RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.55090
(gemachtigde: mr. M.M. van Daalhuizen),
en
(gemachtigde: mr. J. van Dam).
Procesverloop
Met het bestreden besluit van 17 september 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank van het opleggen van de maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 22 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. W.A.E.M. Amesz als waarnemer voor eisers gemachtigde, [persoon A] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Gronden van de maatregel
1. In de maatregel van vreemdelingenbewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser (artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw) en met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan zijn asielaanvraag en die niet zouden kunnen worden verkregen indien eiser niet in bewaring zou worden gehouden (artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw). Verweerder heeft in dit verband, gelet op artikel 5.7, eerste en tweede lid, en met toepassing van artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Tevens heeft verweerder zich in de maatregel van bewaring op het standpunt gesteld dat (1°) eiser in vreemdelingenbewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn, (2°) eiser reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en (3°) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat eiser zijn asielaanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen (artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw).
Eiser betwist de gronden a, b, c en q en voert hiertoe kort samengevat aan dat hij zich in een vrijheidsbeperkende locatie bevond zodat hij zich niet aan het toezicht heeft kunnen onttrekken, dat hij wel meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en dat hij slechts drie asielaanvragen heeft ingediend.
De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden h, r en s niet heeft betwist. Deze gronden doorstaan de ambtshalve toetsing van de rechtbank en kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring al dragen. Er vloeit namelijk een onderduikrisico uit voort. De bestreden gronden a, b, c en q hoeven gezien het voorgaande niet te worden besproken. De beroepsgrond slaagt niet.
Zicht op uitzetting en voortvarend handelen
2. Eiser voert aan dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Gambia ontbreekt en dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan zijn uitzetting. Eiser heeft al op 17 november 2025 een terugkeerbesluit ontvangen en er zijn sindsdien geen uitzettingshandelingen door verweerder verricht.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaronder de uitspraken van 8 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1553) en 30 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2194), volgt dat voor een bewaringsmaatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw, zicht op uitzetting geen voorwaarde is. Dit betekent ook dat verweerder bij een bewaring op deze wettelijke grondslag niet gehouden is voortvarend handelingen ter voorbereiding van de uitzetting te verrichten. Dat eiser op 17 november 2025 een terugkeerbesluit heeft ontvangen, laat onverlet dat eiser in verband met een door hem ingediende asielaanvraag in bewaring is gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw en dat daarom in deze bewaringsprocedure het zicht op uitzetting en het voortvarend verrichten van uitzettingshandelingen niet wordt beoordeeld.
Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt in het kader van eisers asielaanvraag, volgt de rechtbank dit niet. Eiser heeft op 16 september 2026 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft op de zitting toegelicht dat het asielgehoor gepland stond op 22 september 2026. De gemachtigde van eiser zou dan tot 30 september 2026 de tijd krijgen om correcties en aanvullingen in te dienen en het nemen van de asielbeschikking stond gepland voor 1 oktober 2026. Vanwege de bewaringszitting op 22 september 2026 kon het gehoor niet op die dag plaatsvinden, maar, zo heeft verweerder op de zitting medegedeeld, vanwege de ruime termijnen wordt vooralsnog verwacht dat de asielbeschikking alsnog op 1 oktober 2026 kan worden genomen. Naar het oordeel van de rechtbank handelt verweerder hiermee voldoende voortvarend in het kader van eisers asielaanvraag. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
3. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond voor het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.