ECLI:NL:RBDHA:2026:28716

ECLI:NL:RBDHA:2026:28716

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 23-09-2026
Datum publicatie 29-09-2026
Zaaknummer NL26.35606
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

MOB.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.35606

(gemachtigde: mr. M.Y. Hodak),

en

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 24 juni 2026 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De rechtbank heeft partijen gevraagd of toestemming wordt verleend voor afdoening van deze zaak zonder nadere zitting. Zowel verweerder als de gemachtigde van eiser hebben laten weten dat toestemming wordt verleend. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding

1. Eiser stelt van Iraakse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1987. Hij heeft zijn asielaanvraag in Nederland op 31 maart 2026 ingediend.

2. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 5 december 2023 een verzoek om internationale bescherming in Duitsland heeft ingediend. Nederland heeft op 29 april 2026 aan Duitsland verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Duitsland heeft dit verzoek op 4 mei 2026 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Dublinverordening.

3. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang bij zijn beroep heeft.

Indien een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, dient er in beginsel van uit te worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Dit is slechts anders als een vreemdeling contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit impliceert dat de gemachtigde weet waar een vreemdeling verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden genomen. De rechtbank wijst daarbij op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.

Op 17 juli 2026 heeft verweerder de rechtbank laten weten dat eiser op 14 juli 2026 is geregistreerd als ‘met onbekende bestemming’ (MOB) vertrokken. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser gevraagd om reactie op de MOB-melding. Op 29 juli 2026 heeft de gemachtigde van eiser aangegeven dat hij geen contact met eiser meer heeft en niet weet waar hij momenteel verblijft.

Gezien het feit dat eiser staat geregistreerd als MOB vertrokken en de gemachtigde van eiser geen contact meer met hem onderhoudt, neemt de rechtbank aan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit van 24 juni 2026.

Conclusie en gevolgen

4. Gezien het voorgaande is het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding voor zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P.S. Wessels, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar

Griffier

  • mr. E.P.S. Wessels

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand