RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.8788
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. J. Isibor).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het terugkeerbesluit dat op 19 augustus 2025 door de minister aan eiser is opgelegd. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de oplegging van het terugkeerbesluit.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het terugkeerbesluit terecht heeft opgelegd. Het beroep is ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inleiding
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1999 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. In Oekraïne had hij een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is naar aanleiding hiervan vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft in Nederland rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (hierna: RTB)1 en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit.2
4. Op 21 februari 2024 heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd en hem medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB per 4 maart 2024 eindigt. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
1. Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
2 Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382.
5. Op 19 augustus 2025 heeft de minister een vervangend terugkeerbesluit opgelegd en daarbij – middels het op 4 juni 2025 uitgebrachte voornemen – aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB per 4 maart 2024 is geëindigd. In het terugkeerbesluit staat ook dat op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. De minister is verder van mening dat het eerdere terugkeerbesluit van 21 februari 2024 prematuur is genomen, omdat eiser op dat moment nog rechtmatig verblijf in Nederland had. De minister heeft bij het opleggen van het vervangende terugkeerbesluit van 19 augustus 2025 het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 ingetrokken.
6. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
7. De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. Fajer als tolk en de gemachtigde van de minister. Ook was de partner van eiser aanwezig bij de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Het standpunt van eiser
Het oordeel van de rechtbank
Artikel 8 van het EVRM
Ontvankelijkheid
8. De rechtbank stelt vast dat het terugkeerbesluit van 19 augustus 2025 het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 vervangt in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
9. Omdat de minister het besluit van 21 februari 2024 heeft ingetrokken, heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van dit besluit. De rechtbank zal eisers beroep voor zover dat is gericht tegen dit besluit daarom niet-ontvankelijk verklaren. Eiser heeft wel recht op vergoeding van zijn proceskosten, omdat het besluit prematuur is genomen. De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 20. De rechtbank zal het besluit van 19 augustus 2025 -aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden- inhoudelijk beoordelen.
10. Eiser voert aan dat de minister hem ten onrechte niet heeft aangemerkt als familielid van zijn Oekraïense partner. De minister is voorbijgegaan aan het feit dat de relatie tussen eiser en zijn partner in Nederland hersteld is. De minister moet kijken naar de feitelijke relatie die nu geruime tijd hersteld is. Het opgelegde terugkeerbesluit is dan ook een ongeoorloofde inbreuk op artikel 8 van het EVRM.3
Gezinslid van een Oekraïense onderdaan
11. De rechtbank stelt verder het volgende vast. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser en zijn partner, mevrouw [naam] , een relatie hadden in Oekraïne en dat deze relatie ongeveer een maand voor het uitbreken van de oorlog is beëindigd. Eiser is hierna naar Nederland gekomen en heeft in Nederland een periode een relatie gehad met iemand anders. Vanaf mei 2024 hebben eiser en mevrouw [naam] , die ondertussen ook in Nederland
3 Verdrag tot bescherming van de mens en de fundamentele vrijheden.
verblijft, weer een relatie.
12. De voorwaarden voor tijdelijke bescherming van onderdanen van Oekraïne zijn vastgelegd in artikel 15 van de RTB en artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit. De groepen vreemdelingen die volgens het Uitvoeringsbesluit onder de reikwijdte van de Richtlijn vallen, zijn de volgende categorieën personen die sinds 24 februari 2022 ontheemd zijn geraakt als gevolg van de militaire invasie door de Russische strijdkrachten die op die datum begon (artikel 2, eerste lid aanhef en onder a van het Uitvoeringsbesluit):
a. Oekraïense onderdanen die vóór 24 februari 2022 in Oekraïne verbleven;
b. staatlozen en onderdanen van andere derde landen dan Oekraïne die vóór 24 februari 2022 in Oekraïne internationale bescherming of gelijkwaardige nationale bescherming genoten;
c. gezinsleden van de in punten a) en b) genoemde personen.
13. In artikel 2, vierde lid, van het Uitvoeringsbesluit is bepaald dat een niet-gehuwde partner met wie een duurzame relatie wordt onderhouden, geacht wordt deel uit te maken van een gezin, voor zover het gezin vóór 24 februari 2022 reeds in Oekraïne een gezin was en in Oekraïne verbleef.
14. In lijn met de RTB en het Uitvoeringsbesluit heeft de minister in de Werkinstructie (WI) 2025/64 opgenomen dat er sprake moet zijn geweest van een duurzame relatie vóór 24 februari 2022 en dat ook daarna hiervan sprake moet zijn om blijvend in aanmerking te komen voor tijdelijke bescherming. Als deze relatie eindigt, vervalt daarmee ook het recht op tijdelijke bescherming.5
15. Naar het oordeel van de rechtbank kan eiser niet worden aangemerkt als gezinslid in de zin van artikel 15 van de RTB en artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit. Eiser heeft tijdens de zitting verklaard dat hij en mevrouw [naam] ongeveer een maand voor de peildatum van 24 februari 2022 de relatie hebben verbroken. Dit betekent dat eiser op de peildatum geen gezinslid was van mevrouw [naam] . Dat zij in Nederland opnieuw een relatie zijn aangegaan verandert dit oordeel niet, omdat er geen sprake was van een duurzame relatie op het moment van de peildatum. De beroepsgrond slaagt niet.
16. De rechtbank volgt eiser verder niet in zijn stelling dat het terugkeerbesluit in strijd is met artikel 8 van het EVRM. De rechtbank overweegt dat het artikel 5, aanhef en onder b, van de Terugkeerrichtlijn,6 bepaalt dat de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn rekening houden met onder meer het familie- en gezinsleven. De rechtbank merkt in dit kader op dat uit artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn niet volgt dat de minister bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit moet toetsen of de terugkeer in strijd is met artikel 8 van het EVRM. In zoverre wijst de minister er terecht op dat wanneer eiser meent dat hij een verblijfsrecht ontleent aan het recht op familie- of gezinsleven, hij een daartoe strekkende aanvraag kan indienen.
4 WI 2025/6 Oekraïne en de Richtlijn tijdelijke bescherming.
5 Pagina 4.
6 Richtlijn 2008/115/EC.
De minister heeft in de door eiser aangevoerde omstandigheid zoals geschetst in rechtsoverweging 11, geen aanleiding hoeven zien om af te zien van het nemen van een terugkeerbesluit. De omstandigheid dat eiser een relatie heeft in Nederland, vormt volgens de rechtbank geen reden om af te zien van het opleggen van een terugkeerbesluit. Eiser kan een afzonderlijke aanvraag indienen als hij vindt dat hij een verblijfsrecht ontleent aan artikel 8 van het EVRM. Zo’n aanvraag is niet ingediend zodat artikel 8 van het EVRM zich niet tegen het opleggen van het terugkeerbesluit verzet. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
17. Het beroep, tegen het (ingetrokken) besluit van 21 februari 2024 is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het besluit van 19 augustus 2025 is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het terugkeerbesluit in stand blijft. Eiser moet daarom binnen de gestelde termijn terugkeren naar Marokko.
18. Omdat de niet-ontvankelijkheidverklaring van het beroep gericht tegen het besluit van 21 februari 2024 het gevolg is van de intrekking van dat besluit, ziet de rechtbank redenen om de minister te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van een beroepsschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1).
198. Bij uitspraak van 29 maart 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank in de zaken NL24.11935 en NL24.8789 de voorziening getroffen dat het verboden is om eiser uit te zetten. Met deze uitspraak vervalt deze voorziening van rechtswege op grond van artikel 8:85, tweede lid, van de Awb. Op 5 april 2024 is eveneens een voorlopige voorziening getroffen in de zaak NL24.14845. Deze vervalt doordat uitspraak is gedaan op het beroep van eiser.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het besluit van 21 februari 2024 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 19 augustus 2025 ongegrond; en
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. W.J.T. Twijnstra, griffier.
Mr. J.J. Catsburg Rechter
W.J.T. Twijnstra Griffier
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.