RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.22395
(gemachtigde: mr. J.C.A. Koen),
en
(gemachtigde: mr. B. Beekers).
Procesverloop
Bij besluit van 20 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), gelezen in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [persoon A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Totstandkoming van het bestreden besluit
Rapport Taalanalyse
Het asielrelaas
1. Eiser stelt de Somalische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1996. Hij stelt tot de Barawe bevolkingsgroep te horen. Eiser legt aan zijn asielaanvraag – kort samengevat – het volgende ten grondslag. Al-Shabaab heeft een overval gepleegd op het huis van de vader van eiser en wilde dat hij meeging. Eiser is gevlucht, maar zijn zus is meegenomen, zijn broer is vermoord en zijn vader is mishandeld en vervolgens overleden. Eiser heeft via een boot Somalië verlaten en is naar Kenia gevlucht. Van zijn zus heeft eiser niets meer gehoord.
2. Het Team Onderzoek en Expertise Land en Taal (TOELT) van de Immigratie- en Naturalisatiedienst heeft een taalanalyse verricht. Uit het rapport van de taalanalyse van 25 november 2025 volgt volgens verweerder dat eiser eenduidig niet te herleiden is tot de spraakgemeenschap binnen Somalië.
Documenten
3. Om zijn asielrelaas te onderbouwen heeft eiser meerdere documenten overgelegd, waaronder een geboorteakte, een nationaliteitsverklaring (afgegeven door de Somalische ambassade in Brussel) en een identiteitscertificaat (afgegeven door de Somalische autoriteiten in Mogadishu). Deze documenten zijn onderzocht door Bureau Documenten en als echt beoordeeld. Over de opmaak en de afgifte van de documenten doet Bureau Documenten geen uitspraak. De juistheid van de inhoud van de overgelegde documenten kan evenmin door Bureau Documenten worden vastgesteld.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst
2. Problemen met Al-Shabaab
Verweerder heeft het eerste asielmotief niet geloofwaardig geacht. Het tweede asielmotief is niet door verweerder getoetst. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw, gelezen in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw, omdat eiser verweerder heeft misleid over zijn identiteit en nationaliteit. Volgens paragraaf C2/7.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) is van misleiden in ieder geval sprake als een taalanalyse uitwijst dat eiser niet vandaan komt waar hij stelt vandaan te komen.
Beoordeling door de rechtbank
Identiteit, nationaliteit en herkomst
Visum
5. Eiser voert aan dat verweerder hem ten onrechte tegenwerpt dat de door eiser in Nederland opgegeven nationaliteit niet overeenkomt met de gegevens in EU-vis. De visumaanvraag is via een reisagent ingediend en eiser was daar niet bij betrokken. Het is daarom voor hem onmogelijk om de gegevens uit EU-vis te weerleggen. Er is sprake van bewijsnood.
Verweerder heeft eisers vingerafdrukken genomen. Uit EU-vis blijkt dat de Franse autoriteiten deze vingerafdrukken en een pasfoto op 3 juni 2019 hebben genomen van een persoon die volgens de visumaanvraag dezelfde naam en geboortedatum heeft als eiser, maar de Keniaanse nationaliteit heeft, waarbij met het oog op de visumaanvraag een Keniaans paspoort is gepresenteerd dat is afgegeven in 2019.
De informatie in EU-vis wijst in de richting dat eiser de Keniaanse nationaliteit heeft. Eiser heeft ter zitting gesteld dat hij op 3 juni 2022 in Somalië was en niet in Kenia, dat hij niet bij een ambassade of een visumbureau is geweest en dat hij zich niet herinnert dat hij vingerafdrukken heeft afgegeven. Hij heeft verder verklaard dat hij door stress, angst en ziekte vergeetachtig is en niet meer weet wat er precies is gebeurd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser hiermee onvoldoende onderbouwd dat de door verweerder overgelegde (biometrische) gegevens en documenten onjuist zijn of geen betrekking hebben op eiser. Verweerder mocht er daarom van uitgaan dat de door de Franse autoriteiten vastgelegde gegevens betrekking hebben op eiser en verweerder heeft deze gegevens terecht betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling van eisers identiteit, nationaliteit en herkomst.
Het beroep op bewijsnood slaagt niet. Uit EU-vis blijkt onder meer wanneer het Keniaanse paspoort is verstrekt en onder welk documentnummer. Eiser zou dus in ieder geval bij de Keniaanse autoriteiten navraag kunnen doen naar dat document. Tegen deze achtergrond is het beroep van eiser op zijn vergeetachtigheid en de mogelijke werkwijze van de reisagent onvoldoende om bewijsnood aan te nemen. Bovendien is verweerder eiser tegemoetgekomen in zijn naar gesteld lastige bewijspositie door een taalanalyse bij hem af te nemen.
Taalanalyse
Eiser voert aan dat de taalanalist die de taalanalyse heeft uitgevoerd niet als deskundig kan worden beschouwd wat betreft het Arabisch. De taalanalist is afkomstig uit Zuid-Somalië en zijn moedertaal is Somalisch. Ook stelt eiser dat de rapportage naar aanleiding van de taalanalyse niet inzichtelijk is. In zijn rapport verwijst de taalanalist naar een publicatie om zijn standpunt te staven dat eiser het Somalisch zou moeten beheersen. In het kader van de toetsbaarheid van de analyse moet deze publicatie worden overgelegd. Verder is het vermoeden dat eiser afkomstig is uit Kenia niet voldoende (met objectieve bronnen) gemotiveerd.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat verweerder, als hij een taalanalyse ten grondslag legt aan zijn besluitvorming, zich ervan moet vergewissen dat de taalanalyse zorgvuldig tot stand is gekomen en dat de inhoud inzichtelijk en concludent is. Daarbij geldt het uitgangspunt dat een door TOELT verrichte taalanalyse tot stand is gekomen onder gedeelde verantwoordelijkheid van een deskundige linguïst die bij TOELT in dienst is en van wie de kwaliteit voldoende is gewaarborgd, en van een extern ingeschakelde taalanalist die op zorgvuldige wijze is geselecteerd en onder voortdurende kwaliteitscontrole staat. Ook de bij het rapport taalanalyse gevoegde Vakbijlage Taalanalyse vermeldt deze kwaliteitswaarborgen.
De rechtbank stelt voorop dat een taalanalyse een deskundigenbericht is waar verweerder zijn besluitvorming in beginsel op mag baseren. Het is daarom in beginsel aan eiser om, met behulp van een contra-expertise of door concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de taalanalyse naar voren te brengen, aannemelijk te maken dat moet worden getwijfeld aan de uitkomst van de taalanalyse. Dit heeft eiser niet gedaan. Uit het rapport van de taalanalyse van 25 november 2025 volgt dat eiser eenduidig niet te herleiden is tot de spraakgemeenschap binnen Somalië. Ter zitting heeft eiser te kennen gegeven dat de deskundigheid van de taalanalist met betrekking tot het Swahili niet bestreden wordt, maar enkel met betrekking tot het Arabisch. In reactie daarop heeft verweerder verklaard dat de taalanalist inderdaad niet specifiek deskundig is in het Arabisch, maar dat het de analist wel opviel dat eiser Arabische woorden sprak en dat de analist dat gegeven bij de beoordeling heeft betrokken. Dat eiser Arabische woorden gebuikt, heeft hij niet betwist. Verder verklaarde verweerder ter zitting dat op de plek waar eiser stelt vandaan te komen, hij volgens de taalanalist kennis van het Somalisch nodig heeft om zich te kunnen redden. De betreffende taalanalist heeft behalve in Somalië ook jarenlang in Kenia gewoond. Dit duidt op een zekere kennis van zowel Somalië als Kenia. Tegen deze achtergrond kon de taalanalist vaststellen dat het door eiser gesproken Swahili overeenkomt met het Swahili zoals dat wordt gesproken in Kenia. Dat de bevindingen van de taalanalist niet nader zijn onderbouwd met de door eiser bedoelde informatiebron, is onder deze omstandigheden onvoldoende reden om te concluderen dat het rapport van de taalanalyse onvoldoende inzichtelijk is. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder de taalanalyse ten grondslag heeft kunnen leggen aan zijn besluitvorming.
Tussenconclusie
6. Gelet op wat hiervoor is overwogen over het op basis van een Keniaans paspoort verstrekte visum en de taalanalyse wijzen de gegevens uit EU-vis en de resultaten van de taalanalyse in dezelfde richting, namelijk dat eiser niet afkomstig is uit Somalië en niet de Somalische nationaliteit heeft. Verweerder acht de door eiser gestelde Somalische nationaliteit daarom terecht ongeloofwaardig. De door eiser overgelegde documenten zijn onvoldoende voor een andere conclusie, ook omdat aan door de Somalische autoriteiten verstrekte documenten in het algemeen weinig waarde kan worden gehecht. Eiser heeft niet voldoende onderbouwd waarom dit in zijn geval anders zou zijn. Overigens strookt eisers herhaalde stelling dat hij in juni 2019 nog in Somalië was niet met het gegeven dat met zijn vingerafdrukken op 3 juni 2019 een visum is aangevraagd in Kenia.
De gestelde problemen met Al-Shabaab en herkomstvragen
7. Eiser stelt dat zijn problemen met Al-Shabaab onterecht niet zijn getoetst. Mede omdat dat wat hem is overkomen alleen in Somalië kan gebeuren, is de geloofwaardigheid van het asielrelaas mede bepalend voor de vaststelling van zijn herkomst. Verweerder heeft niet onderbouwd dat zijn antwoorden op de herkomstvragen onvoldoende zouden zijn voor de beoordeling van de geloofwaardigheid van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst.
Nu verweerder eisers gestelde Somalische nationaliteit en herkomst gelet op het voorgaande terecht niet aannemelijk acht en verweerder ook niet heeft bepaald dat eiser naar Somalië moet vertrekken, waar de gestelde problemen met Al-Shabaab zich hebben voorgedaan, was verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet gehouden om de geloofwaardigheid van deze problemen inhoudelijk te beoordelen.
De beroepsgrond slaagt niet.
Terugkeerverplichting naar Kenia
8. Eiser stelt verder dat het niet juist is dat verweerder aan hem een terugkeerverplichting oplegt naar Kenia. Hij is namelijk afkomstig uit Somalië. Eiser heeft een kopie van zijn geboorteakte overgelegd, hij heeft herkomstvragen naar genoegen beantwoord en hij heeft de zorgvuldigheid van de taalanalyse bestreden.
Uit het voorgaande volgt dat verweerder eisers gestelde Somalische nationaliteit terecht niet geloofwaardig vindt en dat er zeer concrete aanwijzingen zijn, namelijk de visumaanvraag en de taalanalyse in samenhang bezien, dat eiser de Keniaanse nationaliteit heeft en ook afkomstig is uit dat land. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarom een terugkeerbesluit kunnen uitvaardigen naar Kenia. De beroepsgrond slaagt niet.
Refoulement
9. Tot slot stelt eiser dat hij in geval van terugzending naar zijn land van herkomst, Somalië, risico loopt op een met artikel 3 van het Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige behandeling.
Zoals hiervoor reeds is overwogen, heeft verweerder de nationaliteit en herkomst van eiser terecht niet geloofwaardig geacht en heeft verweerder niet bepaald dat eiser naar Somalië moet vertrekken. Gelet hierop hoeft verweerder naar oordeel van de rechtbank niet te beoordelen of eiser in Somalië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Dat eiser in Kenia een dergelijk risico loopt, heeft hij niet gesteld. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, rechter, in aanwezigheid van mr. E. op den Kamp, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.