RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.53279
(gemachtigde: mr. S. Faber),
en
(gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).
Procesverloop
De minister heeft op 16 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Bij besluit van 9 september 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de maatregel
van bewaring met ten hoogste twaalf maanden verlengd.
De minister heeft de rechtbank in kennis gesteld van het verlengingsbesluit door middel van
een kennisgeving. Daarmee wordt eiser geacht tegen het verlengingsbesluit beroep te
hebben ingesteld en daarbij te hebben verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 17 september 2026 op zitting behandeld. Eiser is
verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen I. Zyad. De
minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt ter zitting van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1994.
Toetsingskader
2. Volgens artikel 59, zesde lid, van de Vw mag de maatregel van bewaring met nog
eens twaalf maanden worden verlengd, als uitzetting wellicht meer tijd zal vergen (alle
redelijke inspanningen ten spijt) als de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting of de
daartoe benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt.
3. De minister moet in het verlengingsbesluit conform het beleid van paragraaf
A5/6.9 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) nagaan of er voldaan is aan de voorwaarden voor verlenging, of er nog voldoende gronden voor de bewaring zijn, of de bewaring voor de vreemdeling onredelijk bezwarend is en of er zicht op uitzetting bestaat. Als dit voldoende gemotiveerd is, wordt hiermee voldaan aan alle uit de Terugkeerrichtlijn en het arrest Mahdi voortvloeiende vereisten voor het nemen van een verlengingsbesluit.
4. De rechtbank gaat hierbij uit van de volgende feiten. Aan eiser is op 13 mei 2022
een terugkeerbesluit opgelegd. Op 16 maart 2026 is aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Bij besluit van 9 september 2026 is de maatregel met ten hoogste twaalf maanden verlengd. Dit alles is tussen partijen niet in geschil. Voorts is niet in geschil dat aan de materiële voorwaarden
voor verlenging van de maatregel is voldaan.
Gronden
5. In het verlengingsbesluit staat dat eiser op 16 maart 2026 in bewaring is gesteld
omdat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en/of omdat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Vervolgens staat in het verlengingsbesluit dat de volgende gronden voor bewaring uit artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 ten grondslag liggen aan het besluit tot verlenging van de bewaringstermijn:
a. de vreemdeling is Nederland niet op de voorgeschreven wijze binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. de vreemdeling heeft eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
c. de vreemdeling niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
d. de vreemdeling in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat of een aan hem verstrekt visum voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor dit is verleend;
h. de vreemdeling te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
p. de vreemdeling zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
r. de vreemdeling geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. de vreemdeling niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6. De rechtbank stelt vast dat de gronden van de maatregel van
vreemdelingenbewaring niet zijn betwist. De rechtbank oordeelt dat de gronden onder 2a, 2b, 2c, 2d, 2p, 2r en 2s feitelijk juist en voor zover nodig voldoende gemotiveerd zijn om een onderduikrisico aan te nemen en daarmee de maatregel van vreemdelingenbewaring kunnen dragen.
Voortvarend handelen
7. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting.
Hiertoe voert hij aan dat hij sinds 16 maart 2026 in bewaring zit op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. In deze periode was er geen duidelijkheid over eisers nationaliteit, of hij de Marokkaanse of Algerijnse nationaliteit bezit. Desondanks heeft de minister, tot aan juni 2026, enkel een traject gericht op uitzetting naar Marokko opgestart. Pas in juni 2026 is gestart met een traject gericht op uitzetting naar Algerije, wat volgens eiser te laat en dus onvoldoende voortvarend is. Hierbij is volgens de gemachtigde van eiser ook van belang dat eiser een warrige en chaotische indruk wekt en dat de minister dus niet op basis van enkel zijn verklaringen had moeten volstaan met een traject gericht op uitzetting naar Marokko. De minister had er goed aan gedaan om naast het traject gericht op Marokko, ook een traject op te starten gericht op Algerije. De gemachtigde van eiser wijst daarbij ook op voortschrijdend inzicht en betoogt dat de minister dit traject gericht op uitzetting naar Algerije eerder had moeten opstarten.
8. De rechtbank overweegt allereerst dat uit de uitspraak van 23 april 2026 volgt dat
is geoordeeld dat het feit dat op dat moment geen lp-aanvraag naar de Algerijnse autoriteiten is gezonden, geen aanleiding gaf voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend handelde met betrekking tot de uitzettingsprocedure van eiser. Na deze uitspraak heeft eiser meerdere vervolgberoepen ingediend waarin eveneens is geoordeeld dat de minister voldoende voortvarend handelde. Hierbij acht de rechtbank van belang dat eiser steeds heeft verklaard dat hij de Marokkaanse nationaliteit bezit. Op 8 juni 2026 heeft de Marokkaanse ambassade laten weten dat zij de gestelde Marokkaanse nationaliteit van eiser niet kunnen bevestigen. Zelfs nadat de Marokkaanse nationaliteit niet kon worden bevestigd, bleef eiser volharden in de stelling dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft. Naar aanleiding van het bericht van de Marokkaanse ambassade heeft de minister aanleiding gezien om een traject gericht op uitzetting naar Algerije op te starten en heeft op 19 juni 2026 een lp-aanvraag verzonden naar de Algerijnse ambassade. Op deze lp-aanvraag heeft de minister tot op heden minstens één keer per maand gerappelleerd. Verder blijkt uit het dossier dat eiser op 24 september 2026 in persoon zal worden gepresenteerd bij de Algerijnse ambassade. Uit het vorenstaande blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Voor zover eiser ter zitting heeft gewezen op zijn medische gesteldheid, heeft de minister terecht gewezen op de beschikbare medische zorg op het detentiecentrum en dat deze ter beschikking staat aan eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
9. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de
minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
22 september 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.