ECLI:NL:RBDHA:2026:28736

ECLI:NL:RBDHA:2026:28736

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 24-09-2026
Datum publicatie 29-09-2026
Zaaknummer NL24.49656
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

afwijzing aanvraag Chavez, verblijfsrecht in Italië maar ook niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van meer dan marginale zorg- en opvoedtaken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.49656

(gemachtigde: mr. E.W.B. van Twist),

en

(gemachtigde: mr. N.F. van der Gouw).

Procesverloop

Eiser heeft een aanvraag ingediend tot afgifte van een document waaruit blijkt dat hij een afgeleid verblijfsrecht heeft op grond van artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 10 mei 2017 in de zaak Chavez-Vilchez, ECLI:EU:C:2017:354. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 27 september 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 5 december 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 17 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, [naam referente] (echtgenote van eiser; hierna: referente) en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

(Totstandkoming van) het bestreden besluit

1. Eiser heeft de Marokkaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum 1] 1970. Hij heeft samen met referente twee minderjarige kinderen met de Nederlandse nationaliteit: zoon [naam zoon] , geboren op [geboortedatum 2] 2013 en dochter [naam dochter] , geboren op [geboortedatum 3] 2022. Op 13 januari 2023 heeft eiser een aanvraag ingediend tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER op grond van artikel 20 van het VWEU en het arrest Chavez-Vilchez. Eiser heeft bij zijn aanvraag onder meer een Italiaanse verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd overgelegd.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor het gevraagde verblijfsdocument. Eiser heeft namelijk een permanent verblijfsrecht in Italië waardoor zijn kinderen, bij weigering van het verblijfsdocument, niet gedwongen zouden worden de Europese Unie te verlaten. Daarnaast is niet aannemelijk gemaakt dat eiser daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken ten behoeve van [naam zoon] en [naam dochter] verricht. Evenmin heeft eiser aannemelijk gemaakt dat tussen hem en zijn kinderen een zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat dat zijn kinderen gedwongen zouden zijn het grondgebied van de EU te verlaten als aan eiser een verblijfsrecht wordt geweigerd. Eiser voldoet aldus niet aan voorwaarden c en d van paragraaf B10/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) en heeft daarom volgens verweerder geen van zijn kinderen afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU in samenhang bezien met het arrest Chavez-Vilchez. Volgens verweerder is de afwijzing van de aanvraag niet in strijd met het recht op eerbiediging van het gezinsleven in de zin van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Er is weliswaar gezinsleven tussen eiser en zijn kinderen, maar de belangen van verweerder om desondanks geen verblijf aan eiser toe te staan hebben meer gewicht dan de belangen van eiser en zijn gezin.

Ter zitting heeft verweerder zich nader op het standpunt gesteld dat uit het na het bestreden besluit gewezen arrest Safi (C-147/24) van het Hof van 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:442, volgt dat de aanvraag van eiser niet kan worden afgewezen op de grond dat eiser verblijfsrecht heeft in Italië zonder dat vooraf is nagegaan of het familie- en gezinsleven dat de kinderen leiden met hun twee ouders in Italië kan worden voortgezet en of hun verplaatsing naar die lidstaat tegen hun belangen indruist. Verweerder heeft echter ook bepleit dat de andere afwijzingsgronden in het bestreden besluit de afwijzing van de aanvraag al kunnen dragen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank merkt allereerst op dat referente ter zitting heeft verklaard dat eisers verblijfsrecht in Italië is verlengd en dat hij op dit moment nog altijd over een verblijfsvergunning beschikt in Italië. De rechtbank zal de beroepsgrond van eiser over de beëindiging van zijn verblijfsrecht in Italië, die hij voor de zitting had aangevoerd, daarom niet bespreken. Verder wordt overwogen dat de rechtbank het met verweerder eens is dat de aanvraag van eiser, gelet op het arrest Safi, niet zonder nadere afweging kan worden afgewezen op de grond dat eiser verblijfsrecht heeft in Italië. Verweerder heeft echter ook andere gronden aan zijn afwijzing ten grondslag gelegd. De rechtbank zal hierna bespreken of die gronden de afwijzing van de aanvraag kunnen dragen.

3. Eiser betoogt dat verweerder hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij niet meer dan marginale zorgtaken verricht en dat geen sprake is van een afhankelijkheidsverhouding tussen hem en zijn kinderen. Hij stelt dat hij weliswaar regelmatig terugkeert naar Italië, omdat hij niet rechtmatig in Nederland mag verblijven, maar dat hij, als hij in Nederland is, veel zorgtaken op zich neemt. Dat doet hij ook omdat referente door de ziekte van Crohn vaak vermoeid is. De omstandigheid dat eiser zich nog niet heeft ingeschreven in de Basisregistratie personen (Brp) kan hem niet worden tegengeworpen, aldus eiser.

Het beleid dat relevant is voor de beoordeling van eisers beroep was ten tijde van het bestreden besluit neergelegd in paragraaf B10/2.2 van de Vc. In dit beleid staat onder meer:

‘Een vreemdeling heeft rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 onder e, van de Vw als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

(…)

c. de vreemdeling verricht al dan niet gezamenlijk met de andere ouder daadwerkelijke zorgtaken ten behoeve van het minderjarige kind; en

d. tussen de vreemdeling en het kind bestaat een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de EU te verlaten als aan de vreemdeling een verblijfsrecht wordt geweigerd.

De IND verstaat onder zorgtaken ook opvoedingstaken.

De IND merkt zorg- en/of opvoedingstaken met een marginaal karakter niet aan als daadwerkelijke zorgtaken.’

