RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.19013
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en
(gemachtigde: mr. I. Dissevelt).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij heeft de Nigeriaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1998. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 1 april 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder heeft eiser daarnaast voorlopig uitstel van vertrek verleend in afwachting van de beslissing op de ambtshalve beoordeling om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000.
Bij besluit van 9 juli 2026 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat hij geen uitstel van vertrek krijgt op grond van artikel 64 van de Vw 2000.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 28 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [persoon A] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft Nigeria op zeventienjarige leeftijd verlaten vanwege zijn huidziekte (ichtyosis). Deze ziekte verdraagt zich slecht met het Nigeriaanse klimaat en daarnaast heeft eiser als gevolg van deze ziekte te maken gehad met discriminatie. Eiser werd door de mensen in Nigeria niet geaccepteerd, genegeerd, gepest en uitgelachen. Zijn oma heeft voor hem gezorgd, maar zij is inmiddels oud. Eiser heeft verder niemand in Nigeria. Hij heeft na zijn vertrek uit Nigeria in Italië verbleven, maar daar kreeg hij geen goede behandeling (ook niet van zijn ziekte).
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Problemen vanwege zijn huidziekte.
Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat de elementen geloofwaardig zijn. Verweerder acht het relaas van betrokkene echter niet zwaarwegend genoeg. Niet is gebleken dat de door eiser ondervonden problemen in Nigeria een zodanige ernst hebben bereikt dat sprake is van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Eiser heeft onderwijs gevolgd, gewerkt, en heeft toegang gehad tot medische zorg. Voorts stelt verweerder dat gelet hierop de gestelde problemen vanwege de huidziekte van eiser niet leiden tot een reëel risico op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Omdat eiser zijn asielaanvraag niet zo snel mogelijk heeft ingediend, heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder heeft eiser tot slot voorlopig uitstel van vertrek verleend, in afwachting van de beslissing op de ambtshalve beoordeling om toepassing van artikel 64 van de Vw. Op 9 juli 2026 heeft verweerder een negatief besluit genomen over de toepassing van artikel 64 van de Vw in het geval van eiser.
Het oordeel van de rechtbank
Risico op vervolging en ernstige schade bij terugkeer
5. Uit de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) volgt dat verweerder discriminatie van een vreemdeling door de autoriteiten en door medeburgers aanmerkt als daad van vervolging, als de vreemdeling vanwege de discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. Discriminatie van de vreemdeling in het land van herkomst kan verder leiden tot uitsluiting van medische zorg. Verweerder verleent alsdan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, op grond van uitsluiting van medische zorg, als wordt voldaan aan alle in de Vc genoemde toepasselijke voorwaarden.
Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat er in zijn geval geen sprake is van vervolging dan wel een mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM. Hij heeft immers uitgebreid verklaard over de discriminatie en uitsluiting die hij in Nigeria ervaart. Op school heeft hij discriminatie van andere leerlingen ervaren, en vanwege zijn huidziekte is hij - ondanks een driejarige contract - na één jaar gestopt met zijn werk als fashion designer. Zijn werk als zelfstandig ondernemer was uit nood geboren, omdat hij nergens werd aangenomen. Bovendien moet dit werk, gelet op zijn leeftijd, met een korreltje zout worden genomen. Eiser wijst erop dat zijn oma altijd voor hem heeft gezorgd en hij zich niet zelfstandig staande heeft hoeven houden. Verder is eiser van mening dat verweerder ten onrechte alleen is ingegaan op de mogelijkheid die eiser had om aan werk of inkomen te komen, en niet de andere door eiser ondervonden problemen in het sociaal maatschappelijke leven.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een risico loopt op vervolging dan wel een reëel risico loopt op behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser in Nigeria medische behandeling heeft ontvangen, hij blijkens pagina 8 van het aanmeldgehoor en pagina 9 van het verslag van het nader gehoor naar school heeft kunnen gaan, en heeft gewerkt als fashion designer, en als zelfstandig ondernemer. Dat eiser dat op betrekkelijk jonge leeftijd heeft gedaan, maakt dat niet anders. Daarom kan ook van hem worden verwacht dat hij bij terugkeer naar Nigeria in zijn eigen onderhoud zal kunnen voorzien; hij wordt niet zo ernstig in zijn bestaansmogelijkheden beperkt dat het voor hem onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. Dat eiser als gevolg van zijn huidziekte in Nigeria discriminatie heeft ervaren is, hoe treurig ook, op zichzelf immers onvoldoende voor het oordeel dat hij bij terugkeer een risico loopt op vervolging of een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De beroepsgrond slaagt niet.
