RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[verzoeker], verzoeker
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.23505 en NL26.23506
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Dogan),
en
(gemachtigde: mr. J. Visschers).
Procesverloop
Bij besluit van 24 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan verzoeker een overdrachtsbesluit opgelegd op de grond dat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer NL26.23506.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van verzoeker is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft op 28 mei 2026 het onderzoek heropend en verweerder in de gelegenheid gesteld een standpunt in te nemen over de gestelde minderjarigheid van verzoeker en welke gevolgen dit heeft voor het bestreden besluit.
Verweerder heeft op 2 juni 2026 aan de rechtbank laten weten dat het bestreden besluit is ingetrokken en geen aanleiding te zien de proceskosten te vergoeden.
Verzoeker heeft op 18 juni 2026 zijn beroep en verzoek om een voorlopige voorziening te treffen ingetrokken, met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. Omdat het verzoek om proceskostenveroordeling gelijktijdig is gedaan met de intrekking van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening, is verzoeker ontvankelijk in zijn verzoek.
3. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten veroordelen.
4. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) dat verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten wordt veroordeeld als verweerder tegemoet is gekomen of als het belang anderszins door toedoen van verweerder is vervallen (uitspraak van 12 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:570). Bij intrekking of wijziging van een besluit vanwege nieuwe feiten of omstandigheden of vanwege nadien verkregen, buiten de onderzoekslast van het bestuursorgaan vallende informatie is geen sprake van tegemoetkomen (uitspraak van 18 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1816).
5. De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling (M110) van 20 april 2026 volgt dat verzoeker heeft bevestigd meerderjarig te zijn en niet in het bezit te zijn van een identificerend document. Verzoeker heeft pas op 26 mei 2026 – en bovendien pas twee dagen voor de zitting van 28 mei 2026 – voor het eerst een bericht aan het rechtbankdossier heeft toegevoegd waarin hij stelt minderjarig te zijn. Verzoeker heeft daarbij (enkel) een kopie van de voorzijde van zijn identiteitskaart overgelegd, waarop zijn geboortedatum niet stond vermeld. Pas na nader onderzoek van verweerder is hij bekend geraakt met de achterzijde van de identiteitskaart, waar de geboortedatum van verzoeker op stond vermeld en verzoeker – in tegenstelling tot hetgeen hij zelf eerder had verklaard – minderjarig bleek te zijn. Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van tegemoetkomen door verweerder. Het gaat namelijk om intrekking van een besluit vanwege nadien verkregen, buiten de onderzoekslast van verweerder vallende informatie. Er is daarom geen aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.