RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.54636
v-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. M. Pater),
en
(gemachtigde: mr. L. Ploeger).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van bewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. De minister heeft eiser op 15 september 2026 op grond van artikel 59a van de Vw in bewaring gesteld en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 25 september 2026 op zitting behandeld. Eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister zijn op de rechtbank in Groningen verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan de vreemdeling op wie de AMbV van toepassing is in bewaring stellen met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat. Bewaring is alleen aan de orde als er een onderduikrisico bestaat of als dat noodzakelijk is ter bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wanneer er sprake is van een onderduikrisico, als ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. Er moet een individuele beoordeling plaatsvinden van de situatie van de betrokken persoon. De bewaring moet evenredig zijn en er moeten geen andere, minder dwingende alternatieve maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. De bewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, als deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring.
De aan eiser opgelegde maatregel van bewaring
4. Volgens de minister is de bewaring nodig, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de AMbV en er een onderduikrisico bestaat.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij hij zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Voortraject
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de vreemdelingrechtelijke procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
6. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59a van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Er bestaat een concreet aanknopingspunt voor een overdracht zoals bedoeld in de AMbV. Op 17 augustus 2026 heeft de minister een claimverzoek ingediend bij de Duitse autoriteiten. Op 19 augustus 2026 heeft Duitsland het claimverzoek geaccepteerd. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
7. Eiser heeft op de zitting alle gronden betwist.
In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding om de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden onvoldoende te achten. Eiser stelt dat grond a ten onrechte aan hem is tegengeworpen omdat hij hier als asielzoeker is gekomen en dat daarom niet van hem kan worden verwacht dat hij een paspoort, visum of een machtiging tot voorlopig verblijf aanvraagt. De rechtbank is van oordeel dat deze grond feitelijk juist is. Eiser heeft verklaard zonder geldig reisdocument Nederland te zijn ingereisd. Eiser heeft verklaard dat hij zijn documenten bij een vriend in Frankrijk heeft laten liggen. Daarnaast heeft eiser verklaard in meerdere landen asiel te hebben aangevraagd. Eiser beweegt zich dus ook zonder toestemming tussen de lidstaten en heeft ook geen melding gedaan van zijn illegale verblijf. Eiser heeft namelijk op 8 augustus 2026 een asielaanvraag ingediend nadat hij eerder Nederland was ingereisd. Verder is de rechtbank van oordeel dat ook grond c terecht aan eiser is tegengeworpen. Eiser heeft verklaard dat hij zijn documenten bij een vriend in Frankrijk heeft achtergelaten en dat hij niets heeft ondernomen om alsnog aan deze of aan nieuwe documenten te komen. Dat eiser stelt dat hij over zijn identiteit heeft verklaard en dat de gegevens die hier bekend zijn de juiste zijn, doet aan de feitelijke juistheid van deze grond niet af. Daarnaast stelt eiser dat grond p ten onrechte aan hem is tegengeworpen. Eiser meent dat hij door asiel aan te vragen, zich niet aan het toezicht onttrekt. De rechtbank is van oordeel dat grond p terecht aan eiser is tegengeworpen. Eiser is niet in het bezit van identificerende documenten en heeft geen melding gemaakt van zijn illegale verblijf. Daarnaast zijn grond r en s terecht aan eiser tegengeworpen. Eiser staat niet ingeschreven in de BRP en heeft geen vaste woon- of verblijfplaats. Daarnaast beschikt eiser niet over voldoende middelen van bestaan. Dat eiser stelt dat deze gronden inherent zijn aan de positie van asielzoekers, doet aan de feitelijke juistheid van deze gronden niet af. Daarnaast zijn de inkomsten die eiser zegt te genereren door het verkopen en opknappen van fietsen, niet nader onderbouwd. Ook is het onderduikrisico bij de gronden p, r en s voldoende gemotiveerd.
Lichter middel
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het onderduikrisico is gegeven. Dat eiser stelt dat hij in vrijheid wil meewerken aan zijn overdracht, maakt dit oordeel niet anders.
Ook is de rechtbank niet gebleken van medische omstandigheden dan wel persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien om eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. Ten aanzien van de medische omstandigheden van eiser heeft de minister in de maatregel erop gewezen dat binnen de detentie- en uitzetcentra gespecialiseerde zorg beschikbaar is. In dit verband heeft de minister terecht gesteld dat de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij.
Voortvarendheid en zicht op overdracht
9. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten om te oordelen dat er onvoldoende voortvarend wordt gehandeld en dat zicht op overdracht ontbreekt. De minister heeft ter zitting toegelicht dat er een vlucht voor eiser is aangevraagd naar Hannover. De verwachte overdrachtsdatum is 7 oktober 2026. Daarnaast is eisers asielaanvraag op 17 september 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor deze aanvraag. Ook is er op 24 september 2026 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. De rechtbank acht deze gang van zaken voldoende voortvarend en oordeelt dat er zicht op overdracht bestaat.
Conclusie en gevolgen
10. De rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding om de bewaring op enig moment onrechtmatig te achten.
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Wetterauw, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.