ECLI:NL:RBDHA:2026:28762

ECLI:NL:RBDHA:2026:28762

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 15-09-2026
Datum publicatie 29-09-2026
Zaaknummer NL26.28989
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

De minister heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser een verblijfsvergunning heeft in Italië. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Italië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.28989

(gemachtigde: mr. G. Ocak),

en

(gemachtigde: mr. C.W.M van Breda).

1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Soedanese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1993. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 22 mei 2026 niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 2 september 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep (zaak NL26.28990), op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser was niet aanwezig.

Het bestreden besluit

3. De minister heeft de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van het destijds geldende artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, omdat eiser in een andere lidstaat van de Europese Unie al internationale bescherming heeft. De minister heeft naar aanleiding van verklaringen van eiser over een Italiaans identiteitsbewijs onderzoek gedaan naar zijn verblijfstatus in Italië. Uit informatie van de Italiaanse autoriteiten heeft eiser sinds 15 maart 2023 internationale bescherming verkregen voor een periode van vijf jaar. De minister neemt daarom aan dat nu eiser in het bezit is van een verblijfsvergunning in Italië er een zodanige band is met Italië dat het redelijk voor hem is om daar naar toe te gaan. Eiser heeft aangevoerd dat hij niet terug wil naar Italië, omdat hij zich gepest en vernederd voelde vanwege zijn handicap en dat hij daar een klacht over heeft ingediend. De minister stelt dat de ernst van de klacht niet dusdanig is dat er sprake zou zijn van een verslechtering van zijn levensomstandigheden indien hij terugkeert naar Italië. Uit de verklaringen van eiser kan worden afgeleid dat er sprake is van moeilijke omstandigheden min Italië, maar een terugkeer levert geen schending van artikel 3 van het EVRM op. Eiser had in Italië huisvesting en er werd voorzien in zijn levensonderhoud. Hij kreeg leefgeld en had toegang tot medische hulp. Eiser heeft verklaard dat de medische hulp plotseling stopte, maar heeft dat niet kunnen aantonen en heeft ook niet kunnen aantonen dat het in de toekomst niet mogelijk zou zijn om toegang te krijgen tot medische hulp. Dat in het geval van eiser sprake is van een (dusdanige) handicap, alsmede sprake is van een bijzondere kwetsbaarheid waardoor een overdracht naar Italië onrechtmatig zou zijn, heeft eiser niet onderbouwd. Hij heeft ook niet met stukken onderbouwd dat hij volledig afhankelijk is van opvang, medische zorg en ondersteuning door de Italiaanse autoriteiten. De minister wijst eiser er ook op dat hij op grond van het interstatelijke vertrouwensbeginsel bij de Italiaanse autoriteiten terecht kan om te klachten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Italiaanse autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen.

Toetsingskader

4. Per 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact inwerking getreden. In dat kader is de Vw en het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) met de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 (de Uitvoerings- en implementatiewet) gewijzigd. Op grond van artikel IX, zesde lid, onder b, van de Uitvoerings- en implementatiewet, zijn de oude artikelen van de Vw en het Vb op de aanvraag van eiser van toepassing omdat deze aanvraag is ingediend vóór 12 juni 2026.

5. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw (oud) kan een asielaanvraag niet-ontvankelijk worden verklaard als de vreemdeling in een andere lidstaat van de EU internationale bescherming geniet.

Op grond van artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb (oud) wordt de asielaanvraag slechts niet-ontvankelijk verklaard als, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking nemende, de vreemdeling in het betrokken derde land overeenkomstig de in dit artikel opgenomen beginselen zal worden behandeld. Een van deze beginselen is dat de vreemdeling bij uitzetting geen reëel risico mag lopen op ernstige schade bestaande uit, onder andere, foltering, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Daarnaast moet sprake zijn van een zodanige band met het betrokken derde land dat het voor de vreemdeling redelijk zou zijn naar dat land te gaan. Het is vaste rechtspraak dat van een dergelijke band sprake is als een vreemdeling in een lidstaat van de Europese Unie erkend vluchteling is, dan wel de subsidiaire beschermingsstatus heeft.

Standpunten van eiser

6. Eiser betwist niet dat hij internationale bescherming geniet in Italië. Hij stelt zich op het standpunt dat het besluit onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd is en dat een uitvoering van het besluit zou tot een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest leiden. In dat kader stelt hij dat de minister niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Daarnaast stelt eiser zich op het standpunt dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden.

Eiser heeft kort voor de zitting een medisch journaal van de huisarts overgelegd. Zijn gemachtigde heeft hierover op de zitting toegelicht dat uit het journaal blijkt dat eiser vanwege zijn fysieke en mentale klachten bijzonder kwetsbaar is. Volgens eiser heeft de minister, gelet hierop en op de omstandigheid dat hij beperkt zelfredzaam is, onvoldoende gemotiveerd dat eiser zijn rechten in Italië kan effectueren.

Beoordeling door de rechtbank

Band met Italië

7. Volgens eiser heeft de minister geen kenbare en voldoende gemotiveerde belangenafweging heeft gemaakt tussen de worteling van eiser sinds 2023 in Nederland en de hechting die daardoor is ontstaan in Nederland en zijn verblijfsduur en omstandigheden in Italië.

De rechtbank overweegt dat het hebben van een verblijfsvergunning in een lidstaat wordt gezien als het hebben van een zeer sterke band en een zwaarwegend belang om naar dat land terug te keren. Voor zover eiser betoogt dat geen sprake is van een zodanige band met Italië dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan, overweegt de rechtbank derhalve dat al vanwege de verblijfsvergunning is voldaan aan het bepaalde in artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb (oud). Dat eiser sinds 2023 in Nederland verblijft maakt dat niet anders.

Risico op schending van artikel 3 van het EVRM

8. Daarnaast stelt eiser dat de minister een onjuiste en te beperkte toets heeft aangelegd bij de beoordeling van zijn persoonlijke omstandigheden in Italië. De minister erkent weliswaar de problematische algemene situatie voor statushouders in Italië, maar concludeert desalniettemin dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer te maken zal krijgen met zeer verregaande materiële deprivatie. Daarbij legt de minister de bewijslast volledig bij eiser, zonder rekening te houden met de feitelijke onmogelijkheid om bewijsstukken te verkrijgen in een context waarin statushouders nauwelijks toegang hebben tot medische en administratieve voorzieningen. Verder stelt eiser dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden. Eiser heeft fysieke en mentale klachten en kan hierdoor niet werken in Italië en dus geen inkomen verwerven om zo in zijn levensonderhoud te voorzien. Alleen om die reden is hij bijzonder kwetsbaar is in de zin van het arrest Ibrahim. Eiser wijst op een zeer belast verleden, traumatische jaren, een eenzaam verblijf in Italië, de langdurige scheiding van zijn familie en onduidelijkheid over zijn procedure. Hij heeft medische zorg nodig en heeft dit bij de Italiaanse autoriteiten aangegeven, maar heeft de zorg niet gekregen.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Italië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De rechtbank overweegt daarbij dat de minister op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uit mag gaan dat Italië zijn verdragsverplichtingen in het algemeen zal nakomen jegens statushouders. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat Italië dit niet doet en dat hij dus een reëel risico loopt op schending van fundamentele rechten. Dat de minister een onjuiste en te beperkte toets heeft aangelegd volgt de rechtbank dan ook niet.

Met de minister is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op schending van fundamentele rechten. De minister heeft de door eiser aangevoerde omstandigheden kenbaar bij de beoordeling in het bestreden besluit betrokken en daarover geconcludeerd dat er sprake is van moeilijke omstandigheden in Italië, maar een terugkeer levert geen schending van artikel 3 van het EVRM op. Eiser wijst in zijn beroepsgronden onder andere op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 januari 2026 en op een AIDA Country Report van 10 juli 2024 zoals geüpdatet per juli 2025 waaruit volgens eiser géén wezenlijk ander beeld blijkt dan de informatie die bij voornoemde uitspraak van de Afdeling is betrokken. In die uitspraak, en in de uitspraak van 2 juli 2026 heeft de Afdeling geoordeeld dat het relaas van de betrokkenen de moeilijke situatie voor statushouders in Italië bevestigt, maar dat dit niet leidt tot de conclusie dat de situatie voor statushouders in Italië in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het EU Handvest. De minister heeft er in de onderhavige zaak terecht op gewezen dat eiser in Italië huisvesting had en dat er werd voorzien in zijn levensonderhoud. Hij kreeg leefgeld en had toegang tot medische hulp. Eiser heeft verklaard dat de medische hulp plotseling stopte, maar heeft dat niet aannemelijk gemaakt en heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat het in de toekomst niet mogelijk zou zijn om toegang te krijgen tot medische hulp. Uit de verklaringen van eiser blijkt niet dat hij hierover bij de Italiaanse autoriteiten heeft geklaagd en eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat klagen bij voorbaat zinloos is. De rechtbank overweegt verder dat eiser met het medisch journaal en de toelichting ter zitting niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bijzonder kwetsbaar of beperkt zelfredzaam is en niet in staat is om zijn rechten te effectueren.

Conclusie en gevolgen

9. De minister heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J. Biswane, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 15 september 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. O. Veldman

Griffier

  • mr. N.J. Biswane

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand