uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer 1], eiseres, mede namens haar minderjarige kinderen [minderjarige 1], V-nummer: [V-nummer 2], [minderjarige 2], V-nummer: [V-nummer 3] en [minderjarige 3], V-nummer: [V-nummer 4], hierna gezamenlijk: eisers,
(gemachtigde: mr. J. Oosterhof),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. S. Yousef).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 16 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eisers, meneer Woning als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eisers. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard.
Kunnen eisers in Kroatië passende opvang en zorg krijgen?
5. Eisers voeren aan dat ten aanzien van Kroatië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eisers verwijzen allereerst naar het AIDA-rapport, waaruit volgt dat terugkerende personen van de politie enkel een adres van het opvangcentrum ontvangen en de luchthaven direct moeten verlaten. Ook blijkt uit het rapport dat pushbacks zijn geconstateerd op een afstand van 30 minuten rijden vanaf de grens. Eisers baseren zich ook op hun eigen ervaringen. Eiseres en haar zoon zijn als Dublinterugkeerders door de Kroatische autoriteiten mishandeld. Eisers hebben ter ondersteuning van deze verklaring een drietal foto’s overgelegd. Eisers hebben mede daardoor psychische klachten en eiseres is suïcidaal. Ook is eiseres mishandeld door haar ex-echtgenoot. Hij verblijft nu in Griekenland en bedreigt haar. De Kroatische autoriteiten bieden daartegen geen bescherming.
6. De minister stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Daarbij heeft de minister verwezen naar een uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024, waarin is bevestigd dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. Het door eisers aangehaalde AIDA-rapport maakt dit volgens de minister niet anders, omdat daar geen nieuwe informatie uit blijkt. Daarbij verwijst hij naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 maart 2026. Ook heeft de Afdeling in de eerder aangehaalde uitspraak van 9 oktober 2024 geoordeeld dat het niet aannemelijk is dat Dublinclaimanten in Kroatië een reëel risico lopen om slachtoffer te worden van een pushback. Ten aanzien van de door eisers overgelegde foto’s overweegt de minister dat uit deze foto’s niet blijkt dat Kroatië zich niet aan de internationale regels houdt, omdat uit de foto’s niet is gebleken hoe eiseres aan deze verwondingen komt. Ook hebben eisers verklaard dat zij niet hebben geprobeerd te klagen bij de Kroatische autoriteiten. Verder kunnen eisers bij de Kroatische autoriteiten bescherming vragen tegen de ex-echtgenoot van eiseres. Tot slot blijkt uit de medische stukken niet dat eisers bijzonder kwetsbaar zijn. Volgens de minister kan er dan ook vanuit worden gegaan dat eisers in Kroatië passende medische en psychische zorg kunnen krijgen.
7. De rechtbank oordeelt hierover als volgt. De minister mag in beginsel ten opzichte van Kroatië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit beginsel betekent dat lidstaten erop mogen vertrouwen dat de andere lidstaten de vreemdeling in overeenstemming met het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht zullen behandelen. Eisers moeten aannemelijk maken dat dit in hun geval niet kan. Volgens uitspraken van de Afdeling kan nog altijd worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In deze uitspraken heeft de Afdeling geoordeeld dat niet is gebleken dat er problemen zijn die dusdanig structureel en ernstig zijn, dat bij overdracht aan Kroatië op voorhand sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Het beroep van eisers op het AIDA-rapport, update 2024 van augustus 2025, maakt dat niet anders. De rechtbank is van oordeel dat dit AIDA-rapport geen wezenlijk ander beeld schetst dan in eerdere uitspraken van de Afdeling is beoordeeld en ziet daarom geen aanleiding hier anders over te oordelen. Ook eisers eigen verklaringen over de mishandelingen door de Kroatische autoriteiten maken dit niet anders, omdat daaruit niet blijkt dat mishandelingen structureel plaatsvinden bij Dublinterugkeerders en dat daartegen geen bescherming mogelijk is.
8. Dit neemt echter niet weg dat het EHRM in het Tarakhel-arrest heeft overwogen dat de verzoekende lidstaat voor bijzonder kwetsbare personen voorafgaand aan de overdracht aanvullende garanties moet vragen aan de ontvangende lidstaat, indien de vreemdeling aantoont dat hij zonder die garanties geen toereikende zorg- en opvangvoorzieningen zal kunnen krijgen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2015 volgt dat het Tarakhel-arrest ook van toepassing kan zijn op andere bijzondere kwetsbare personen indien aannemelijk is gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden, waarbij het geslacht, de leeftijd en de gezondheidstoestand van de vreemdelingen ook van belang kunnen zijn.
9. Eisers hebben de volgende bijzondere omstandigheden aangevoerd. Het gaat hier om een gezin van een moeder met minderjarige kinderen. Eisers zijn eerder als Dublinterugkeerders naar Kroatië vertrokken. Eisers hebben verklaard dat zij door de Kroatische autoriteiten zijn mishandeld. Ook waren de opvangomstandigheden niet goed volgens eisers. Eisers verbleven met meerdere gezinnen in één kamer, deelden een toilet en kregen geen eten en drinken. Eiseres heeft psychische problemen. Deze psychische problemen hangen samen met haar eerdere ervaringen in Kroatië. Ook heeft eiseres meerdere suïcide-uitingen gedaan. Ook op zitting heeft eiseres een suïcide-uiting gedaan. De rechtbank stelt vast dat de minister het bestaan van psychische klachten niet heeft betwist. Ook zijn er ernstige zorgen over de ontwikkeling van de drie minderjarige kinderen. Ter staving daarvan is een medisch dossier van GZA healthcare van 13 juli 2026, een ongedateerde brief van GGD Friesland en een brief van Autosnomos van 7 september 2026 overgelegd. De brief van Autosnomos, een praktijk voor specialistische jeugdzorg, betreft een samenvatting van de start en de inhoud van de behandeling en het behandelperspectief van de minderjarige kinderen. Ook heeft de minister niet betwist dat de ex-echtgenoot van eiseres haar bedreigt. De ex-echtgenoot verblijft in Griekenland en dreigt haar te willen vermoorden. Ter staving van deze verklaring hebben eisers vertalingen van de bedreigingen van de ex-echtgenoot overgelegd, alsmede een brief van Veilig Thuis van 25 juni 2026. Tot slot hebben eisers verwezen naar het AIDA-rapport, waaruit volgt dat het gezien de intense en vaak traumatische stress die gepaard gaat met onvrijwillige overdrachten van cruciaal belang is om de aandacht te vestigen op de risico’s van hertraumatisering bij de Dublinoverdracht, met name voor kwetsbare personen, waaronder mensen met reeds bestaande psychische aandoeningen en personen die al langere tijd in het land van overdracht wonen.
10. Op grond van voorgaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank dan ook van oordeel dat eisers aannemelijk hebben gemaakt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor zij als bijzonder kwetsbaar kunnen worden aangemerkt. Van hen kan dan ook niet in algemene zin verwacht worden dat zij, mede gelet op hun psychische klachten, bij tekortkomingen klagen en zelf hulp zoeken voor hun problematiek. Dit betekent dat de minister, ondanks het bestaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan of in Kroatië de juiste opvang, begeleiding en bescherming beschikbaar is voor eisers als bijzonder kwetsbare personen. De minister heeft ten onrechte geen aanvullende garanties aan Kroatië gevraagd en desgevraagd ter zitting ook niet gemotiveerd toegelicht waarom daar in dit geval geen noodzaak voor bestaat.
Leidt een overdracht tot onomkeerbare gevolgen?
11. Eisers voeren verder onder verwijzing naar het arrest C.K aan dat bij overdracht aan Kroatië een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van hun gezondheid moet worden verwacht. Eisers verwijzen naar een brief van 7 september 2026 van Autosnomos, een brief van de jeugdverpleegkundige van GGD Friesland en naar een afschrift van het medisch dossier van GZA healthcare. Uit de door eisers overgelegde stukken blijkt onder andere dat eiseres suïcidale uitlatingen heeft gedaan en dat voor de minderjarige kinderen ernstige zorgen zijn over de ontwikkeling. Bij de kinderen lijkt sprake te zijn van een opeenstapeling van potentieel traumatische ervaringen en er is sprake van aanhoudende angst voor de biologische vader. Eisers vinden daarom dat de minister het BMA had moeten vragen om een advies over de gevolgen van een overdracht op de gezondheidstoestand van eisers.
12. De minister stelt zich op het standpunt dat eisers niet onder behandeling staan voor hun gestelde psychische klachten. Met de door eisers overgelegde stukken is de ernst van de psychische klachten niet onderbouwd. Er bestaat daarom ook geen aanleiding om het BMA om advies te vragen.
13. Uit het arrest C.K. volgt dat sprake kan zijn van behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest wanneer de overdracht van een Dublinasielzoeker met ernstige mentale of lichamelijk aandoening leidt tot een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand, zelfs indien niet ernstig gevreesd moet worden voor systeemfouten in de verantwoordelijke lidstaat. Uit dit arrest volgt verder dat wanneer een asielzoeker objectieve gegevens overlegt, zoals medische attesten met betrekking tot zijn toestand, die bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen, de autoriteiten van de betrokken lidstaat, de rechterlijke instanties daaronder begrepen, die gegevens bijgevolg niet buiten beschouwing mogen laten. Het is aan de rechterlijke instantie om in zo’n geval te oordelen over de rechtmatigheid van een overdrachtsbesluit, aangezien de tenuitvoerlegging van dat besluit tot een onmenselijke of vernederende behandeling van de betrokkene zou kunnen leiden. Het is, indien dit het geval zou zijn, aan de autoriteiten van de lidstaat om iedere ernstige twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheidstoestand van de betrokkene weg te nemen. In het bijzonder wanneer er sprake is van een ernstige psychische aandoening, mag daarbij niet worden volstaan met te kijken naar de gevolgen van het fysieke vervoer van de betrokkene van een lidstaat naar een andere lidstaat, maar moet rekening worden gehouden met alle aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen die uit de overdracht zouden voortvloeien. De autoriteiten moeten in dat verband nagaan of de gezondheidstoestand van de betrokken persoon passend en voldoende kan worden beschermd door voorzorgsmaatregelen te treffen.
De rechtbank stelt vast dat, in tegenstelling tot wat ten tijde van de uitspraak van 12 maart 2025 bij de spoedprocedure om een voorlopige voorziening te treffen het geval was, eisers nu wel objectieve gegevens hebben overgelegd met betrekking tot hun gezondheidstoestand. Het gaat onder meer om een brief van Autosnomos van 7 september 2026, een brief van GGD Fryslan, een kopie van het medisch dossier van eiseres (moeder), een verklaring van VWN en een verslag van de juf van een van de minderjarige kinderen.
Uit de verklaringen van eiseres en van haar familie volgt dat de Kroatische politie een inval heeft gedaan en daarbij eiseres heeft mishandeld voor het oog van haar drie minderjarige kinderen. Uit de brief van Autosnomos volgt dat de jeugdarts de kinderen heeft doorverwezen omdat deze ernstige zorgen heeft over de ontwikkeling van de kinderen. Uit het intakeverslag volgt dat er sprake lijkt te zijn van een opeenstapeling van potentieel traumatische ervaringen. De kinderen zijn geboren uit een gedwongen huwelijk en er was sprake van veelvuldig huiselijk geweld binnen het gezin. Er is sprake van een aanhoudende angst voor de biologische vader. De vader is ook op afstand nog bedreigend aanwezig. Daarnaast hebben de kinderen ook in Kroatië ingrijpende omstandigheden meegemaakt ze hebben periodes meegemaakt van onvoldoende eten en drinken en ze hebben gezien dat hun moeder geboeid werd meegenomen. Dit laatste komt ook overeen met de verklaringen van eiseres en familie.
Het gaat in het geval van de minderjarige kinderen om kwetsbare kinderen waarbij vanuit de jeugdarts ernstige zorgen zijn geuit over de ontwikkeling van de kinderen. De behandeling van de kinderen was ten tijde van de zitting nog niet opgestart, maar er was al wel een intake gedaan en er lag wel een concrete datum voor de start van de behandeling, te weten 16 september 2026. Uit de brief van Autosnomos van 7 september 2026 volgt dat het gaat om specialistische zorg, waarin concreet is opgenomen wat de behandeling inhoudt. Vanaf 16 september 2026 is gestart met een observatie- en behandelfase. De kinderen zullen individueel worden behandeld middels vaktherapie en eiseres ontvangt psycho-educatie over de mogelijke invloed van de traumatische ervaringen op de ontwikkeling en het gedrag van de kinderen. Ook de jeugdverpleegkundige van GGD Fryslan geeft aan dat de kinderen bang zijn om naar Kroatië terug te keren en daarnaast overtuigd zijn dat hun vader hen daar zal vinden. De kinderen hebben veel angst en nachtmerries en zijn bang dat vader hen vindt en de moeder en de kinderen zal vermoorden. Zoon [minderjarige 1] krijgt op school co-regulatie van een speciaal daarvoor opgeleide leerkracht omdat de ‘emmer regelmatig overloopt’. Ter zitting is besproken dat het gezin in Nederland hulp krijgt van Veilig Thuis en dat de familie het gezin steun en veiligheid biedt. De juf van dochter [minderjarige 3] beschrijft een gebeurtenis in de klas waarbij [minderjarige 3] getriggerd werd, ze verdrietig was en een beweging maakte alsof ze in de boeien werd geslagen vergelijkbaar met haar moeder in Kroatië die geboeid werd afgevoerd. Ook in het logboek co-regulatie van [minderjarige 3] is aangegeven dat [minderjarige 3] bang is voor politie en het in de handboeien slaan van haar moeder.
Gelet op de overgelegde stukken en verklaringen alsook de kwalificatie van de toegewezen zorg kan in dit geval niet worden volstaan met de stelling dat Kroatië dezelfde medische mogelijkheden heeft als Nederland en dat niet is aangetoond dat de overdracht leidt tot een reëel risico voor de kinderen. De minister had dan ook nader onderzoek moeten middels een BMA-onderzoek naar de gevolgen van overdracht voor de kinderen.
Ten aanzien van de medische situatie van eiseres overweegt de rechtbank dat eiseres meerdere suïcide-uitingen heeft gedaan bij de gedachte aan terugkeer naar Kroatië. Dit volgt onder meer uit het medisch dossier van GZA healthcare en ook ter zitting heeft eiseres een dergelijke uiting gedaan. De rechtbank overweegt dat hieruit valt af te leiden dat een overdracht ook onomkeerbare gevolgen kan hebben voor de gezondheid van eiseres. Het had ook met betrekking tot de situatie van eiseres op de weg van de minister gelegen om nader onderzoek te doen door inschakeling van het BMA.
15. Nu het besluit gelet op de hiervoor genoemde zorgvuldigheidsgebreken al niet in stand kan blijven, komt de rechtbank aan bespreking van de overige beroepsgronden niet toe.
Conclusie en gevolgen
16. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel, neergelegd in artikel 3:2 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen, omdat de minister het BMA eerst om advies moet vragen.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Omdat het beroep gegrond is krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 16 april 2026;
- draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. van Veelen, rechter, in aanwezigheid van S. Hitijahubessy - Brussaard, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.