ECLI:NL:RBDHA:2026:28720

ECLI:NL:RBDHA:2026:28720

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 26-08-2026
Datum publicatie 29-09-2026
Zaaknummer NL26.36
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Mvv verblijf als familie- of gezinslid, 8 EVRM, bijkomende elementen van afhankelijkheid. Het beroep is ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Samenvatting

uitspraak

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.36

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. W.C. Boelens),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. K.A.W. Boonen).

Procesverloop

3. Eiseres en referent hebben de Jemenitische nationaliteit. Eiseres is de moeder van referent.

4. Referent heeft een asielvergunning in Nederland. Op 4 augustus 2022 heeft referent voor zijn moeder een aanvraag voor een mvv ingediend.

5. Bij besluit van 27 juni 2024 heeft de minister de aanvraag afgewezen. Met het besluit van 8 december 2025 (het bestreden besluit) is de minister bij de afwijzing gebleven. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen deze afwijzing. De minister heeft een verweerschrift ingediend.

6. De rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eiseres, W. Fadi als tolk en de gemachtigde van de minister.

1. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Beoordeling door de rechtbank

De beoordeling van de beroepsgronden
De emotionele afhankelijkheid en de gezondheid van referent
De banden met het land van herkomst
De onderlinge samenhang

Het bestreden besluit

7. De minister heeft in het bestreden besluit overwogen dat het niet aannemelijk is dat er sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen eiseres en referent. De minister heeft beoordeeld of er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid, waarbij het niet uitmaakt wie van wie afhankelijk is. De minister heeft erop gewezen dat het gaat om de vraag of er sprake is van een op basis van objectieve of objectiveerbare feiten en omstandigheden vast te stellen afhankelijkheid tussen de betrokken volwassen familieleden, die uitstijgt boven de gebruikelijke afhankelijkheid. De minister heeft de mee te wegen elementen beoordeeld. De minister heeft geconcludeerd dat deze elementen in dit geval niet maken dat de afhankelijkheid tussen eiseres en referent uitstijgt boven de gebruikelijke afhankelijkheid. De minister heeft hiertoe overwogen dat de mate van samenwoning tussen betrokkenen niet leidt tot een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid. Ook de gezondheidssituatie van eiseres en referent en de financiële en emotionele afhankelijkheid leveren volgens de minister geen bijkomend element van afhankelijkheid tussen betrokkenen op. Ook het feit dat eiseres minder sterke banden heeft met haar land van herkomst omdat zij al lang niet in Jemen heeft gewoond leidt niet tot een bijkomend element van afhankelijkheid. De minister heeft de aanvraag daarom afgewezen.

De samenwoning

8. Eiseres voert aan dat de minister onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de langdurige samenwoning van betrokkenen. De minister stelt dat de samenwoning niet bijzonder genoeg is om veel waarde aan te hechten. Eiseres vindt dit onjuist. Ter beoordeling staat niet of er bijzondere, maar bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn. Daarnaast is de scheiding tussen eiseres en referent niet het gevolg geweest van een vrijwillige keuze. Referent moest Saudi-Arabië verlaten en moest later naar Nederland vluchten omdat het in Jemen te gevaarlijk was. Dat eiseres en referent niet hebben samengewoond in Turkije kan hen niet worden tegengeworpen omdat zij ver van elkaar vandaan woonden. Bovendien was Turkije voor referent een doorreisland waar hij alleen een paar maanden heeft verbleven.

9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat uit de gestelde samenwoning tussen eiseres en referent niet volgt dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. De minister heeft hierbij kunnen betrekken dat, ondanks het meewegen van de langdurige samenwoning, dit onvoldoende grond oplevert om een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie aan te nemen. Daarbij heeft de minister mogen betrekken dat eiseres en referent al sinds 2016 niet meer samen hebben gewoond en dat betrokkenen allebei in Egypte, Jemen en Turkije hebben verbleven, maar apart van elkaar. Dat eiseres en referent elkaar in Turkije niet hebben gezien en ook niet hebben samengewoond in dit land omdat zij ver van elkaar woonden en omdat Turkije voor referent een doorreisland was, doet hier niet aan af. Immers, de vraag die moet worden beantwoord is of er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Dat er niet is samengewoond in die landen is dus geen bijkomend element van afhankelijkheid, zoals de minister ook terecht concludeert.

De gezondheid van eiseres en de financiële afhankelijkheid

10. Eiseres voert aan dat zij weliswaar in Turkije toegang heeft tot gezondheidszorg, maar dat zij voor de bekostiging van de benodigde zorg wel op referent is aangewezen. Referent ondersteunt eiseres sinds zij is vertrokken uit Saudi-Arabië en deze financiële ondersteuning vindt nog steeds plaats. Dat de financiële ondersteuning op afstand kan plaatsvinden is inherent aan deze vorm van ondersteuning. Het gaat erom dat het geld dat eiseres ontvangt van referent haar enige bron van inkomsten vormt. Zonder deze ondersteuning zou eiseres niet meer in haar basisbehoeften kunnen voorzien.

10. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat uit de financiële situatie van referent en eiseres niet volgt dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. De minister heeft hierbij betrokken dat referent sinds 2022 regelmatig geld overmaakt naar eiseres. De minister heeft echter mogen overwegen dat financiële afhankelijkheid op zichzelf niet volstaat om bijkomende elementen van afhankelijkheid aan te nemen, des te meer indien deze steun op afstand kan worden gegeven. Ook is niet gebleken dat de financiële steun niet op afstand kan worden voortgezet.

12. Eiseres voert aan dat referent zeer aan zijn moeder is gehecht en veel verdriet ervaart van de scheiding met eiseres. Hieraan zou een einde komen als zij worden herenigd. De minister had hierin een bijkomend element van afhankelijkheid moeten zien. Ook eiseres lijdt psychisch onder de scheiding met referent. Daarbij gaat het er niet om of deze gevoelens al dan niet gebruikelijk zijn, zoals de minister stelt, maar het gaat erom of de gevoelens wijzen op een bijkomend element van wederzijdse afhankelijkheid.

12. De rechtbank is met eiseres van oordeel dat inderdaad van belang is of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Dat de minister heeft overwogen dat deze gevoelens gebruikelijk zijn, betekent echter niet dat hij niet (in materiële zin) heeft beoordeeld of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat niet is gebleken dat eiseres en referent emotioneel afhankelijk van elkaar zijn en daarmee is dus geen sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid. De minister heeft hierbij mogen overwegen dat niet met stukken is onderbouwd welke psychische of emotionele gevolgen de scheiding heeft en waarom deze gevolgen wijzen op een afhankelijkheidsrelatie die de gebruikelijke band overstijgt. Daarbij heeft de minister tijdens de zitting toegelicht dat het feit dat eiseres en referent elkaar missen logisch is en dat op zichzelf niet ongebruikelijk is, maar dat deze situatie – in samenhang gezien met andere elementen – niet leidt tot een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid.

14. Eiseres voert verder aan dat niet valt in te zien waarom de banden van referent met Jemen niet relevant zouden zijn. Eiseres verwijst hierbij naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 20 juni 2025.2 Daarbij stelt eiseres dat het niet duidelijk is wat de vaststelling van de minister, dat eiseres zelfstandig kan functioneren in Turkije, te maken heeft met de banden van eiseres met Jemen.

2 ECLI:NL:RVS:2025:2748.

15. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat de banden met het land van herkomst van eiseres een rol spelen in de beoordeling van de gestelde afhankelijkheid tussen eiseres en referent, omdat die banden ervoor zorgen dat eiseres voor haar (zorg)behoeften sneller kan terugvallen op haar (sociale) netwerk en de voorzieningen aldaar en niet uitsluitend is aangewezen op referent. Nu eiseres al gedurende langere periode in Turkije verblijft, en niet in Jemen, kan de rechtbank volgen dat de minister ook heeft gekeken naar de vraag of eiseres zichzelf kan handhaven in Turkije. Ook heeft de minister mogen overwegen dat uit de door eiseres genoemde Afdelingsuitspraak niet volgt dat de minister de banden van referent met Jemen heeft hoeven betrekken. Eiseres heeft immers niet geconcretiseerd waarom dit van belang zou zijn in onderhavige zaak.

16. Eiseres voert tot slot aan dat de minister de omstandigheden niet in onderlinge samenhang heeft beoordeeld terwijl hij dit wel had moeten doen. De minister heeft alleen een samenvatting van zijn standpunten gegeven van de afzonderlijke elementen.

17. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de afzonderlijke elementen voldoende in samenhang beoordeeld. De minister heeft in het bestreden besluit uiteengezet hoe de afzonderlijke omstandigheden in zijn geheel zijn meegewogen. Eiseres heeft niet geconcretiseerd waarom zij vindt dat de integrale beoordeling gemaakt door de minister onvoldoende is.

Conclusie en gevolgen

18. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van mr. W.J.T. Twijnstra, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

26 augustus 2026

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E.E.M. van Abbe

Griffier

  • mr. W.J.T. Twijnstra

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand