RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.26374
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.B. Ullah),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J. Visschers).
Procesverloop
Bij besluit van 9 september 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verblijfsdoel ‘humanitair niet-tijdelijk’ afgewezen.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit en verweerder heeft dit bezwaar bij besluit van 20 juni 2024 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer NL22.27001.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Pakistaanse nationaliteit. Eiser heeft op 7 januari 2022 een aanvraag ingediend voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verblijfsdoel ‘humanitair niet-tijdelijk’.
Het bestreden besluit
2. Het bestreden besluit, waarbij het primaire besluit is gehandhaafd, houdt – samengevat – het volgende in. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) heeft en daardoor niet aan het mvv-vereiste voldoet. Eiser kan niet worden vrijgesteld van het mvv-vereiste op grond van de redelijke termijn van twee jaar. Verder neemt verweerder in het kader van artikel 8 van het EVRM geen beschermenswaardig familieleven aan, omdat er geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en zijn ouders. Verweerder neemt weliswaar privéleven aan, maar laat de gemaakte belangenafweging in het nadeel van eiser uitvallen. Het besluit om eisers aanvraag af te wijzen getuigt verder niet van onevenredige hardheid. Van bijzondere omstandigheden is ook niet gebleken. Verweerder handhaaft het in het primaire besluit aan eiser opgelegde inreisverbod van twee jaar.
Beoordeling door de rechtbank
Familieleven
3. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte geen beschermingswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM heeft aangenomen en verweerder in dat kader dus ten onrechte geen belangenafweging heeft gemaakt. Eiser heeft noodgedwongen het ouderlijk huis moeten verlaten. Hij heeft nadien geen eigen gezin gesticht en ziet zichzelf nog steeds als volwaardig lid van het gezin. Stappen naar zelfstandigheid heeft eiser dus nog niet gezet, ondanks dat hij een parttime baan heeft. Daarnaast is de wederzijdse zorg en financiële ondersteuning meer dan marginaal te noemen. Er is volgens eiser dus wel degelijk sprake van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen hem en zijn ouders.
Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat tussen meerderjarigen buiten het kerngezin sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM als er tussen hen ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ bestaan die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188). Het gaat er daarbij vooral om of sprake is van een op basis van objectieve of objectiveerbare feiten en omstandigheden vast te stellen afhankelijkheid tussen de betrokken volwassen familieleden, die uitstijgt boven het gebruikelijke. Het is aan de betrokken vreemdeling om te stellen, en zoveel mogelijk te onderbouwen, uit welke feiten en omstandigheden de ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ zouden kunnen blijken. Verweerder moet bij de beoordeling van de vraag of sprake is van ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ alle individuele omstandigheden van het geval betrekken. Daarbij kunnen medische, financiële, emotionele en materiële afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen, de banden met het land van herkomst, en de vraag of betrokkenen eerder hebben samengewoond, voor zover deze elementen zijn aangevoerd, in de beoordeling een rol spelen. Deze beoordeling is van feitelijke aard, aldus de Afdeling in voormelde uitspraak.
Er hoeft geen belangenafweging te worden gemaakt door verweerder als er geen familie- of gezinsleven bestaat tussen betrokkenen (zie opnieuw bijvoorbeeld de uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188).
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en zijn vader. Eiser heeft verklaard zijn ouders ongeveer twee à drie keer per week te bezoeken en hen te helpen met boodschappen en het tillen van zware spullen. Daarnaast gaat eiser soms met zijn vader mee naar het ziekenhuis vanwege zijn diabetes. Verder belt eiser dagelijks zijn ouders op om te vragen hoe het met hen gaat en zijn moeder belt hem soms op om hulp te vragen. Verweerder heeft ten aanzien hiervan terecht gesteld dat hier weliswaar uit blijkt dat eiser zijn ouders ondersteunt, maar dat dit onvoldoende is om aan te nemen dat zij van hem afhankelijk zijn. Los van de vraag of eiser de medische problemen van zijn vader heeft onderbouwd, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de medische problemen van zijn vader maken dat sprake is van een afhankelijkheid. Hierbij heeft verweerder ook terecht betrokken dat de ouders van eiser ook kunnen terugvallen op eisers oudere broer en jongere zus, die eveneens in Nederland wonen. Eiser heeft verder geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit bijkomende elementen van afhankelijkheid zouden kunnen blijken.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee voldoende gemotiveerd dat een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie van eiser met zijn ouders niet aannemelijk is geworden. Verweerder heeft daarom terecht bepaald dat geen sprake is van beschermenswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Verweerder had dan ook geen belangenafweging hoeven te maken. De beroepsgrond slaagt niet.
Privéleven
4. Eiser betoogt dat verweerder de belangenafweging in het kader van zijn privéleven van artikel 8 van het EVRM ten onrechte in het nadeel van eiser heeft laten uitvallen. Daartoe voert eiser aan dat hij geen privéleven in Pakistan heeft maar wel in Nederland. Verweerder heeft ten onrechte teveel gewicht toegekend aan de omstandigheid dat hij de eerste helft van zijn leven in Pakistan heeft gewoond en dat hij het Urdu beheerst. Volgens eiser heeft hij juist de belangrijkste en meest vormende jaren van zijn leven in Nederland gewoond. Hierdoor is hij ook verwesterd. Sinds zijn vertrek heeft eiser Pakistan slechts eenmaal voor een bruiloft bezocht. Daarnaast wonen zijn ouders en andere familieleden ook in Nederland. In Pakistan heeft eiser niemand meer. Met zijn ooms heeft hij vanwege een ruzie geen contact meer en zijn neef heeft hij voor het laatst in 2015 gesproken. Volgens eiser loopt hij vanwege die ruzie ook gevaar in Pakistan. Ook wijst eiser erop dat hij in Pakistan geen werk kan krijgen. In Nederland draagt eiser belasting af en heeft hij geen beroep gedaan op een uitkering, zodat verweerder ten onrechte het economisch belang in het nadeel van eiser heeft laten meewegen. Ook heeft eiser zich wel degelijk aan de regels gehouden omdat hij toestemming had om te werken. Tijdens de zitting heeft hij hier nog aan toegevoegd dat hij inmiddels een relatie van drie jaar heeft en met zijn partner in [locatie] woont, waar hij ook ingeschreven staat.
Verweerder heeft aangenomen dat eiser in Nederland privéleven heeft in de zin van artikel 8 van het EVRM en heeft een belangenafweging gemaakt tussen enerzijds het belang van eiser bij voortzetting van zijn privéleven in Nederland en anderzijds het Nederlands algemeen belang bij het niet toestaan van verblijf aan eiser in Nederland. Die belangenafweging is in het nadeel van eiser uitgevallen. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling over de toetsing van een dergelijke belangenafweging, bijvoorbeeld de uitspraak van 25 augustus 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2485), volgt dat de rechter moet toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, als dit het geval is, of hij zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen het belang bij voortzetting van het privéleven van de vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in het nadeel van eiser uitvalt. Daarbij heeft verweerder kunnen meewegen dat eiser in Pakistan is geboren en opgegroeid, daar school heeft gevolgd en – anders dan eiser zelf betoogt – in ieder geval een deel van zijn vormende jaren in Pakistan heeft verbleven. Verweerder heeft zich daarom niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat van eiser mag worden verwacht dat hij, mede gelet op de werkervaring die hij in Nederland als kok (gespecialiseerd in de Pakistaanse en Indiase keuken) en het feit dat hij het Urdu vloeiend beheerst, zijn leven daar weer kan opbouwen. Verweerder heeft zich in dit verband terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er in Pakistan geen werk voor hem is en dat hij met zijn stelling daarover bovendien een beroep doet op de algemene (arbeids)situatie in Pakistan, die weinig verband houden met zijn specifieke situatie. Dat de Indiase en Pakistaanse keuken in Nederland afwijkt van die in Pakistan, maakt dit niet anders. De rechtbank begrijpt dat het enige tijd kan kosten voor eiser om zich de lokale keuken weer eigen te maken, maar dit betekent niet dat eiser daarom geen werk als kok in Pakistan kan vinden.
Ook heeft verweerder meewegen dat eiser in Nederland weliswaar een mbo-opleiding niveau 1 heeft gevolgd, maar dat hij deze niet heeft afgerond. De enkele, niet-onderbouwde stelling van eiser dat hij zou zijn verwesterd, heeft verweerder niet in eisers voordeel hoeven meewegen. De rechtbank betrekt daarbij ook dat uit het rechtbankdossier blijkt dat eiser het inburgeringsexamen niet heeft behaald.
Hoewel verweerder in het geval van eiser het Nederlands economisch belang – vanwege zijn eerdere verblijfsvergunning – minder zwaar heeft laten meewegen, heeft verweerder daarnaast ook kunnen meewegen dat eiser een maandelijks bruto-inkomen van € 716,- verdient en dit onder het normbedrag ligt. Dat eiser werkt en niet eerder een uitkering heeft ontvangen, maakt dit niet anders. In dit kader heeft verweerder niet ten onrechte gesteld dat niet uitgesloten is dat eiser een beroep moet doen op de door de overheid betaalde algemene (schaarse) voorzieningen, zoals huisvesting en gezondheidszorg, en dat dit zwaar in het nadeel van eiser weegt. Hoewel eiser heeft aangevoerd dat hij nooit een beroep op een uitkering heeft gedaan, heeft hij niet betwist dat hij een aantal maanden zijn zorgverzekering niet heeft betaald en het CAK daarom uiteindelijk betrokken raakte. Dit wijst in elk geval in de richting van een eerder beroep op de openbare kas. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiser graag bij zijn familie in Nederland wil zijn, heeft verweerder niet ten onrechte betrokken dat eiser ook vanuit Pakistan telefonisch contact met zijn ouders kan onderhouden.
Verweerder heeft op grond van de hierboven genoemde omstandigheden een groter gewicht kunnen hechten aan het algemeen belang van Nederland dan aan het belang van eiser om in Nederland te blijven. Verweerder heeft daarom de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM niet ten onrechte in het nadeel van eiser laten uitvallen. De beroepsgrond slaagt niet.
Inreisverbod
5. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte een inreisverbod aan hem heeft opgelegd. Volgens eiser kan zijn familie in Nederland hem vanwege de familieruzie in Pakistan niet bezoeken. Daarnaast is het onzeker of verweerder aan eiser een visum zal verstrekken om zijn familie in Nederland te bezoeken, aangezien er volgens eiser gegronde redenen zijn om aan te nemen dat hij niet tijdig naar Pakistan zal terugkeren.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht aan eiser een inreisverbod opgelegd. Verweerder heeft op 8 juli 2020 aan eiser een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van vier weken opgelegd. Gelet op artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 was verweerder dan ook gehouden om aan eiser het inreisverbod op te leggen. De niet onderbouwde stelling dat eisers familie hem vanwege de familieruzie niet in Pakistan kan bezoeken, rechtvaardigt niet de conclusie dat van het opleggen van het inreisverbod had moeten worden afgezien. De rechtbank verwijst in dit kader ook naar de overwegingen hierboven over artikel 8 van het EVRM. De onzekerheid of verweerder in de toekomst aan eiser een visum zal verstrekken voor bezoek aan Nederland, is geen grond voor het afzien van het opleggen van een inreisverbod. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.