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijke, dus meer dan marginale zorg- of opvoedingstaken ten behoeve van zijn minderjarige kinderen verricht. Verweerder heeft daarbij van belang kunnen achten dat onduidelijk is gebleven in welke perioden eiser in de afgelopen jaren bij zijn kinderen in Nederland heeft verbleven. Eiser stelt zelf veel in Italië te verblijven vanwege zijn werk. Referente heeft dit op de zitting ook bevestigd. Eiser staat ook niet ingeschreven op hetzelfde adres als referente en de kinderen. Eisers stelling dat dit niet mogelijk is, heeft hij niet onderbouwd. Voor zover uit kan worden gegaan van de verklaring van referente ter zitting dat eiser vaak in de schoolvakanties bij zijn kinderen in Nederland is en dat hij hen tussendoor, zo om de zes tot acht weken, ook wel bezoekt, blijkt uit deze verklaring nog steeds dat eiser een groot deel van zijn tijd zonder zijn kinderen in Italië doorbrengt. Dat eiser in de perioden dat hij in Nederland verblijft meer dan marginale zorg- of opvoedingstaken verricht, is niet aannemelijk gemaakt. Verweerder heeft de daartoe overgelegde bewijsstukken onvoldoende kunnen vinden. De verklaring van referentes buurvrouw is slechts subjectief bewijs. Bovendien volgt daaruit niet hoe vaak eiser bij zijn kinderen is en welke concrete zorg- of opvoedingstaken hij dan verricht. Over de overige bewijsmiddelen, zoals de overgelegde foto’s, de verklaringen van de school van eisers zoon, de verklaring van de KNO-arts van eisers zoon, de verklaring van de verloskundige, de verklaring van CJG Rijnmond en de verklaringen van referente tijdens de hoorzitting in bezwaar, heeft verweerder terecht opgemerkt dat hieruit weliswaar volgt dat eiser deelneemt aan het leven van zijn kinderen, maar dat daaruit niet valt af te leiden dat eiser op dagelijkse basis zorg- of opvoedingstaken verricht met een meer dan marginaal karakter. Dat eiser de wens heeft om structureel bij zijn gezin te zijn en op dagelijkse basis voor zijn kinderen te zorgen, wil de rechtbank aannemen, maar daarmee is niet voldaan aan de criteria voor een geslaagd beroep op het arrest Chavez-Vilchez. Die criteria vereisten immers dat de daadwerkelijke zorgtaken al worden verricht.

Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank eveneens terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de kinderen zodanig afhankelijk zijn van hem dat zij gedwongen zouden zijn het grondgebied van de EU te verlaten als aan hem een verblijfsrecht wordt geweigerd. Eiser stelt dat er sprake is van een dergelijke afhankelijkheidsverhouding, maar hij heeft dit onvoldoende geconcretiseerd of onderbouwd. De stelling van eiser dat referente vaak vermoeid is door haar ziekte maakt de afhankelijkheidsverhouding niet aannemelijk. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat – gezien eisers verblijf in Italië en het niet verrichten van daadwerkelijke zorgtaken door eiser – referente altijd de primaire verzorger en opvoeder van de kinderen is geweest. De kinderen hebben ook altijd bij haar in huis gewoond. In bezwaar had eiser nog gesteld dat zijn zoon psychische klachten ondervond in perioden van afwezigheid van eiser en dat ook zijn ontwikkeling op school daar onder leed, maar in beroep is hierover niets meer aangevoerd en op de zitting heeft referente toegelicht dat haar zoon nooit onder behandeling heeft gestaan bij een terzake deskundige. Dat de afwezigheid van eiser nadelige gevolgen zou hebben voor de lichamelijke en emotionele ontwikkeling van de kinderen, is niet onderbouwd.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden c en d van de – ten tijde van belang geldende – paragraaf B10/2.2 van de Vc. Hieruit volgt dat eiser geen van zijn kinderen afgeleid verblijfsrecht heeft op grond van artikel 20 van het VWEU en het arrest Chavez-Vilchez.

De beroepsgrond slaagt niet.

4. De weigering van het verblijfsdocument is ook niet in strijd met artikel 8 van het EVRM. Eiser heeft het standpunt van verweerder over de belangenafweging in dat kader niet expliciet betwist. Voor zover hetgeen hij heeft aangevoerd in verband met het arrest Chavez-Vilchez moet worden gezien als een impliciete betwisting van verweerders standpunt over de belangenafweging, overweegt de rechtbank als volgt.

Verweerder heeft niet ten onrechte de belangenafweging laten uitvallen in het nadeel van eiser. Verweerder stelt terecht dat niet is gebleken van een intensief gezinsleven tussen eiser en zijn kinderen. Verder is niet gebleken van een objectieve of subjectieve belemmering om het gezinsleven in Marokko uit te oefenen. Hoewel de kinderen de Nederlandse nationaliteit hebben, in Nederland zijn geboren en hier sindsdien verblijven, zijn zij nog (relatief) jong. Eiser kan hen begeleiden. Eiser heeft vanwege zijn eerdere, langdurige verblijf in Marokko sterkere banden met dat land dan met Nederland. Verder heeft verweerder kunnen overwegen dat de uitoefening van het gezinsleven tussen eiser en de kinderen ook op afstand kan worden voortgezet, temeer nu eiser ten tijde van belang veelvuldig zonder zijn kinderen in Italië verbleef en dan dus ook op afstand contact met hen onderhield.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Rademakers - Heins, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. C.E. Bos

Griffier

  • mr. C.L. Rademakers - Heins

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand