ECLI:NL:RBDHA:2026:28771

ECLI:NL:RBDHA:2026:28771

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 28-09-2026
Datum publicatie 29-09-2026
Zaaknummer NL26.54375
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

bewaring, zicht op uitzetting, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.54375

(gemachtigde: mr. S.T.V. Le),

en

Procesverloop

Verweerder heeft op 1 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Verweerder heeft op 14 september 2026 de maatregel van vreemdelingenbewaring opgeheven.

Eiser heeft op 15 september 2026 beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.

Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten op 23 september 2026.

Overwegingen

Inleiding

1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan op 14 september 2026 onrechtmatig is geweest.

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 21 april 2026 (in de zaak NL26.18968) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 16 april 2026).

3. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt gezien het voorgaande dus van 16 april 2026 tot 14 september 2026.

Zicht op uitzetting

4. Eiser voert aan dat er geen uitzicht op verwijdering is binnen een redelijke termijn. Dit was reeds duidelijk voor de opheffing van de maatregel op 14 september 2026. De enkele omstandigheid dat eiser niet aan de presentatie wilde meewerken kan niet rechtvaardigen dat de bewaring vervolgens zonder concreet perspectief op uitzetting wordt voortgezet. Verweerder wist op voorhand dat de presentatie geen doorgang zou vinden en daarom had verweerder moeten beoordelen of voortduring van de maatregel nog noodzakelijk en proportioneel was dan wel of met een lichter middel kon worden volstaan.

5. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk vooruitzicht op uitzetting is. Eiser is op 1 april 2026 in bewaring gesteld. Verweerder heeft in het kader van de laissez passez (lp) aanvraag meerdere presentaties gepland waar eiser niet is verschenen (op 23 april 2026 en 27 augustus 2026). Eiser is meermaals gewezen op zijn verantwoordelijkheid om mee te werken aan het aantonen van zijn identiteit en nationaliteit en daarmee aan zijn terugkeer en dat het niet meewerken invloed kan hebben op de duur van zijn bewaring (tijdens de vertrekgesprekken op 24 april 2026 en 27 mei 2026). Eiser heeft meermaals aangegeven niet mee te zullen werken aan de presentaties dan wel aan zijn terugkeer (tijdens de vertrekgesprekken op 22 april 2026, 24 april, 27 mei 2026, 14 juli 2026 en 19 augustus 2026). Lp-trajecten kunnen soms enige tijd vergen, waardoor niet zonder meer het zicht op uitzetting binnen een redelijk termijn ontbreekt in het geval er enige maanden voorbijgaan. Eiser had de lp-aanvraag, en daarmee zijn terugkeer, kunnen bespoedigen door medewerking te verlenen. Dit heeft hij nagelaten. Toen eiser bijna zes maanden in bewaring zat heeft verweerder de belangen afgewogen. Hierbij heeft verweerder geconcludeerd dat, ondanks zijn eigen inspanningen, de lp-aanvraag niet heeft geleid tot de vaststelling van de nationaliteit en identiteit en een afgifte van een lp. Hierdoor valt het voor verweerder te betwijfelen of het laten voortduren van de maatregel het gewenste resultaat zal opleveren, namelijk dat eiser op korte termijn zal terugkeren naar Sierra Leone. Tussentijds waren er geen indicaties dat er niet een lp zou worden afgegeven. De rechtbank is daarom van oordeel dat er tot het moment van opheffing van de maatregel voldoende zicht op uitzetting bestond waardoor het voortduren van de maatregel noodzakelijk en proportioneel was en niet kon worden volstaan met een lichter middel. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

6. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest. Het Hof heeft in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. E. op den Kamp, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A. Hello

Griffier

  • mr. E. op den Kamp

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand