ECLI:NL:RBDHA:2026:28727

ECLI:NL:RBDHA:2026:28727

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 25-09-2026
Datum publicatie 29-09-2026
Zaaknummer NL24.20317
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

VA, Nigeria, IPOB. Het voornemen bevat alle argumenten van verweerder voor het afwijzen van de asielaanvraag. Verweerder was daarom niet gehouden om een nieuw voornemen te nemen (art. 3.119 Vb). Verweerder heeft niet concreet aan eiser gevraagd welke politieke activiteiten hij bij terugkeer wil verrichten en welke problemen hij daarbij verwacht. Gelet op eisers verklaringen, het gegeven dat verweerder deze verklaringen niet gemotiveerd in twijfel heeft getrokken en de omstandigheid dat verweerder geen concrete vragen aan eiser heeft gesteld over hoe hij bij terugkeer zijn politieke overtuiging wil uiten, berust verweerders standpunt over de vraag hoe eiser bij terugkeer naar Nigeria vorm zal geven aan zijn politieke overtuiging en welke problemen hij daarmee kan verwachten niet op voldoende zorgvuldig onderzoek. Daarnaast is niet zonder meer onaannemelijk dat eiser vanwege zijn politieke activiteiten al in de negatieve aandacht van de Nigeriaanse autoriteiten staat of, als eiser zich bij terugkeer op dezelfde wijze zou inzetten, komt te staan. Beroep gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer 1] , eiser

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.20317

(gemachtigde: mr. I.J.M. Oomen),

en

de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A.A. van Vliet),

en

Procesverloop

Bij besluit van 1 mei 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) afgewezen als ongegrond. Daarbij is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 2 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.C. Okorie als tolk, [persoon A] (de zus van eiser) en de gemachtigde van verweerder.

De rechtbank heeft de Staat als partij aangemerkt in verband met het standpunt van eiser dat de redelijke termijn is overschreden.

Totstandkoming van het bestreden besluit

Het asielrelaas

1. Eiser heeft de Nigeriaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] . Eiser legt aan zijn asielaanvraag – kort samengevat – het volgende ten grondslag. Eiser komt uit [plaats] en is lid van de Indigenous People of Biafra (IPOB) . Voor zijn vertrek uit Nigeria heeft eiser inlichtingen verzameld voor IPOB , waarbij hij waarschuwde als er een aanval door het regeringsleger of Fulaniherders werd verwacht. In 2018 is eiser door het leger gearresteerd, geslagen en vastgehouden. In 2021 is eiser naar Ghana vertrokken en heeft hij een vergadering van IPOB bijgewoond. De politie is toen binnengevallen omdat zij op zoek was naar eiser. Eiser wist te ontsnappen en is naar Nederland vertrokken. Bij terugkeer naar Nigeria vreest eiser te worden vermoord door de autoriteiten of de Fulani.

Het bestreden besluit

2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende elementen:

1. Identiteit, nationaliteit en herkomst

2. Beperkte rol binnen IPOB

3. Problemen vanwege beperkte rol binnen IPOB

Verweerder heeft eisers identiteit, nationaliteit en herkomst en eisers – volgens verweerder beperkte – rol binnen IPOB geloofwaardig geacht. De problemen vanwege eisers rol bij IPOB heeft verweerder echter niet geloofwaardig geacht. Verweerder legt aan dit standpunt kort samengevat ten grondslag dat eiser geen documenten heeft overgelegd die aantonen dat hij in Nigeria is gearresteerd door het leger. Verder meent verweerder dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over deze arrestatie en over de vraag of hij tijdens de gestelde detentie is ondervraagd. Ook vindt verweerder het vreemd dat de leden van IPOB verbaasd waren om eiser te zien nadat hij was vrijgelaten, terwijl zij eisers vrijlating zelf zouden hebben bewerkstelligd.

De geloofwaardig geachte elementen leiden volgens verweerder niet tot een vervolgingsgrond in de zin van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen of tot een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Daarnaast omvat het bestreden besluit een terugkeerbesluit naar Nigeria.

Beoordeling door de rechtbank

Was verweerder gehouden om een nieuw voornemen uit te brengen?

3. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder op grond van artikel 3.119 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) een nieuw voornemen had moeten uitbrengen. Verweerder heeft namelijk pas na de zienswijze onderkend dat eisers politieke overtuiging en activiteiten en het behoren tot de etnische groep Igbo/Biafra relevant zijn voor de beoordeling van zijn asielaanvraag.

Uit artikel 3.119 van het Vb, gelezen in samenhang met paragraaf C1/2.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), zoals geldend voor 12 juni 2026, volgt onder meer dat, indien na het uitbrengen van een voornemen tot afwijzing van een asielaanvraag nieuwe feiten of omstandigheden bekend worden en verweerder de aanvraag nog steeds wil afwijzen, hij de vreemdeling in de gelegenheid stelt om zijn zienswijze daarover naar voren te brengen voordat op de aanvraag wordt beslist. De door eiser in de zienswijze aangevoerde omstandigheden dat (vermeende) aanhangers van IPOB als onvervreemdbaar gemeenschappelijk kenmerk hebben dat zij van Igbo afkomst zijn en zich als Biafraan identificeren en dat zij reeds daarom een reëel risico lopen bij terugkeer, is naar het oordeel van de rechtbank geen nieuw feit of nieuwe omstandigheid zoals bedoeld in artikel 3.119 van het Vb. Verweerder heeft eisers identiteit, nationaliteit en herkomst in het voornemen geloofwaardig geacht. Verweerder heeft in het voornemen gemotiveerd waarom hij meent dat eiser vanwege zijn identiteit, nationaliteit en herkomst geen reëel risico loopt op ernstige schade. Ook eisers politieke overtuiging is naar het oordeel van de rechtbank geen nieuw feit of nieuwe omstandigheid zoals bedoeld in artikel 3.119 van het Vb. Verweerder heeft reeds in het voornemen gemotiveerd waarom eiser vanwege zijn politieke overtuiging volgens verweerder geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico loopt op ernstige schade. Aan het voornemen en het bestreden besluit ligt daarom in de kern dezelfde motivering ten grondslag, namelijk dat niet is gebleken van persoonlijke problemen of omstandigheden die leiden tot vluchtelingschap of subsidiaire bescherming. Dit betekent dat het voornemen alle argumenten van verweerder voor het afwijzen van de asielaanvraag bevatte en dat verweerder naar aanleiding van de door eiser in de zienswijze aangevoerde omstandigheden niet gehouden was om eiser in de gelegenheid te stellen een aanvullende zienswijze te geven. De beroepsgrond slaagt niet.

Geloofwaardigheid problemen vanwege rol bij IPOB

4. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn problemen vanwege zijn rol bij IPOB ten onrechte ongeloofwaardig zijn geacht. Volgens eiser kan hem niet worden tegengeworpen dat hij geen documenten heeft van zijn arrestatie. Uit landeninformatie blijkt namelijk dat willekeurige (buitengerechtelijke) arrestaties zonder arrestatiebevel voorkomen. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn problemen vanwege zijn rol bij IPOB bij de zienswijze ook foto’s overgelegd waaruit blijkt dat zijn broer is aangevallen. In beroep heeft eiser daarnaast onder meer een identiteitsbewijs van zijn broer, een brief van het ziekenhuis over zijn broer en een brief van IPOB in [locatie] , Nigeria overgelegd.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over zijn arrestatie door het leger. Eiser heeft tijdens het nader gehoor, dat verspreid was over twee dagen, op beide dagen verklaard dat hij drie maanden heeft vastgezeten en dat hij toen is mishandeld en geslagen (blz. 10 en 17 nader gehoor). Ook op de zitting heeft eiser verklaard dat hij drie maanden heeft vastgezeten. In het aanvullend gehoor verklaarde eiser echter dat hij vijf dagen heeft vastgezeten en dat hij toen is vrijgelaten (blz. 10 aanvullend gehoor). Eisers is vervolgens tot aan de zitting bij deze laatste verklaring gebleven. Verweerder wijst er terecht op dat het verschil tussen vijf dagen en drie maanden erg groot is en dat van eiser mag worden verwacht dat hij hier eenduidig over verklaart. Het gaat immers om een gebeurtenis die eiser stelt te hebben meegemaakt en een belangrijk onderdeel is van zijn asielrelaas. Daarnaast heeft verweerder er naar het oordeel van de rechtbank terecht op gewezen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de vraag of hij is ondervraagd tijdens de gestelde detentie. Zo heeft eiser enerzijds verklaard dat er aan hem is gevraagd waarom hij werkzaamheden verrichtte voor IPOB , dat ze kwamen vragen naar zijn werk en dat ze specifieker werden met hun vragen (blz. 17 nader gehoor). Anderzijds heeft eiser verklaard dat bij zijn vrijlating (na vijf dagen) tegen hem werd gezegd dat hij moest stoppen met zijn activiteiten (blz. 12 aanvullend gehoor). Eiser heeft toen niet, zoals hij in het nader gehoor wel heeft verklaard, gesteld dat hij is ondervraagd over zijn werkzaamheden. Verder heeft verweerder er terecht op gewezen dat niet met elkaar valt te rijmen dat de leden van IPOB verbaasd waren om eiser na zijn vrijlating te zien, terwijl deze leden volgens eiser hebben overlegd met mensen uit het leger om hem vrij te krijgen. Eiser heeft namelijk verklaard dat de leden van IPOB met sympathisanten van IPOB in het leger hebben gepraat (blz. 10 nader gehoor), maar ook dat hij na zijn vrijlating naar een IPOB bijeenkomst is gegaan en dat iedereen verbaasd was om hem te zien omdat niemand wist waar hij was (blz. 11 aanvullend gehoor). Verweerder heeft het terecht tegenstrijdig gevonden dat niemand van IPOB wist waar eiser was, terwijl mensen van IPOB hem geholpen hebben om vrij te komen. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat deze tegenstrijdige verklaringen afbreuk doen aan de geloofwaardigheid ervan.

Gelet op de hiervoor genoemde tegenwerpingen, in samenhang bezien, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen over de problemen in Nigeria vanwege zijn betrokkenheid bij IPOB ongeloofwaardig zijn. De door eiser overgelegde documenten doen hier niet aan af. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat uit deze documenten niet blijkt dat het daadwerkelijk om de broer van eiser gaat en dat de aanval betrekking heeft op eisers problemen. De rechtbank laat eisers standpunt dat niet van hem kan worden verwacht dat hij documenten overlegt die aantonen dat hij is gearresteerd onbesproken. Ook als dit standpunt wordt gevolgd, neemt dit niet weg dat de onder 4.1 genoemde tegenwerpingen terecht zijn en dat eisers verklaringen over zijn problemen in Nigeria vanwege zijn betrokkenheid bij IPOB daarmee ongeloofwaardig zijn. De beroepsgrond slaagt niet.

Politieke overtuiging en risico bij terugkeer

5. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij vanwege zijn politieke overtuiging bij terugkeer naar Nigeria een risico loopt op vervolging of ernstige schade. Eiser meent dat hij vanwege zijn rol bij IPOB bekend is geraakt bij de Nigeriaanse autoriteiten. Daarnaast heeft verweerder volgens eiser ten onrechte niet onderzocht hoe hij zijn politieke mening heeft geuit en bij terugkeer wil uiten en of eiser daardoor een risico loopt. Verweerder heeft verder onvoldoende rekening gehouden met landeninformatie waaruit volgt dat er sprake is van willekeurige arrestaties van IPOB -leden. Eiser doet ook een beroep op het gelijkheidsbeginsel en verwijst hierbij naar – volgens hem – vier vergelijkbare zaken waarin wel een asielvergunning is verleend. Op de zitting heeft eiser zich tot slot op het standpunt gesteld dat uit de problemen die eiser in Ghana heeft ondervonden volgt dat de aandacht voor IPOB -leden vanuit de Nigeriaanse autoriteiten grensoverschrijdend is.

In geschil is of eiser vanwege zijn politieke overtuiging en activiteiten in Nigeria en Nederland in de negatieve belangstelling van de Nigeriaanse overheid staat of bij terugkeer naar Nigeria zal komen te staan. Niet is in geschil dat eiser een politieke overtuiging heeft, dat hij op lokale schaal informatie doorgaf aan IPOB en dat hij in Nederland lid is van IPOB en heeft deelgenomen aan demonstraties en bijeenkomsten. Verweerder heeft geen standpunt ingenomen over de problemen die eiser in Ghana stelt te hebben ondervonden.

Politieke overtuiging en activiteiten in Nederland

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser vanwege zijn politieke activiteiten in Nederland op dit moment in de negatieve aandacht van de Nigeriaanse autoriteiten staat. Verweerder heeft er in dit kader terecht op gewezen dat uit eisers verklaringen niet is gebleken dat hij een prominente of vooraanstaande rol bij IPOB in Nederland heeft. Zo heeft eiser over zijn betrokkenheid bij IPOB in Nederland verklaard dat hij geen functie heeft, maar dat hij als hij kan aanwezig is bij bijeenkomsten. Verder heeft eiser slechts deelgenomen aan enkele demonstraties in Nederland (volgens blz. 15 aanvullend gehoor zijn het er twee, ter zitting heeft eiser een derde demonstratie genoemd, mogelijk van na het aanvullend gehoor). Daarnaast volgt uit eisers verklaringen niet dat hij vanwege zijn politieke activiteiten in Nederland problemen heeft ondervonden. Zo is niet gebleken dat de Nigeriaanse autoriteiten op de hoogte zijn van eisers deelname aan demonstraties en bijeenkomsten of dat eiser zich in het openbaar heeft uitgesproken op een manier waar de Nigeriaanse autoriteiten van op de hoogte zijn. Niet valt in te zien dat eiser met zijn beperkte rol binnen IPOB in Nederland in de negatieve aandacht van de Nigeriaanse autoriteiten staat. Het enkele gegeven dat foto’s van eiser zichtbaar zijn op sociale media is daarvoor op zichzelf onvoldoende. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.

Politieke overtuiging en activiteiten in Nigeria

Bij de beoordeling of eiser bij terugkeer naar Nigeria in de negatieve belangstelling zal komen te staan, moet verweerder betrekken welke activiteiten eiser bij terugkeer zou willen verrichten of hoe hij anderszins zijn opvatting, mening of gedachte zou willen uiten en wat de gevolgen daarvan zouden zijn. Eiser moet hierover worden bevraagd tijdens een gehoor. Verweerder heeft in zijn verweerschrift van 16 maart 2026 erkend dat aan eiser niet concreet is gevraagd welke activiteiten hij bij terugkeer wil verrichten en welke problemen hij daarbij verwacht, maar verweerder stelt zich op het standpunt dat dit wel bij de beoordeling is betrokken. Volgens verweerder is het niet aannemelijk dat eiser bij terugkeer andere of verdergaande activiteiten zal verrichten dan in het verleden en is het daarom evenmin aannemelijk dat eiser in de negatieve belangstelling van de Nigeriaanse autoriteiten komt te staan. Verweerder voert hiertoe aan dat eiser zich in het verleden maar beperkt heeft geuit en dat eiser in Nederland ook geen prominente rol binnen IPOB heeft. Eiser heeft volgens verweerder ook niet toegelicht hoe hij zich politiek wil uiten.

De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft in de zienswijze aangegeven dat hij bij terugkeer naar Nigeria zijn mening over Biafra openlijk wil uiten, dat de wens tot onafhankelijkheid bij hem zeer diep geworteld is en dat dit tot zijn etnisch bewustzijn behoort. Daarnaast heeft eiser in het aanvullend gehoor onder andere verklaard dat als het nodig is, hij bereid is om terug te gaan om zijn land te verdedigen, dat Biafra in zijn bloed zit en dat hij bereid is ervoor te sterven (blz. 13 aanvullend gehoor). Gelet op deze verklaringen van eiser, het gegeven dat verweerder deze verklaringen niet gemotiveerd in twijfel heeft getrokken en de omstandigheid dat verweerder geen concrete vragen aan eiser heeft gesteld over hoe hij bij terugkeer zijn politieke overtuiging wil uiten, berust verweerders standpunt over de vraag hoe eiser bij terugkeer naar Nigeria vorm zal geven aan zijn politieke overtuiging en welke problemen hij daarmee kan verwachten niet op voldoende zorgvuldig onderzoek.

Verweerder heeft het geloofwaardig geacht dat eiser zich in het verleden, zij het vrijwillig en op lokale schaal, heeft ingezet voor IPOB en verweerder heeft de geloofwaardigheid van de door eiser gestelde problemen in Ghana, die het gevolg zouden kunnen zijn van eisers geloofwaardig geachte politieke activiteiten in Nigeria, niet beoordeeld. Het is daarom niet zonder meer onaannemelijk dat eiser al in de negatieve aandacht van de Nigeriaanse autoriteiten staat. Als eiser zich bij terugkeer op dezelfde wijze zou inzetten (of intensiever, zie de verklaringen die zijn weergegeven in 6.2), is niet zonder meer onaannemelijk dat eiser een reëel risico loopt op vervolging of ernstige schade, te meer nu uit landeninformatie blijkt dat er hard wordt opgetreden tegen Biafra-onafhankelijkheidsbewegingen. De beroepsgronden over de mogelijke problemen bij terugkeer naar Nigeria slagen.

Gelijkheidsbeginsel

Tot slot merkt de rechtbank op dat eiser in het kader van zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel naar vier zaken heeft verwezen. Verweerder is in zijn verweerschrift slechts ingegaan op één zaak en stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van gelijke gevallen, omdat in de aangehaalde zaak sprake was van geloofwaardig geachte problemen vanwege de politieke overtuiging. Op de zitting heeft verweerder zich verder op het standpunt gesteld dat de door eiser aangehaalde zaken besluiten van een andere datum zijn en dat verweerder inmiddels over meer informatie beschikt, namelijk het EUAA rapport over Nigeria van november 2025. Daarnaast is er volgens verweerder geen sprake van gelijke gevallen, omdat de problemen in sommige andere zaken wel geloofwaardig zijn geacht en de rol van de andere vreemdelingen bij IPOB anders is ingeschat dan de rol van eiser. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee onvoldoende specifiek gemotiveerd welk aspect van zijn toelichting op de zitting bij welke zaak hoort en waarom er geen sprake is van gelijke gevallen. De gemachtigde van eiser heeft bovendien opgemerkt dat het bestreden besluit in 2024 is genomen, evenals de besluiten in de andere zaken, zodat niet duidelijk is waarom het rapport uit november 2025 reden zou zijn om de zaak van eiser anders te beoordelen dan de vier door hem aangehaalde zaken. Verweerder heeft het beroep op het gelijkheidsbeginsel dan ook niet deugdelijk gemotiveerd weerlegd. De hierop betrekking hebbende beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij de voorkeur geeft aan een einduitspraak boven een tussenuitspraak, verweerder geeft daarentegen de voorkeur aan een tussenuitspraak. De rechtbank zal aan eisers wens voorrang geven. Verweerders opmerking dat een tussenuitspraak meer duidelijkheid en regie biedt, is op zichzelf niet onjuist, maar verweerder kan ook zonder tussenuitspraak de regie nemen door op korte termijn aan eiser duidelijk te maken hoe hij de procedure gaat vervolgen en eiser heeft gelet op zijn voorkeur voor een einduitspraak geen sterke behoefte aan regie door de rechtbank. De rechtbank zal verweerder dan ook opdragen om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser. Daarbij dient verweerder een gemotiveerd standpunt in te nemen over de door eiser gestelde problemen in Ghana en nader te onderzoeken hoe eiser zijn politieke overtuiging bij terugkeer naar Nigeria wil uiten en wat de gevolgen daarvan zijn. Het staat verweerder daarbij vrij om eiser opnieuw te horen. Ook dient verweerder, als hij de aanvraag opnieuw wil afwijzen en meent dat dit ook mogelijk is, alsnog deugdelijk te motiveren waarom het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt.

8. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).

Het verzoek om schadevergoeding

9. Eiser heeft aangevoerd dat de redelijke termijn is overschreden en dat hij daarom recht heeft op een schadevergoeding.

In haar uitspraak van 19 juni 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:3586) heeft de Afdeling haar vaste rechtspraak herhaald dat de redelijke termijn in asielzaken begint met de ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank en dat als uitgangspunt geldt dat de behandeling van het beroep twee jaar mag duren. Uitgangspunt voor de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn is € 500,- per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden, waarbij de overschrijding naar boven wordt afgerond.

De rechtbank heeft eisers beroepschrift op 13 mei 2024 ontvangen en doet meer dan twee jaar later uitspraak. Daarmee is de redelijke termijn van twee jaar overschreden. Dat de beroepsprocedure langer dan twee jaar heeft geduurd, is echter niet aan de rechtbank toe te rekenen. De zitting stond aanvankelijk met instemming van eiser gepland op 1 april 2026. Deze zitting is op verzoek van eiser niet doorgegaan, omdat zijn gemachtigde bij de reservering van de tolk een fout had gemaakt in de verwachte eindtijd en de tolk na het in een later stadium aanpassen van deze eindtijd niet meer beschikbaar was. Indien de zitting op 1 april 2026 doorgang had gevonden, had de rechtbank daarna binnen zes weken en daarmee binnen de redelijke termijn uitspraak gedaan. Overigens is de daarna op 7 juli 2026 geplande zitting niet doorgegaan wegens persoonlijke omstandigheden aan de kant van eisers gemachtigde. Ook al was hier sprake van overmacht, deze situatie komt niet voor rekening van de Staat. Gelet hierop is de overschrijding van de redelijke termijn in dit specifieke geval niet aan de rechtbank (en daarmee aan de Staat) toe te rekenen. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding daarom af.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand