RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , (V-nummer: [V-nummer] ), eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.39182 en NL26.39183
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. S. Sewnath)
en
(gemachtigde: mr. E. Walraven).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in de asielgrensprocedure. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Eiser heeft op 29 juni 2026 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van
10 juli 2026 de aanvraag in de asielgrensprocedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
4. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
5. De rechtbank heeft de zaken op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, H. Abdullah als tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft onderzoek ter zitting geschorst om de minister in de gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren op de op zitting gestelde vragen. Op 4 augustus 2026 heeft de minister gereageerd. Op 11 augustus 2026 heeft eiser gereageerd. Nadat partijen hiertoe toestemming hebben gegeven heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Over de medische situatie en de procedurele waarborgen
Het asielrelaas
6. Eiser is afkomstig uit [plaats1] en heeft een asielaanvraag gedaan omdat hij bij terugkeer vreest voor represailles van leden van de speciale eenheid waartoe hij behoorde. In 2015 was eiser tijdens een patrouille getuige van een moord op een Venezolaanse persoon bij de grens tussen [plaats1] en Venezuela. Eiser heeft dit gemeld bij zijn meerdere, en hem werd verteld dat hij hier verder niet over mocht spreken. Eiser werd vier maanden gekort op zijn salaris om te zorgen dat hij zijn mond zou houden en moest op het hoofdkwartier blijven. Eind december kreeg eiser weer salaris. In januari is hij, na het overleggen van een ontslagbrief, naar [plaats2] en [plaats3] gegaan. In 2017 kreeg eiser een
e-mail van zijn meerdere waarin staat dat hij iets met eiser wilde bespreken en dat hij contact wilde. Daar heeft eiser uit angst niet op gereageerd. In 2026 merkte eiser dat de mannen die betrokken waren bij het incident naar hem op zoek waren. Eiser werd in mei 2026 achtervolgd op weg naar huis. Ook is op zijn werk naar hem gevraagd onder zijn roepnaam ‘ [eiser] ’, terwijl eiser in [plaats2] en [plaats3] de naam [naam] gebruikt. Eiser heeft zijn vrouw en kinderen ondergebracht en is naar Nederland gevlucht. Eiser heeft overigens aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij een politieke mening heeft over de situatie in [plaats1] maar dat hij deze niet kan uiten.
Het bestreden besluit
7. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotieven die zijn beoordeeld op geloofwaardigheid:(1) identiteit, nationaliteit en herkomst;
(2) de ontstane problemen als gevolg van de gemaakte melding;
(3) de politieke mening van eiser.
8. De minister stelt zich op het standpunt dat het asielmotief onder (1) geloofwaardig is. Het asielmotief onder (2) is volgens de minister deels geloofwaardig. Dat het incident in 2015 heeft plaatsgevonden wordt gevolgd, maar dat eiser hierover na 2015 is benaderd en daardoor problemen heeft ondervonden wordt niet geloofwaardig geacht. Het asielmotief onder (3) is volgens de minister geloofwaardig, maar volgens de minister is niet gebleken van een sterke politieke overtuiging op grond waarvan eiser bij terugkeer te vrezen heeft.
9. Volgens de minister zijn de verklaringen van eiser niet onderbouwd met objectieve documenten die het asielrelaas onderbouwen en vormen de verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Over de e-mail die eiser in 2017 van zijn meerdere heeft ontvangen stelt de minister zich op het standpunt dat hieruit niet blijkt dat eiser door zijn meerdere werd gezocht in verband met de moord. Dat twee personen die betrokken waren bij het incident in 2026 naar eiser op zoek zijn gegaan is volgens de minister ook slechts gebaseerd op vermoedens.
De beroepsgronden van eiser en het oordeel van de rechtbank daarover
Over de beoordeling van het relaas
10. Eiser voert, samengevat weergegeven, het volgende aan. Volgens eiser heeft de minister zijn asielrelaas ten onrechte in afzonderlijke onderdelen beoordeeld en niet in samenhang tegen de achtergrond van landeninformatie of andere objectieve informatie. Anders dan de minister stelt is wel degelijke sprake geweest van geweld en bedreiging nu zijn toenmalig meerdere hem onder bedreiging opdroeg te zwijgen over het incident en maatregelen zijn getroffen. De minister heeft volgens eiser dan ook ten onrechte niet kenbaar artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatieverordening toegepast waaruit volgt dat een eerdere rechtstreekse bedreiging en bestraffing een duidelijke aanwijzing vormen voor toekomstige vrees. De e-mail van zijn meerdere had moeten worden beoordeeld in samenhang met het geloofwaardig bevonden incident, de eerdere bedreiging en de positie van de afzender. Uit de overgelegde afbeeldingen van de e-mailcorrespondentie in 2015 over patrouilles die aan eiser worden opgedragen blijkt dat de afzender daadwerkelijk zijn meerdere is, waardoor de inhoud van de e-mail ook in die context had moeten worden beoordeeld. Uit openbare bronnen blijkt bovendien dat binnen de [bedrijf] een officier met de naam van eisers meerdere werkzaam was, die gegevens sluiten aan bij de door eiser overgelegde correspondentie. Ook blijkt dat zijn meerdere in [plaats2] en [plaats3] is opgeleid en er een cursus heeft plaatsgevonden net voordat eiser is benaderd. Voor zover de minister twijfelt aan de herkomst of authenticiteit had de minister eiser in de gelegenheid moeten stellen om de oorspronkelijke e-mail met bijlagen of de gegevensdrager voor onderzoek beschikbaar te stellen. Volgens eiser stelt de minister zich verder ten onrechte op het standpunt dat eisers vrees is gebaseerd op vermoedens. Hij heeft concreet verklaard over de achtervolging en de navraag die naar hem is gedaan. Eiser stond in [plaats2] en [plaats3] in het dagelijkse leven onder een andere roepnaam bekend. Dat zijn eigen naam wel in officiële documenten stond maakt niet dat willekeurige personen die ook kenden. Het uitblijven van een confrontatie tussen eiser en de personen die naar hem op zoek waren ondersteunt volgens eiser juist het feit dat hij eerder goede veiligheidsmaatregelen heeft genomen, maar niet dat er geen dreiging meer zou zijn. Dat geldt volgens eiser ook voor het tijdsverloop sinds het incident. Dat eiser zo lang buiten beeld is gebleven, betekent niet dat de betrokken personen nu geen belang meer hebben bij zijn stilzwijgen. Over de tegenwerping van de minister dat eiser verschillende keren van [plaats2] en [plaats3] naar [plaats1] is gereisd en daaruit geen vrees blijkt, voert eiser aan dat hij deze reizen noodzakelijk moest maken voor in- en uitreisstempels om zijn rechtmatige verblijf in [plaats2] en [plaats3] te behouden.
11. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet geloofwaardig is dat eiser als gevolg van het incident dat in 2015 heeft plaatsgevonden bij terugkeer nog te vrezen heeft. De minister heeft bij de beoordeling kunnen betrekken dat uit de inhoud van de overgelegde e-mail van 2017 van eisers (voormalig) meerdere niet blijkt dat zijn meerdere naar eiser op zoek is in verband met het incident dat in 2015 heeft plaatsgevonden. Ook heeft de minister bij de beoordeling kunnen betrekken dat eiser niet op de e-mail heeft gereageerd en heeft verklaard ook niet met zekerheid te weten dat het een val was, maar dat hij dit vermoeden heeft. Dat uit eerdere correspondentie blijkt dat de afzender van het e-mailbericht daadwerkelijk eisers meerdere is, maakt de inhoud van de e-mail niet anders. Ook een eventueel onderzoek naar de gegevensdrager zou hier geen verschil in maken, zodat de minister hier terecht geen aanleiding toe heeft gezien.
12. De minister heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat de verklaring van eiser dat hij in 2026 zou zijn achtervolgd door twee personen die bij het incident zijn betrokken, slechts is gebaseerd op een vermoeden. Eiser kan niet verklaren waarom men ineens in 2026 naar hem op zoek zou gaan als gevolg van een incident dat ruim tien jaar geleden heeft plaatsgevonden. De minister heeft hierbij kunnen betrekken dat eiser enerzijds heeft verklaard te vermoeden dat een familielid misschien iets naar voren heeft gebracht, terwijl hij anderzijds heeft verklaard dat hij niet met anderen over het incident heeft gesproken. Ook heeft de minister terecht overwogen dat eiser niet kan verklaren hoe men te weten zou zijn gekomen dat hij in [plaats2] en [plaats3] verblijft. De minister heeft over de gegeven verklaring, namelijk dat hij misschien is gezien bij de grens tijdens een in- en uitreis in 2024, kunnen opmerken dat het dan niet valt in te zien dat men vervolgens pas in 2026 naar eiser op zoek gaat. Een ander vermoeden van eiser is dat iemand in [plaats2] en [plaats3] hem zou hebben verklikt, wat de minister niet in overeenstemming heeft kunnen vinden met de verklaring dat eiser dat hij in [plaats2] en [plaats3] een andere naam hanteert. Uit de verklaringen van eiser blijkt verder dat hij niet heeft kunnen zien wie hem achtervolgde omdat het avond was. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat concrete aanwijzingen ontbreken dat het om de twee soldaten zou gaan die bij het incident in 2015 waren betrokken. Dat geldt ook voor het vermoeden van eiser dat het deze twee soldaten waren die de volgende dag bij eisers bedrijf naar hem vroegen onder zijn roepnaam [eiser] . De minister heeft hierover terecht opgemerkt dat eiser in [plaats2] en [plaats3] officieel staat geregistreerd onder de naam [eiser] waardoor het niet uit te sluiten is dat iemand anders op de hoogte is geraakt van deze naam. Tot slot heeft de minister terecht bij zijn beoordeling kunnen betrekken dat eiser geen verklaring heeft kunnen geven voor de omstandigheid dat men ruim tien jaar na het incident ineens weer naar eiser op zoek zou gaan. De gegeven verklaring dat eiser eenmaal zo lang buiten beeld is gebleven, heeft de minister hiertoe onvoldoende mogen vinden. De minister heeft de gestelde vrees bovendien niet in lijn kunnen vinden met de omstandigheid dat het incident in 2015 relatief licht is afgedaan door eisers werkzaamheden een aantal maanden te schorsen, waarbij zijn wapen werd ingenomen en zijn loon ingehouden.
13. Anders dan eiser betoogt volgt uit het bovenstaande dat de minister het relaas in onderlinge samenhang heeft beoordeeld en zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de gestelde vrees bij terugkeer als gevolg van het incident dat in 2015 heeft plaatsgevonden ongeloofwaardig is. Wat eiser hierover heeft aangevoerd slaagt daarom niet.
Over de gestelde (toegedichte) politieke overtuiging
14. Eiser voert onder verwijzing naar artikel 10, eerste lid, onder e, van de Kwalificatieverordening aan dat de geloofwaardig bevonden politieke overtuiging door de minister te beperkt is beoordeeld. Volgens eiser had de minister ook moeten beoordelen of de autoriteiten hem een oppositionele of anti-corruptiehouding toedichten omdat hij zich heeft verzet tegen dodelijk geweld gepleegd door militairen, dit heeft gemeld en werd gezien als verrader.
15. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat uit eisers verklaringen niet blijkt dat hij een (toegedichte) politieke overtuiging heeft die maakt dat hij bij terugkeer een risico op vervolging loopt. Eiser heeft verklaard dat hij een mening heeft over de regerende partij, dat zij te weinig doen voor de mensen en er te weinig banen zijn. Eiser heeft verder verklaard dat hij zich niet heeft geuit en ook niet meedoet aan protesten. De vraag of hij wel politiek actief zou zijn geweest als dit had gekund heeft eiser niet beantwoord. Eiser antwoordt verder ontkennend op de vraag of hij over zijn politieke mening nog iets wil toevoegen. In de correcties en aanvullingen wordt benadrukt dat de politieke mening vooral ondersteunend is voor de beoordeling van het risico ten aanzien van zijn meerdere. Het zwaartepunt van de aanvraag blijft het incident in het leger, aldus eiser. De minister heeft op de zitting terecht gesteld dat uit de verklaringen van eiser en de correcties en aanvullingen niet volgt dat de melding die hij maakte over het incident van 2015 gezien werd of moest worden gezien als een uiting van een politieke overtuiging. De minister heeft de verklaringen van eiser dan ook niet zo hoeven opvatten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de politieke overtuiging van eiser in het bestreden besluit niet te beperkt beoordeeld. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.
16. Eiser voert onder verwijzing naar de artikelen 20 en 21 van de Procedureverordening aan dat de minister geen rekening heeft gehouden met zijn medische situatie en uit het bestreden besluit niet blijkt dat een individuele beoordeling heeft plaatsgevonden van de procedure waarborgen, waaronder de geschiktheid om te worden gehoord. Dat eiser bereid was om de vragen tijdens het gehoor te beantwoorden, betekent niet dat hij klachtenvrij en zonder beperkingen heeft kunnen verklaren. Volgens eiser had gezien zijn medische klachten de versnelde procedure in dit geval niet mogen worden toegepast.
17. In artikel 20 van de Procedureverordening is neergelegd dat per geval wordt beoordeeld of de betreffende verzoeker bijzondere procedurele waarborgen behoeft. In artikel 21, tweede lid, van de Procedureverordening staat dat indien de beslissingsautoriteit van oordeel is dat de nodige steun niet kan worden verleend in de grensprocedure deze procedure niet langer op de verzoeker wordt toegepast. Daarbij moet in het bijzonder aandacht worden besteed aan slachtoffers van foltering, verkrachting of andere ernstige vormen van psychologisch, fysiek, seksueel of gendergerelateerd geweld.
18. De rechtbank stelt vast dat eiser bij de aanvang van het gehoor heeft verklaard dat hij nog niet had geplast, dat hij bloed vond in zijn ontlasting en hij last had van nekpijn. Eiser had verder begrepen dat zijn bloeddruk een beetje hoog was. Tijdens het gehoor is meerdere malen aan eiser gevraagd hoe het ging. Eiser heeft niet aangegeven niet te kunnen verklaren. Met de minister is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat eiser tijdens het gehoor behoefte had aan meer ondersteuning. De minister heeft evenmin aanleiding hoeven te zien om op grond van de klachten van eiser die hij bij de aanvang van het gehoor naar voren heeft gebracht de grensprocedure niet langer van toepassing te verklaren. Eiser heeft ook geen nadere onderbouwing van zijn medische situatie overgelegd. Wat eiser hierover heeft aangevoerd slaagt niet.
Over de correcties en aanvullingen en de geluidsopname van het gehoor
19. Over de beroepsgrond van eiser dat de minister in het bestreden besluit ten onrechte niet kenbaar de correcties en aanvullingen heeft beoordeeld, overweegt de rechtbank dat door eiser niet is geconcretiseerd wat door de minister ten onrechte niet zou zijn meegenomen uit de ingediende correcties en aanvullingen op het gehoor. Al hierom kan deze beroepsgrond niet slagen. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat ten onrechte geen toegang is verleend tot de geluidsopname van het gehoor zoals bedoeld in artikel 14 van de Procedureverordening, overweegt de rechtbank dat in het zesde lid van dit artikel is neergelegd dat in het kader van de beroepsprocedure toegang tot de opname wordt verleend. De rechtbank stelt vast dat de geluidsopname van het gehoor in het procesdossier dat door de rechtbank is ontvangen is opgenomen. Voor zover ervan moet worden uitgegaan dat de geluidsopname niet in het procesdossier van eiser is opgenomen - verweerder heeft dit niet betwist - is niet gebleken dat eiser hierdoor in zijn belangen is geschaad nu eiser op het verslag van het gehoor heeft gereageerd en in beroep niet heeft geconcretiseerd waarom het bestreden besluit onjuist is vanwege een onjuiste lezing van de verklaringen tijdens het gehoor. Het is dan ook aannemelijk dat eiser niet is benadeeld door het niet beschikken over de opname. De rechtbank ziet daarom aanleiding dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Over de mogelijkheid tot het inroepen van bescherming
20. Eiser voert verder aan dat de minister ten onrechte niet heeft onderzocht of eiser bij terugkeer daadwerkelijk toegang heeft tot doeltreffende en niet-tijdelijke bescherming. De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank onder verwijzing naar paragraaf C2/3.4 van de Vreemdelingencirculaire terecht op het standpunt gesteld dat de bescherming van de vreemdeling eerst wordt beoordeeld nadat is vastgesteld dat de vreemdeling een gegronde vrees heeft voor vervolging. Nu de minister de gestelde vrees van eiser als gevolg van het incident in 2015 terecht ongeloofwaardig heeft gevonden, heeft de minister geen aanleiding hoeven zien om te onderzoeken of eiser bij terugkeer bescherming kan inroepen. Wat hierover is aangevoerd slaagt daarom niet.
Over de removal order
21. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een removal order. Aan eiser is geen terugkeerbesluit opgelegd. Dat wat eiser heeft aangevoerd in het kader van de Terugkeerrichtlijn kan al hierom niet slagen. In de removal order staat dat de vervoerder die eiser van [plaats2] en [plaats3] naar Nederland heeft gebracht ook verantwoordelijk is om hem terug te vervoeren. Daar wijst de minister terecht naar. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State van 10 juli 2026 volgt dat de feitelijke uitvoering van de removal order resulteert in een verplichting voor [plaats2] en [plaats3] om te onderzoeken of aan hem toegang wordt verleend. Eiser heeft verklaard sinds januari 2016 rechtmatig in [plaats2] en [plaats3] te wonen. Uit het door eiser aangevoerde blijkt niet dat hij daar niet weer naartoe kan. Overigens verwijst de rechtbank naar wat hierboven is geoordeeld, namelijk dat eiser zijn gestelde vrees bij terugkeer niet aannemelijk heeft gemaakt. Wat eiser hierover heeft aangevoerd slaagt evenmin.
Over de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond in de asielgrensprocedure
22. Eiser voert aan dat de minister de asielaanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond in de asielgrensprocedure heeft afgewezen. De verwijzing van de minister naar artikel 42, eerste lid, onderdeel j), van de Procedureverordening is hiertoe onvoldoende. Eiser betoogt gemotiveerd dat de omstandigheid dat hij van het geweld melding heeft gedaan bij zijn meerdere en dit gevolgen voor hem heeft gehad, maakt dat sprake is van een objectief profiel op grond waarvan de minister kenbaar had moeten onderzoeken of het percentage van 20% of minder inwilligingen wel representatief voor hem is. Volgens eiser volgt uit het bestreden besluit niet dat de minister deze beoordeling heeft gemaakt.
23. Op grond van artikel 45, eerste lid, van de Procedureverordening behandelt een lidstaat in de in artikel 43, eerste lid, bedoelde gevallen een verzoek in een grensprocedure indien een van de in artikel 42, eerste lid, onderdeel c), f) of j), bedoelde omstandigheden zich voordoet.
24. Op grond van artikel 42, eerste lid, onderdeel j), van de Procedureverordening versnelt de beslissingsautoriteit de behandeling van een verzoek om internationale bescherming wanneer de verzoeker de nationaliteit heeft van of, in het geval van een staatloze, zijn gewone verblijfplaats had in een derde land waarvoor, volgens de meest recente beschikbare jaargemiddelden van Eurostat voor de gehele Unie, de beslissingsautoriteit in 20% of minder van de gevallen internationale bescherming heeft verleend, tenzij de beslissingsautoriteit oordeelt dat zich sinds de publicatie van de desbetreffende Eurostat-gegevens in het betrokken derde land een belangrijke wijziging heeft voorgedaan of dat de verzoeker behoort tot een categorie van personen voor wie het erkenningspercentage van 20% of minder niet als representatief voor hun beschermingsbehoeften kan worden beschouwd, rekening houdend met onder meer de aanzienlijke verschillen tussen beslissingen in eerste aanleg en eindbeslissingen.
25. Niet in geschil is dat eiser afkomstig is uit [plaats1] , waarvoor het percentage inwilligingen in 2025 volgens de data van Eurostat op 15.4% lag.
26. De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat er geen aanwijzingen zijn dat de bovenstaande gegevens voor eiser niet representatief zijn. Na hiertoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld heeft de minister uiteengezet dat niet in beleid of in een werkinstructie is vastgelegd wanneer sprake is van een uitzonderingscategorie op het erkenningspercentage. De vraag of een vreemdeling tot een uitzonderingscategorie behoort vergt volgens de minister een individuele beoordeling. Wanneer de minister geen landgebonden beleid heeft voor het land van herkomst van de vreemdeling, is het aan de vreemdeling om aan te geven dat hij tot een groep behoort waarvoor het inwilligingspercentage niet representatief is. Anders dan door eiser is betoogd, acht de rechtbank deze beoordeling niet in strijd met artikel 42, eerste lid, onderdeel j), van de Procedureverordening. De rechtbank ziet zich gesteund in het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 september 2026 waarin is geoordeeld dat de minister terecht betoogt dat onderzoek nodig is om te bepalen of het mogelijk is om een beslissing op de aanvraag te nemen als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de Procedureverordening, zodat de aanvraag in de asielgrensprocedure kan worden behandeld. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat uit eisers relaas niet de conclusie kan worden getrokken dat het percentage inwilligingen voor eiser niet representatief is. Ook overigens heeft eiser niet onderbouwd waarom het inwilligingspercentage in zijn geval niet representatief zou zijn. Wat eiser hierover heeft aangevoerd slaagt dan ook niet.
27. De rechtbank ziet overigens geen grond voor het oordeel dat uit de Procedureverordening volgt dat de minister in het bestreden besluit inzichtelijk had moeten maken hoeveel eerste aanleg-beslissingen aan het percentage van 15.4% ten grondslag liggen, hoeveel daarvan positief en negatief waren en welk beeld uit de eindbeslissingen naar voren komt. Dat wat eiser hierover heeft aangevoerd slaagt evenmin.
28. Het bovenstaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat de minister de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 42, eerste lid, onderdeel j) van de Procedureverordening op goede gronden als kennelijk ongegrond in de asielgrensprocedure heeft afgedaan.
29. De rechtbank stelt tot slot vast dat eiser in zijn reactie van 11 augustus 2026 geen beroep (meer) doet op het bepaalde in artikel 42, tweede lid, van de Procedureverordening.
Conclusie en gevolgen
30. Het bovenstaande betekent dat het beroep ongegrond is. Ook wat overigens nog door eiser is aangevoerd slaagt niet.
31. Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiser, is er voor het treffen van de voorlopige voorziening geen reden meer. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
32. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb ziet de rechtbank aanleiding de minister te veroordelen in de proceskosten van eiser. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.335,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke reactie, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL26.39182,
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.335,-.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL26.39183,
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M.M. Heppe, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. R.D.A. van Veghel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 16 september 2026.
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.