Kennelijke ongegrondverklaring op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw
6. Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een asielvergunning als kennelijk ongegrond worden afgewezen, indien “de vreemdeling Nederland onrechtmatig is binnengekomen (...) en zich, gezien de omstandigheden van zijn binnenkomst, zonder gegronde reden niet zo snel mogelijk bij een ambtenaar belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen heeft aangemeld, en daar kenbaar heeft gemaakt dat hij internationale bescherming wenst.”
Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn aanvraag ten onrechte kennelijk ongegrond is verklaard. Hij is rond 17 april 2024 Nederland ingereisd, zodat dit ook kan betekenen dat hij op 18 april 2024 in Nederland is aangekomen. Nu hij zich op 20 april 2024 heeft gemeld, staat volgens hem niet vast dat er meer dan 48 uur zijn verstreken voordat hij zich heeft gemeld met zijn asielwens. Bovendien bestaat er geen harde 48-uursmeldingstermijn; dit blijkt niet uit verweerders beleid. Van een vreemdeling wordt slechts verlangd dat hij zich zo snel mogelijk meldt. Eiser voert aan dat hij niet wist waar en hoe hij in Nederland asiel moest aanvragen en hierover verschillende aanwijzingen kreeg, totdat de politie hem naar Ter Apel verwees. Dit vormt volgens hem een plausibele verklaring voor de relatief korte vertraging, en betekent bovendien – zoals hij ter zitting heeft toegelicht - dat hij toen al bij een politiemedewerker zijn asielwens heeft geuit. Eiser wijst bovendien op eenzelfde soort bepaling in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d, van de Vw, welk onderdeel wordt betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling. Nu zijn asielrelaas geloofwaardig is bevonden, past het niet om (tegelijkertijd op een soortgelijke grond) de asielaanvraag af te wijzen als kennelijk ongegrond. Verder meent eiser dat hij onverminderd een belang heeft bij de afwijzing van zijn asielaanvraag als kennelijk ongegrond. De rechtbank dient te beoordelen of dit terecht is geweest. Eiser wijst erop dat de kwalificatie als kennelijk ongegrond betekent dat hij een kortere beroepstermijn heeft (van één week in plaats van vier weken).
Een vreemdeling wordt niet tegengeworpen dat hij onrechtmatig is binnengekomen (als bedoeld in artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw) als hij zich binnen 48 uur na binnenkomst uit eigen beweging heeft gemeld bij een ambtenaar belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen en daar kenbaar heeft gemaakt dat hij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wil indienen. Dit volgt uit paragraaf C2/7.8 van de Vc. De rechtbank houdt het er met verweerder voor dat eiser op 17 april 2024 is ingereisd. Dat hij heeft verklaard dat het rond 17 april 2024 is geweest, geeft geen grond voor een ander oordeel. Eiser heeft zich vervolgens eerst op 20 april 2024 daadwerkelijk aangemeld met zijn asielwens. Dat eiser eerder aan een politieagente de weg heeft gevraagd (om duidelijk te krijgen waar hij asiel kon gaan aanvragen), maakt niet dat hij zich heeft gemeld bij een ambtenaar belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen en daar kenbaar heeft gemaakt dat hij een asielaanvraag wil indienen. Dit nog los van het feit dat de stelling van eiser niet is onderbouwd. Dit betekent dus dat eiser zich te laat heeft gemeld. De vraag is vervolgens of eiser zich, gelet op de omstandigheden van zijn binnenkomst, zonder gegronde reden niet zo snel mogelijk heeft gemeld. Dat eiser niet wist waar en hoe hij in Nederland asiel kon aanvragen, maakt niet dat sprake is van een dergelijke gegronde reden. Van eiser mocht worden verwacht dat hij zich zo snel mogelijk bij een daartoe bevoegde ambtenaar zou melden om kenbaar te maken dat hij een asielaanvraag wenste in te dienen, te meer daar eiser met dat doel naar Nederland was gekomen. Dat zijn asielrelaas geloofwaardig is bevonden, maakt niet dat artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw toepassing mist. De omstandigheden als bedoeld in artikel 31, zesde lid, van de Vw kunnen van invloed zijn op de geloofwaardigheid van één of meerdere asielmotieven, maar dit staat niet in de weg aan het alsnog geloofwaardig achten van die motieven door verweerder. Daarbij staat artikel 30b, eerste lid, van de Vw los van de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas. Dat artikel heeft uitsluitend betrekking op het kunnen afwijzen van het asielverzoek als kennelijk ongegrond. De rechtbank komt gezien het voorgaande tot de slotsom dat de asielaanvraag terecht is afgewezen als kennelijk ongegrond. Inherent daaraan is dat eiser – gelet op het bepaalde in artikel 69, tweede lid, aanhef en onder d, van de Vw -een kortere termijn heeft voor het indienen van beroep. De rechtbank acht dit niet rechtens onjuist. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Conclusie en gevolgen
7. Nu geen van de beroepsgronden slaagt, is het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.