RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.12460
(gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen),
en
(gemachtigde: mr. H.M.N. van Dooren).
1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 30a van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Het beroep is gegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 20 januari 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2007. De minister heeft met het besluit van 10 maart 2025 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 10 maart 2025 (het bestreden besluit).
De rechtbank heeft het beroep op 14 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Bahban als tolk en de gemachtigde van de minister.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen twee weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht twee weken later uitspraak te doen.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser heeft voor het eerst in Nederland een asielaanvraag ingediend op 7 februari 2024. Op 24 mei 2024 heeft een medewerker van [bedrijf] de minister bericht dat eiser zijn asielaanvraag wil intrekken, omdat hij overgedragen wil worden aan Zweden; het land waar hij een verblijfsvergunning heeft. Op 9 juli 2024 heeft eiser daartoe ook een verklaring ondertekend.
4. Daarna zijn de moeder en het zusje van eiser naar Nederland gekomen. Zij hebben op 24 juli 2024 een asielaanvraag ingediend. Op 20 januari 2025 heeft eiser opnieuw een asielaanvraag ingediend.
5. De minister heeft de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat uit informatie van de Zweedse autoriteiten blijkt dat eiser sinds 9 februari 2021 internationale bescherming heeft in Zweden. Volgens de minister is ook voldaan aan de
voorwaarden in artikel 3.106a, eerste, tweede en derde lid, van het Vreemdelingenbesluit
2000 (Vb). Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag er namelijk vanuit
worden gegaan dat Zweden de verplichtingen uit het Vluchtelingenverdrag, artikel 3 van
het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het
EVRM) en artikel 3 van het Antifolterverdrag naleeft. Ook heeft eiser, nu hij internationale
bescherming heeft in Zweden, een zodanige band met Zweden dat het voor hem redelijk
is om naar dat land te gaan. Dat de band met Zweden sterker is dan de band met Nederland, blijkt volgens de minister ook uit het feit dat eiser zijn eerste asielaanvraag heeft ingetrokken, omdat hij zijn vrienden en school in Zweden miste. Verder mag volgens de minister van eiser worden verlangd dat hij naar Zweden gaat, ondanks dat zijn moeder inmiddels in Nederland verblijft. De minister wijst er daartoe op dat eiser inmiddels meerderjarig is en dat allerminst zeker is dat zijn moeder in Nederland rechtmatig verblijf zal krijgen. Ook blijkt uit de verklaringen van de moeder van eiser dat eiser op 12-jarige leeftijd naar Zweden is gestuurd, waar hij is opgenomen in een pleeggezin. Gelet hierop, en het aanzienlijke tijdsverloop, is de feitelijke gezinsband volgens de minister verbroken.
Onduidelijkheid over de procedure
6. Eiser voert aan dat de minister onduidelijkheid heeft veroorzaakt over of zijn eerste asielprocedure nog liep. Hij heeft zijn huidige asielaanvraag hierdoor pas later ingediend, op een moment dat hij al meerderjarig was. Volgens eiser betekent dit dat hij in zijn belangen is geschaad. Bij de behandeling van zijn asielaanvraag is het namelijk voor hem gunstiger als hij als minderjarig wordt aangemerkt.
7. De rechtbank oordeelt als volgt. De minister mocht er op basis van de mail van de medewerker van [bedrijf] van 24 mei 2024 en de verklaring van eiser van 9 juli 2024 vanuit gaan dat eiser zijn eerste asielaanvraag had ingetrokken. Dat het daarna voor eiser onduidelijk was of deze asielaanvraag toch nog liep, komt niet voor rekening en risico van de minister. De beroepsgrond slaagt niet.
Geen medische behandeling in Zweden
8. Eiser stelt dat de Zweedse autoriteiten zich met betrekking tot de gezondheidszorg niet aan de internationale verplichtingen houden, onder andere artikel 30, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn. Eiser voert daartoe aan dat hij een erfelijke botziekte heeft, waarvoor hij in Nederland onder medische behandeling staat. Hij heeft daarvoor ook recent een ingrijpende operatie ondergaan. Eiser heeft ter onderbouwing daarvan medische stukken overgelegd. In Zweden heeft hij deze medische behandeling niet gekregen, waardoor hij jarenlang in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie heeft gezeten. Volgens eiser maakt het feit dat hij destijds minderjarig was en onder toezicht stond, dit nog kwalijker. De minister stelt in het bestreden besluit te gemakkelijk dat eiser (als minderjarige) in Zweden over het gebrek aan medische behandeling had moeten klagen bij zijn pleegouders, arts / behandelaar of het ziekenhuis.
9. De rechtbank overweegt als volgt. De gemachtigde van eiser heeft op de zitting erkend dat het moeilijk is om aan te tonen dat er in Zweden iets (zorg die nodig was) niet is geweest. De rechtbank ziet in het dossier geen aanknopingspunten dat eiser in Zweden heeft aangedrongen op een medische behandeling, en dat dit hem is onthouden. De minister heeft er terecht op gewezen dat eiser in het aanmeldgehoor (p. 9) heeft verklaard dat het mogelijk was om naar een arts te gaan. De minister heeft in aanvulling daarop op de zitting terecht opgemerkt dat niet is gebleken dat eiser met de Zweedse jeugdzorg heeft besproken dat hij zorg nodig had. De rechtbank ziet in het dossier ook geen aanknopingspunten dat de (ernst van) de medische situatie van eiser destijds zo duidelijk was, dat hem zonder zijn aandringen zorg geboden had moeten worden. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank eiser niet in zijn betoog dat de Zweedse autoriteiten zich niet aan hun internationale verplichtingen houden. De minister mocht dus wijzen op het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Zweden, en op grond daarvan aannemen dat eiser bij terugkeer naar Zweden de nodige medische zorg kan krijgen. De beroepsgrond slaagt niet.
Band met Zweden
10. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte heeft geconcludeerd dat zijn band met Zweden sterker is dan die met Nederland. Uit artikel 3.106a, derde lid, van het Vb blijkt dat bij de beoordeling of sprake is van een band alle relevante feiten en omstandigheden moeten worden betrokken. Volgens eiser is sprake van omstandigheden die maken dat zijn band met Nederland sterker is. Eiser heeft inderdaad een aantal jaren in Zweden gewoond, maar woont ook al ruim een jaar (sinds 5 februari 2024) in Nederland. Verder zijn de moeder en het zusje van eiser sinds 24 juli 2024 in Nederland, en eiser woont nu bij hen. In Zweden heeft eiser geen familie, waardoor hij in een pleeggezin moest verblijven. Het is eiser ook niet bekend of zijn verblijfsvergunning in Zweden, die geldig was tot 10 maart 2024, is verlengd.
11. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is alleen al omdat een vreemdeling in een lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet, sprake van een zodanige band met die lidstaat dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan. Van dit uitgangspunt moet de minister afwijken als sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die tot een andere conclusie leiden. Zo staat in artikel 3.106a, derde lid, van het Vb dat bij de beoordeling of sprake is van een band als bedoeld in het tweede lid, alle relevante feiten en omstandigheden betrokken moeten worden, waaronder de aard, duur en omstandigheden van het eerdere verblijf. Ook het belang van het kind moet betrokken worden (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:326).
12. De rechtbank oordeelt dat de minister bij de beoordeling van de band van eiser met Zweden terecht van belang heeft geacht dat eiser in Zweden internationale bescherming heeft. Hierdoor is het uitgangspunt dat de band van eiser met Zweden sterker is dan die met Nederland en dat het voor eiser redelijk zou zijn om naar Zweden te gaan. Dat onzeker is of de verblijfsvergunning van eiser in Zweden is verlengd, maakt dat uitgangspunt niet anders. Het verlopen van een verblijfdocument betekent namelijk niet dat de internationale bescherming is ingetrokken.
De minister heeft echter niet deugdelijk gemotiveerd waarom in het geval van eiser geen sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden, die maken dat van het uitgangspunt moet worden afgeweken. De minister heeft aan eiser tegengeworpen dat hij zijn eerste asielaanvraag heeft ingetrokken, omdat hij zijn vrienden en school in Zweden miste, en dat dit erop wijst dat de band van eiser met Zweden sterker is. Uit het dossier blijkt echter dat de moeder en het zusje van eiser kort na de intrekking van zijn eerste asielaanvraag naar Nederland zijn gekomen. Uit het aanmeldgehoor blijkt dat eiser na hun aankomst besefte dat hij toch bij hen in Nederland wilde blijven. Uit het aanmeldgehoor blijkt ook dat eiser van juli 2024 tot en met januari 2025 bij zijn familie in [plaats] heeft gewoond. Eiser verklaart dat hij niet wist dat hij een nieuwe asielaanvraag moest indienen. Hij is daarom pas in januari 2025 op advies van de casemanager naar [locatie] is gegaan om een asielaanvraag in te dienen. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de intrekking van de eerste asielaanvraag van eiser daarom niet worden afgeleid dat zijn band met Zweden sterker is. De rechtbank acht verder van belang dat eiser nog minderjarig was op het moment dat zijn moeder en zusje naar Nederland kwamen, en dat eiser bij hen in gezinsverband is gaan wonen. De minister heeft deze omstandigheden, met de opmerking dat eiser inmiddels meerderjarig is, onvoldoende betrokken. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de gezinsband niet zou zijn hersteld. De beroepsgrond slaagt.
Artikel 8 van het EVRM en artikel 64 van de Vw
13. Eiser voert aan dat de minister toepassing had moeten geven aan artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser behoort namelijk feitelijk tot het gezin van zijn moeder en zusje, en zij leven samen in Nederland in gezinsverband. Volgens eiser had de minister ook moeten beoordelen of hij in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat het kan zijn dat de minister niet ambtshalve hoeft te toetsen aan artikel 8 van het EVRM en artikel 64, van de Vw, maar dat daarvoor wel de mogelijkheid bestaat. De minister moet daarom volgens eiser wel motiveren waarom hij van die mogelijkheid geen gebruik maakt.
14. De rechtbank overweegt als volgt. De asielaanvraag van eiser is niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a van de Vw. Uit artikel 3.6a, tweede lid, en artikel 6.1e, tweede lid, van het Vw volgt dat de minister in dat geval in de asielprocedure niet ambtshalve aan artikel 8 van het EVRM en artikel 64 van de Vw toetst. De minister hoefde bij gebrek aan een ambtshalve bevoegdheid niet te motiveren waarom hij de aanvraag niet ambtshalve op artikel 8 van het EVRM en artikel 64 van het Vw heeft beoordeeld. Dit volgt onder meer uit de uitspraken van de Afdeling van 2 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2668, r.o. 8.3 en 9 en van 18 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2374, r.o. 3.2. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
15. Gelet op wat in r.o. 12 is overwogen, heeft de minister de aanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 10 maart 2025;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 5 juni 2025
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.