Iran en hun intentie tijdig terug te keren, kan de actuele situatie in Iran en de daaruit voortvloeiende algemene onzekerheid over de reis- en terugkeermogelijkheden niet veranderen. Daarom heeft de minister kunnen afzien van een hoorzitting in bezwaar.

Heeft de minister voldoende rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van eisers?

7. De rechtbank is van oordeel dat de minister bij de beoordeling of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eisers om Nederland vóór het verstrijken van de geldigheid van het visum te verlaten, onvoldoende kenbaar rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van eisers. De minister heeft eisers ten onrechte niet gehoord en ten onrechte niet deugdelijk gemotiveerd waarom de persoonlijke omstandigheden van eisers onvoldoende zijn om aannemelijk te maken dat zij tijdig zullen terugkeren naar Iran. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

Uit het arrest Koushkaki van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat de bevoegde autoriteiten bij het beoordelen van de visumaanvraag moeten bepalen of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum te verlaten. Daartoe moeten de bevoegde autoriteiten een individueel onderzoek van de visumaanvraag verrichten waarin rekening wordt gehouden met, enerzijds, de algemene situatie in het land waarin de aanvrager woont en, anderzijds, de persoonlijke omstandigheden van de aanvrager, met name zijn gezins-, sociale en economische situatie, het eventuele bestaan van eerdere legale of illegale verblijven in een van de lidstaten en ook zijn banden in het land waarin hij woont en in de lidstaten.

Verder is het vaste rechtspraak van de Afdeling dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen. Het horen in de bezwaarfase vormt een essentieel onderdeel van de procedure. Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat wat in bezwaar is aangevoerd, niet tot een ander standpunt kan leiden dan het standpunt in het primaire besluit. Met deze uitzondering op de hoorplicht moet terughoudend worden omgegaan. Een relevante omstandigheid is onder meer de mate waarin een vreemdeling bereidwillig en actief de inspanningen heeft verricht die redelijkerwijs van hem verwacht kunnen worden bij het verkrijgen en tijdig aanleveren van de verzochte informatie. De vuistregel is dat naarmate een vreemdeling meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om hem uit te nodigen voor een hoorzitting.

De rechtbank stelt vast dat eisers hun persoonlijke omstandigheden uitgebreid hebben onderbouwd. Zo hebben zij tijdens de bezwaarprocedure, op verzoek van de minister, recente en vertaalde pensioenstroken en bankrekeningoverzichten overgelegd. Bij hun aanvragen hadden zij al vliegtickets, bewijs van bezit van onroerend goed, bankrekeningoverzichten en pensioenstroken overgelegd. Op de zitting heeft referent toegelicht dat eisers tijdig zullen terugkeren naar Iran omdat zij daar hun hele leven hebben. Zij krijgen er pensioen en hebben een eigen huis. Zij zijn oud en hebben in Iran veel voorzieningen speciaal voor oude mensen. Zij hebben een heel goede zorgverzekering die hen toegang geeft tot goede gezondheidszorg. Ze hebben artsen die ze maandelijks kunnen bezoeken. Eiseres heeft veel routine check-ups nodig en daarvoor moeten zij in hun eigen land zijn. Zij houden van hun land en willen niet lang in Nederland verblijven, maar enkel hun dochter en kleinzoon bezoeken die zij inmiddels al meer dan vijf jaar niet hebben gezien. Verder woont referent in een kleine studio met haar zoon en kunnen haar ouders daar niet lang verblijven. Bovendien is de terugreis volgens referent mogelijk via Turkije, desnoods per bus of auto.

Gelet op de uitgebreide onderbouwing van hun persoonlijke omstandigheden die eisers in bezwaar hebben gegeven, is de rechtbank van oordeel dat de minister eisers ten onrechte niet heeft gehoord. Het standpunt van de minister dat eisers niet gehoord hoefden te worden omdat bij de beoordeling van de persoonlijke omstandigheden en de situatie in Iran meteen duidelijk was dat de tijdige terugkeer naar Iran onzeker was, volgt de rechtbank niet.

Hoewel de rechtbank begrijpt dat de algemene situatie in Iran maakt dat er twijfel kan bestaan over het voornemen van eisers om tijdig terug te keren, heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank niet deugdelijk gemotiveerd waarom de persoonlijke omstandigheden van eisers onvoldoende zijn om deze twijfel weg te nemen.

Over de persoonlijke omstandigheden heeft de minister in het bestreden besluit II enkel gesteld dat eisers hebben gezegd dat zij voldoende sociale en economische banden met Iran hebben omdat zij beide pensioen ontvangen, onroerende goederen bezitten, familieleden hebben en een goed leven hebben opgebouwd in Iran. Gelet op de toelichting van referent op de zitting, is dit een te beperkte weergave van de relevante persoonlijke omstandigheden. Zo is ook relevant dat eisers stellen een heel goede zorgverzekering te hebben in Iran die hen toegang geeft tot goede gezondheidszorg.

Vervolgens heeft de minister in het bestreden besluit II gesteld dat de persoonlijke omstandigheden van eisers, ondanks hun gewicht, gelet op de onzekere situatie in Iran, onvoldoende zijn om de redelijke twijfel over tijdige terugkeer naar Iran weg te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister hiermee onvoldoende kenbaar rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van eisers. De minister heeft de persoonlijke omstandigheden van eisers ten onrechte niet onderzocht tijdens een hoorzitting, en ten onrechte niet in het bestreden besluit II uiteengezet hoe deze omstandigheden in de beoordeling zijn betrokken en waarom deze omstandigheden onvoldoende zijn om tijdige terugkeer aannemelijk te maken. Bovendien heeft de minister ten onrechte aangenomen dat het voor eisers feitelijk onmogelijk zal zijn om terug te keren naar Iran, zonder dit eerst met hen te bespreken.

De beroepsgronden slagen.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep gericht tegen het bestreden besluit I is niet-ontvankelijk. Het beroep gericht tegen het bestreden besluit II is gegrond, omdat het bestreden besluit II in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit II en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De minister moet eisers in de gelegenheid stellen om te worden gehoord. Ook moet de minister in een nieuw besluit op bezwaar alle relevante persoonlijke omstandigheden kenbaar betrekken. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.

9. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eisers gemaakte proceskosten. Ook moet de minister het griffierecht aan eisers vergoeden. Deze vergoeding van de proceskosten bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit II gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit II;

- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan eisers moet vergoeden;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, rechter, in aanwezigheid van mr. C.S. Carella, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.G. Vegter

Griffier

  • mr. C.S. Carella

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand