RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.53300
(gemachtigde: mr. S.T.V. Le),
en
(gemachtigde: mr. J. van Dam).
Procesverloop
Verweerder heeft op 25 augustus 2026 aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Bij het bestreden besluit van 10 september 2026 heeft verweerder de maatregel van vreemdelingenbewaring met ten hoogste twaalf maanden verlengd, ingaande op 15 september 2026 (het verlengingsbesluit).
Verweerder heeft de rechtbank op 10 september 2026 in kennis gesteld van het verlengingsbesluit en de voortduring van de maatregel. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft op 14 september 2026 gronden ingediend.
De maatregel van bewaring is op 16 september 2026 opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 22 september 2026 behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Overwegingen
1. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet langer belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), waaronder de uitspraak van 17 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4216, overweging 3.1.), volgt dat er sprake is van procesbelang bij de uitkomst van de beroepsprocedure als het doel dat de vreemdeling voor ogen staat, met die procedure kan worden bereikt en voor de vreemdeling van feitelijke betekenis is. Procesbelang is er niet als ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak.
De periode die in het onderhavige beroep wordt getoetst is de periode van 1 september tot en met 16 september 2026. Op 1 september 2026 is namelijk het onderzoek gesloten in het beroep tegen de oplegging van de maatregel van 25 augustus 2026 (NL26.49210). De rechtbank stelt vast dat de Afdeling in haar uitspraak van 16 september 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:5455) reeds een schadevergoeding aan eiser heeft toegekend voor (onder meer) de gehele periode van vreemdelingenbewaring die thans ter toetsing voorligt. Eiser kan met een uitspraak op zijn beroep daarom niet in een gunstiger positie worden gebracht. De stelling van eiser dat de Afdelingsuitspraak van 16 september 2026 mogelijk wordt gerectificeerd omdat deze betrekking heeft op een voorgaande maatregel van 22 juni 2026 en daarin niet expliciet een oordeel is gegeven over de rechtmatigheid van de maatregel van 25 augustus 2026, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. De enkel gestelde, niet onderbouwde mogelijkheid van rectificatie is een onzekere toekomstige gebeurtenis waar om die reden geen procesbelang aan kan worden ontleend. Ook eisers standpunt op zitting dat hij belang heeft bij een expliciete uitspraak over de (on)rechtmatigheid van het verlengingsbesluit en de voortduring van de bewaringsmaatregel levert naar het oordeel van de rechtbank geen procesbelang op. Eiser heeft niet duidelijk kunnen maken waarom dit voor hem feitelijke betekenis zou hebben. De rechtbank herhaalt in dit verband dat er al schadevergoeding is toegekend voor de gehele periode die hier ter toetsing voorligt.
2. Gelet op het voorgaande is er geen sprake van procesbelang en is het beroep niet-ontvankelijk. De rechtbank komt daarom niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de gronden tegen het verlengingsbesluit.
Conclusie
3. Het beroep is niet-ontvankelijk.
4. De rechtbank ziet wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Uit de toekenning van schadevergoeding tot en met 16 september 2026 door de Afdeling ligt besloten dat de maatregel vanaf 1 september 2026 onrechtmatig heeft voortgeduurd. Dit brengt mee dat het beroep van eiser, dat op 10 september 2026 door de kennisgeving geacht wordt te zijn ingediend, terecht is ingesteld. Het beroep dateert van voor de Afdelingsuitspraak. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist over het verlengingsbesluit hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.
Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist over het voortduren van de bewaring geen rechtsmiddel open.