RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster] , geboren op [geboortedag] 1963, met de Syrische nationaliteit,
de minister van Buitenlandse Zaken, de minister
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.54508
V-nummer: [v-nummer]
verzoekster
(gemachtigde: mr. L. Hu),
en
(gemachtigde: mr. J. Amakodo).
Procesverloop
Bij besluit van 1 september 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoekster tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen.
Verzoekster heeft tegen dit besluit op 15 september 2026 bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter op deze datum ook verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De minister heeft een verweerschrift ingediend op 18 september 2026 en heeft op 24 september 2026 een aanvulling op het verweerschrift ingediend.
Overwegingen
1. Verzoekster heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. Gelet op het dossier en het door verzoekster gestelde, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het verzoek om vrijstelling van het griffierecht toe te kennen.
2. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter als onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen.
Spoedeisend belang
4. De voorzieningenrechter zal zich eerst uitlaten over de vraag of sprake is van onverwijlde spoed en of partijen door een uitspraak zonder zitting niet in hun belangen worden geschaad.
5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in dit geval sprake van onverwijlde spoed, nu uit de overgelegde zwangerschapsverklaring van 20 maart 2026 volgt dat de dochter van verzoekster is uitgerekend op 1 oktober 2026 en verzoekster rond de bevalling en in de eerste periode daarna bij haar dochter wil zijn om haar te ondersteunen. De voorzieningenrechter volgt de minister niet in het standpunt dat geen sprake zou zijn van een zwaarwegend spoedeisend belang. Dat er geen medische of andere bijzondere omstandigheden zijn gesteld waaruit volgt dat juist de aanwezigheid van verzoekster rond de bevalling noodzakelijk is, doet daar niet aan af. Een bevalling is een bijzondere en ingrijpende levensgebeurtenis die niet vaak voorkomt en een gebeurtenis is die zich niet laat uitstellen. Het is dan ook begrijpelijk dat verzoekster als moeder bij, en rondom, de bevalling van haar dochter aanwezig wil zijn, hetgeen een zwaarwegend spoedeisend belang oplevert. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de minister tijdens de coronapandemie voor dergelijke gebeurtenissen een uitzondering maakte op het Europese inreisverbod en daaruit volgt dat de minister dit ook ziet als een zwaarwegend belang.
6. De voorzieningenrechter oordeelt verder dat partijen door het achterwege laten van een zitting niet in hun belangen zijn geschaad. Daarbij is van belang dat partijen voldoende de gelegenheid hebben gehad om hun standpunten schriftelijk naar voren te brengen. In dit verband is relevant dat de minister op 16 september 2026 door de voorzieningenrechter in de gelegenheid is gesteld om te reageren op het verzoek van verzoekster. Daarbij heeft de minister geen inhoudelijk standpunt ingenomen over de kans van slagen van het bezwaar. Omdat de voorzieningenrechter vanwege de onverwijlde spoed voornemens was zonder zitting uitspraak te doen, is op 23 september 2026 aan beide partijen de gelegenheid gegeven om op elkaar te reageren. Verzoekster heeft daar geen gebruik van gemaakt waarna de minister op 24 september 2026 de gelegenheid heeft gekregen om een inhoudelijk standpunt in te nemen . De voorzieningenrechter zal dan ook met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb uitspraak doen zonder zitting.
Heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?
7. Nu de voorzieningenrechter heeft aangenomen dat sprake is van onverwijlde spoed en van oordeel is dat uitspraak zonder zitting kan worden gedaan, zal zij beoordelen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.
8. De voorzieningenrechter overweegt vooraf en samenvattend het volgende over het juridisch kader van waaruit de zaak van verzoekster wordt bekeken. Bij aanvragen van een visum voor kort verblijf geldt dat de minister een risico-inschatting maakt of voldoende gewaarborgd is dat de aanvrager terugkeert naar het land van herkomst vóór het verstrijken van het visum. Hiervoor kijkt de minister naar de sociale en economische binding van de aanvrager met het land van herkomst. Bij de sociale binding houdt de minister rekening met bijvoorbeeld familieleden waarvoor de aanvrager zorg draagt, die zonder zorg komen te zitten als de aanvrager niet terugkeert. Bij de economische binding houdt de minister rekening met bijvoorbeeld duurzame en substantiële inkomsten die de aanvrager verliest als hij of zij niet terugkeert. Deze binding moet worden onderbouwd met objectieve en verifieerbare stukken. Hierbij geldt dat sociale en economische binding communicerende vaten zijn; een door stukken onderbouwde sterke economische binding kan bijvoorbeeld een minder sterke sociale binding compenseren en andersom.
9. De minister heeft de aanvraag van verzoekster in het bestreden besluit afgewezen, omdat verzoekster het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond en omdat volgens de minister onvoldoende gewaarborgd is dat verzoekster terugkeert naar Syrië vóór het verstrijken van het visum, omdat zij de sociale en economische binding niet voldoende heeft aangetoond.
10. In de aanvulling op het verweerschrift van 24 september 2026 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat verzoekster in bezwaar wel het doel en omstandigheden van het verblijf voldoende heeft aangetoond. De minister blijft echter op het standpunt dat verzoekster de sociale en economische binding met Syrië onvoldoende heeft aangetoond.
11. Verzoekster stelt in bezwaar dat zij wel degelijk de sociale en economische binding heeft aangetoond. Zij stelt dat Syrië het centrum vormt van haar persoonlijke, familiale en economische leven en stelt dat zij dit met stukken heeft onderbouwd. Zo stelt verzoekster dat zij haar hele leven in Syrië woont, daar gehuwd is en daar haar gezinsleven opgebouwd heeft. Haar echtgenoot, zoon, andere dochter en kleindochter wonen daar nog steeds. Daarmee stelt verzoekster dat zij niet alleen algemene familiebanden met Syrië heeft, maar concrete en voortdurende banden met haar directe gezin en naaste familie, die haar dagelijks leven en sociale omgeving bepalen. Daarnaast voert verzoekster aan dat zij economisch duurzaam aan Syrië is gebonden. Ook hiervan heeft zij stukken overgelegd. Zo ontvangt verzoekster sinds 2022 pensioen in Syrië en heeft zij daar eerder als docent aan de universiteit van [plaats] gewerkt. Sinds haar pensionering verricht verzoekster bovendien nog werkzaamheden in de tandartspraktijk van haar echtgenoot. Verzoekster stelt daarom dat haar inkomen en werkzaamheden dus rechtstreeks zijn verbonden aan Syrië en een concrete reden vormen om daar terug te keren. Verder stelt verzoekster met stukken te hebben onderbouwd dat zij al zeven jaar actief betrokken is bij de Grieks-Orthodoxe kerk in [plaats] , waar zij als secretaris werkzaam is. Ook dit onderstreept volgens verzoekster haar blijvende sociale inbedding in Syrië.
12. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft het bezwaar van verzoekster geen redelijke kans van slagen en heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat de gestelde sociale en economische binding met Syrië, ook in samenhang bezien, onvoldoende grond bieden om de twijfel weg te nemen over het voornemen van verzoekster om tijdig terug te keren. Daarbij heeft de minister kunnen betrekken dat, in het kader van de economische binding, de overgelegde bankafschriften weliswaar laten zien dat verzoekster regelmatig geld ontvangt en dat zij stelt dat dit pensioen is, maar dat zij – ervan uitgaande dat het inderdaad pensioen is – voor de ontvangst daarvan niet in Syrië aanwezig hoeft te zijn. De minister heeft verder kunnen betrekken dat de overgelegde registratie als tandarts haar beroepskwalificatie bevestigt, maar uit de stukken niet volgt hoeveel zij momenteel werkt of dat zij haar werkzaamheden op een bepaalde datum moet hervatten. De praktijk bindt haar echtgenoot economisch aan Syrië; een vergelijkbare binding van verzoekster is niet aangetoond. Wat betreft de sociale binding overweegt de voorzieningenrechter dat verzoekster sociale banden heeft met Syrië. Verzoekster woont daar samen met haar echtgenoot en heeft daar bovendien een zoon, een andere dochter en een kleinkind. De minister heeft zich in dit kader echter op het standpunt kunnen stellen dat haar kinderen volwassen zijn en dat uit de stukken niet blijkt dat zij voor hen of haar kleinkind zorgt of andere verantwoordelijkheden heeft waarvoor zij na het voorgenomen bezoek in Syrië moet zijn. Ook wat betreft de stelling van verzoekster dat zij actief is voor een kerkelijke liefdadigheidsorganisatie, heeft de minister kunnen vinden dat niet is toegelicht welke werkzaamheden zij daar verricht, hoe vaak zij dat doet en of haar aanwezigheid daarvoor in de opgegeven reisperiode noodzakelijk is.
Conclusie en gevolgen
13. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, voorzieningenrechter, in aanwezigheid
van mr. A.S. Hayas, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: