RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.44632
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2026 in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),
en
(gemachtigde: mr. H.M.M. van Dooren).
Procesverloop
Eiser heeft op 25 juni 2026 een asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 30 juli 2026 deze aanvraag niet in behandeling genomen.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van de minister.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Overwegingen
1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij het beroep. In zijn bericht van 18 augustus 2026 heeft de minister gesteld dat eiser blijkens de bijlage op 1 augustus 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. Uit het bericht van de gemachtigde van eiser van 20 augustus 2026 blijkt dat hij geen contact heeft met eiser en geen verblijfplaats bekend is. Tijdens de zitting heeft de minister toegelicht dat de Duitse autoriteiten hebben bericht dat eiser zich op 4 augustus 2026 in Duitsland heeft gemeld.
3. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), onder meer van 1 juli 2024, blijkt dat, indien de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken zonder contact te onderhouden met zijn gemachtigde, wordt geconcludeerd dat hij kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming hier te lande. In dat geval heeft de vreemdeling geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het ingestelde beroep.
4. Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden neemt de rechtbank aan dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming hier te lande. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
5. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M.M. Heppe, rechter, in aanwezigheid van mr. N.B. Tool, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 25 augustus 2026