RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
Samenvatting
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.14424
(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. Y.A.L.F. van Halteren).
1. Deze uitspraak gaat over de weigering van verweerder om eiser uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 van de Vw. Eiser is het niet eens met dat besluit. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder eiser terecht geen uitstel van vertrek heeft verleend. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Eiser is geboren op [datum] 1981, heeft de Iraakse nationaliteit en behoort tot de Jezidi bevolkingsgroep.
4. Op 31 januari 2023 heeft eiser een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag op 24 augustus 2024 afgewezen als ongegrond, omdat eiser volgens verweerder niet te vrezen heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Irak. Verweerder heeft daarbij besloten om eiser wel voorlopig uitstel van vertrek te verlenen, voor de periode 22 augustus 2024 tot 22 februari 2025, en om over te gaan tot een ambtshalve beoordeling om toepassing van artikel 64 van de Vw. Aanleiding daarvoor zijn geweest de medische stukken die eiser bij zijn zienswijze van 21 augustus 2024 heeft overgelegd.
5. Beroep tegen het besluit van 24 augustus 2024 is door deze rechtbank en zittingsplaats met de uitspraak van 7 augustus 2025 ongegrond verklaard.
6. Verweerder heeft met het besluit van 14 januari 2025 geweigerd om eiser uitstel van vertrek te verlenen. Volgens verweerder is artikel 64 van de Vw niet van toepassing op eiser. Met het bestreden besluit van 7 maart 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij zijn besluit gebleven.
7. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
8. De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2026 op zitting behandeld in Breda. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
9. Op grond van artikel 64 van de Vw blijft uitzetting achterwege zolang het, gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling, niet verantwoord is om te reizen.
10. Op grond van het beleid van verweerder, neergelegd in paragraaf A3/7.1 van de Vc, kan verweerder uitstel van vertrek verlenen op grond van artikel 64 van de Vw als sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM om medische redenen. In paragraaf A3/7.1.3 is nader uitgewerkt wanneer uitsluitend sprake is van zo’n risico. Daar zijn drie criteria genoemd. Als eerste criterium is genoemd dat uit het advies van het BMA blijkt dat het achterwege blijven van de medische behandeling naar alle waarschijnlijkheid zal leiden tot een medische noodsituatie. Onder een ‘medische noodsituatie’ wordt in dat verband verstaan: de situatie waarbij de vreemdeling lijdt aan een aandoening, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vaststaat dat het achterwege blijven van behandeling binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade.
11. Verweerder heeft uit de medische stukken van eiser afgeleid dat eiser lijdt aan een traag werkende schildklier en dat hij een schildklierhormoonmedicijn gebruikt dat hij zijn leven lang moet gebruiken. Dit is voor verweerder aanleiding geweest om een medisch advies te vragen aan het BMA. Het BMA heeft na dossieronderzoek op 3 januari 2025 gerapporteerd dat eiser medische klachten heeft, dat hij daarvoor medisch wordt behandeld, maar dat het uitblijven van medicatie niet zal leiden tot een medische noodsituatie binnen drie tot zes maanden. De klachten van eiser kunnen volgens het BMA hinderlijk zijn, maar zullen geen medische noodsituatie opleveren, omdat de klachten geleidelijk zullen ontstaan. Er zal naar verwachting dan ook geen levensbedreigende situatie ontstaan binnen de genoemde termijn. Het BMA heeft ook gerapporteerd dat eiser kan reizen en dat er geen aanwijzingen zijn dat er enige medische voorziening nodig is. Aanbevolen wordt om een schriftelijke overdracht van de medische gegevens mee te nemen, zoals een ingevuld Europees Medisch Paspoort, en om de medicatie te continueren tijdens de reis en voldoende medicatie mee te nemen om de periode van de reis te overbruggen. Het BMA heeft niet onderzocht in hoeverre medische behandeling in Irak beschikbaar is, omdat er volgens hem geen medische noodsituatie zal ontstaan bij het uitblijven van medicatie.
12. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is een advies van het BMA een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Daartoe dient het op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze te zijn opgesteld. Indien aan deze eisen is voldaan, mag verweerder bij de beoordeling van een aanvraag van een zodanig advies uitgaan, tenzij er concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan. Hiervan is de rechtbank niet gebleken.
13. Eiser heeft in beroep namelijk niet met medische stukken onderbouwd dat het uitblijven van medicatie in Irak wel degelijk tot een medische noodsituatie zal leiden. Eiser heeft enkel verwezen naar algemene internetinformatie, dat het stoppen met hormoonmedicatie een op het individu afgestemde benadering vergt. Daaruit blijkt niet dat het stoppen met de medicatie binnen drie tot zes maanden over het algemeen tot een medische noodsituatie leidt. Eiser heeft ook geen recente medische stukken overgelegd die betrekking hebben op zijn persoonlijke situatie.
14. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat verweerder zijn besluit op het BMA-advies heeft mogen baseren. Verweerder was ook niet gehouden om op basis van de bezwaargronden een aanvullend advies aan het BMA te vragen of om specifieke vragen aan het BMA te stellen. Verweerder heeft op basis van het advies terecht aangenomen dat er bij uitzetting van eiser naar Irak om medische redenen niet een reëel risico bestaat op schending van artikel 3 van het EVRM en heeft terecht besloten om eiser geen uitstel van vertrek te verlenen.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 28 september 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Uitspraak bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.