RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.53112
(gemachtigde: mr. H. Loth),
en
(gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:
Vw: Vreemdelingenwet 2000
Vb: Vreemdelingenbesluit 2000
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 7 september 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
Partijen hebben ingestemd met schriftelijke behandeling. Eiser heeft op 15
september 2026 de gronden van beroep ingediend. De minister heeft op 16 september 2026
een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 17 september 2026.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;e. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. De rechtbank stelt vast dat de gronden van de maatregel van vreemdelingenbewaring niet zijn betwist. De rechtbank oordeelt dat de gronden feitelijk juist en voor zover nodig voldoende gemotiveerd zijn om een onderduikrisico aan te nemen en daarmee de maatregel van vreemdelingenbewaring kunnen dragen.
Lichter middel
6. Eiser stelt dat de minister niet deugdelijk heeft onderzocht of kon worden volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van vreemdelingenbewaring. Hiertoe voert eiser aan dat de maatregel algemene en standaard overwegingen bevat. Eiser wijst hierbij op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 19 augustus 2026 waaruit volgt dat een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering vereist zijn. Verder voert eiser aan dat zijn persoonlijke en medische omstandigheden onvoldoende individueel zijn meegewogen.
7. Deze beroepsgrond slaagt niet. Allereerst merkt de rechtbank op dat eiser geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht sinds de uitspraak van 8 september 2026, waarin deze rechtbank en zittingsplaats heeft geoordeeld dat de minister niet had hoeven volstaan met een lichter middel dan de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, Vw. Verder blijkt uit de niet-betwiste gronden van de maatregel en de motiveringen al dat een onderduikrisico bestaat. Als eiser van mening is dat dit niet het geval is, is het aan eiser om te onderbouwen dat hij bijvoorbeeld een opvangadres of een garantstelling heeft. Uit de motivering van de maatregel volgt onder meer dat eiser zich eerder aan het toezicht heeft onttrokken, geen gevolg heeft gegeven aan het aan hem uitgevaardigde terugkeerbesluit en geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. De minister heeft – anders dan eiser stelt – dan ook niet enkel aan de verklaring van eiser dat hij naar België of Spanje wil gaan om te werken de conclusie verbonden dat een meldplicht of andere toezichtmaatregel niet doeltreffend zou zijn. De minister heeft er in de maatregel verder terecht op gewezen dat medische zorg op het detentiecentrum aanwezig is en dat deze ter beschikking staat aan eiser. Uit het dossier blijkt ook dat eiser onder behandeling staat van deze medische dienst. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat niet kon worden volstaan met een lichter middel en dat niet is gebleken van omstandigheden die de vreemdelingenbewaring voor eiser onredelijk bezwarend maken.
Ambtshalve toetsing
8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de
rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
22 september 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.