RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer [V-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
De zaak in het kort
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.50651
(gemachtigde: mr. A. Šimičević),
en
(gemachtigde: [gemachtigde]).
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 11 december 2024 (het bestreden besluit), waarbij verweerder de asielaanvraag van eiser heeft afgewezen.
2. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij vreest voor rekrutering door de Houthi’s en hij wil ook niet terug vanwege de algemene veiligheidssituatie in Jemen en een stammenconflict in zijn dorp.
3. De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven en dat verweerder opnieuw op de asielaanvraag van eiser moet beslissen.
Het verloop van de procedure
4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen. Verweerder vindt dat eiser moet terugkeren naar Jemen.
5. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
6. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De beoordeling van het beroep
De vrees van eiser om door de Houthi’s te worden gerekruteerd
7. Verweerder vindt eisers verklaringen over wat er in Jemen is gebeurd geloofwaardig, maar stelt zich op het standpunt dat daaruit niet volgt dat eiser een reëel risico loopt om door de Houthi’s te worden gerekruteerd.
8. Het eerste argument voor verweerders standpunt is dat eiser zonder problemen langs een aantal controleposten van de Houthi’s is gereisd voordat hij Jemen verliet. Eiser merkt terecht op dat verweerder hem geen concrete vragen heeft gesteld over het passeren van deze controleposten. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij door een reisagent werd gesmokkeld en dat hij zich bij controleposten verstopte in de vrachtwagen. Verweerder heeft vervolgens verklaard dat hij bij zijn standpunt blijft. Dat standpunt is niet deugdelijk gemotiveerd, omdat verweerder niet uitlegt waarom de verklaring van eiser over de gang van zaken niet voldoende is.
9. Het tweede argument van verweerder is dat eiser nadat zijn vader stopte met het betalen van de Houthi’s nog negen maanden in Jemen is gebleven. Eiser voert aan dat hij wel degelijk verdere problemen heeft ondervonden, hij is namelijk aangesproken bij een supermarkt en toen drongen de Houthi’s erop aan dat hij mee zou gaan. Verweerder acht deze gebeurtenis geloofwaardig en zijn standpunt dat er geen verdere problemen zijn geweest, is in zoverre onjuist. Wel is het zo dat eiser toen blijkbaar zonder problemen kon weglopen en in zoverre is verweerders standpunt wel juist. Dat eiser steeds minder naar buiten durfde en de Houthi’s ontweek, is begrijpelijk, maar betekent niet dat eiser in deze periode ernstige problemen heeft ondervonden (of zo ernstig in zijn bewegingsvrijheid was beperkt dat een onleefbare situatie ontstond).
10. Het derde argument van verweerder is dat eiser niet eerder gedwongen is gerekruteerd. Dit argument zegt weinig tot niets over de vraag of dit alsnog zal gebeuren. Overigens is in dit verband niet alleen van belang of uit de verklaringen van eiser volgt dat de Houthi’s hem willen rekruteren, maar ook of mannen van eisers leeftijd en woonplaats in het algemeen een reëel risico lopen op gedwongen rekrutering.
11. Het vierde argument van verweerder is dat eiser niet past binnen het rekruteringsprofiel van de Houthi’s. De Houthi’s richten zich bij hun rekrutering volgens verweerder namelijk in het bijzonder op de muhamasheen, een kwetsbare bevolkingsgroep in Jemen. Eiser merkt terecht op dat verweerder geen concrete vragen heeft gesteld over de bevolkingsgroep waartoe hij behoort. Eiser behoort naar eigen zeggen tot een arme familie. Verder heeft eiser laten zien dat verweerder nogal selectief put uit de bron waarop hij zijn standpunt baseert; uit die bron blijkt in ieder geval niet dat de Houthi’s alleen muhamasheen rekruteren. Overigens acht verweerder de verklaringen van eiser over de gebeurtenissen in Jemen en dus ook over de pogingen om hem (al dan niet via zijn vader) te rekruteren geloofwaardig, waarmee het argument dat eiser niet binnen het rekruteringsprofiel zou passen verder in de lucht komt te hangen.
12. Het vijfde argument van verweerder is dat eiser geen asiel heeft aangevraagd in Rusland. Dit zegt op zichzelf niets over de vrees voor gedwongen rekrutering. Ter zitting heeft eisers gemachtigde verklaard dat eiser graag naar Nederland wilde omdat daar al een broer van hem woont die een verblijfsvergunning heeft. Die verklaring is begrijpelijk. Ter zitting heeft de rechtbank verweerder gevraagd waarom het niet aanvragen van asiel in een land van doorreis aan eiser wordt tegengeworpen en niet aan talloze andere asielzoekers, waarop verweerder geen inhoudelijke reactie heeft gegeven.
13. De conclusie is dat de meeste argumenten voor verweerders standpunt dat eisers vrees voor gedwongen rekrutering ongegrond is geen stand houden. De hierop betrekking hebbende beroepsgronden slagen.
Eisers vrees voor het stammenconflict
14. Eiser heeft toegelicht dat twee substammen, waartoe hij zelf niet behoort, elkaar bevechten. Er wordt in het kader van dit conflict veel geschoten en dat is gevaarlijk. Later heeft eiser nog verklaard dat er een conflict bestaat over de toegang tot een straat, waarbij eisers substam wel betrokken is. Eiser heeft onvoldoende concreet onderbouwd dat dit conflict of deze conflicten zo gewelddadig is/zijn dat het risico dat hij daarvan het (al dan niet willekeurige) slachtoffer wordt, moet leiden tot het verlenen van een verblijfsvergunning. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Eisers beroep op de algemene veiligheidssituatie in Jemen (en de provincie [locatie])
15. In haar uitspraak van 25 november 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:22462) heeft deze rechtbank en zittingsplaats onder meer het volgende overwogen.
“ 12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de beleidswijziging van 17 oktober 2025 niet heeft voldaan aan de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025 [ECLI:NL:RVS:2025:3153] en de gradatie van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn (…) niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Zij overweegt daartoe als volgt.
De beleidswijzing van 17 oktober 2025 is aangekondigd bij brief van 8 oktober 2025. In deze brief heeft verweerder onder meer verwezen naar de beslisnota en de bijlage daarbij. Uit die bijlage van 18 juni 2025 zou blijken op welke wijze de humanitaire omstandigheden die het direct of indirect gevolg zijn van het handelen of nalaten van de strijdende partijen zijn betrokken bij de beoordeling of er sprake is van (een gradatie van) een situatie als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. (…) Uit de bijlage van 18 juni 2025 blijkt weliswaar dat de humanitaire omstandigheden zijn opgesomd op pagina 1 t/m 3, maar de humanitaire omstandigheden komen niet terug in de lijst van elementen op pagina 4 e.v. die zijn geanalyseerd om te komen tot een beoordeling van de mate van willekeurig geweld. Deze elementen (op pagina 4) betreffen:- de vraag of partijen bij het conflict oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten of burgers tot doel nemen;- de vraag of het gebruik van die methoden wijdverbreid is bij de strijdende partijen;- de vraag of het geweld wijdverbreid is of plaatselijk;- de vraag of er een veiligheidsstructuur aanwezig is;- de intensiteit van de gewapende confrontaties en het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten;- de aantallen doden, gewonden en ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd.
Door zich te beperken tot het beoordelen van die elementen heeft verweerder niet voldaan aan de opdracht van de Afdeling. De humanitaire omstandigheden zijn ten slotte weliswaar genoemd in de conclusie van de bijlage (pagina 9), maar niet is gebleken dat deze daadwerkelijk zijn betrokken; van een kenbare en deugdelijke motivering is niet gebleken. Die conclusie lijkt vooral gebaseerd op het aantal (dodelijk) burgerslachtoffers afgezet tegen het totaal aantal burgers. Vooral nu wel uit de beschikbare landeninformatie – waaronder het algemeen ambtsbericht van april 2025 – volgt dat de humanitaire situatie zeer zorgelijk is, ligt het op de weg van verweerder om deugdelijk te motiveren welke rol die humanitaire situatie precies speelt in de beoordeling van artikel 15c ten aanzien van Jemen. Hierbij komt overigens dat verweerder, gelet op de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025 en het arrest CF en DN van het Hof van Justitie van 10 juni 2021 (ECLI:EU:C:2021:472), ook het gebied van terugkeer dient te betrekken.”
16. De rechtbank blijft bij deze overwegingen. In het verweerschrift is verweerder nader ingegaan op de Afdelingsuitspraak en de algemene veiligheidssituatie in Jemen. Het verweerschrift heeft voornamelijk het karakter van een algemene juridische beschouwing. Uit het verweerschrift blijkt niet concreet dat en hoe verweerder de algemene veiligheidssituatie in de provincie [locatie], waar eiser vandaan komt, alsnog heeft onderzocht aan de hand van alle door de Afdeling van belang geachte criteria en waar dat onderzoek toe heeft geleid. De beroepsgronden over de algemene veiligheidssituatie en de humanitaire situatie in Jemen en [locatie] slagen dan ook.
Verblijfsvergunning regulier
17. Eiser is het er niet mee eens dat hem geen verblijfsvergunning regulier is verleend, maar hij legt niet uit waarom niet. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
18. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien en partijen hebben de rechtbank niet gevraagd een tussenuitspraak te doen. De rechtbank doet een einduitspraak en draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak opnieuw te beslissen op de asielaanvraag van eiser.
19. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,00 en wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, rechter, in aanwezigheid van O. Sharifi, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.