ECLI:NL:RBDHA:2026:28828

ECLI:NL:RBDHA:2026:28828

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 18-09-2026
Datum publicatie 30-09-2026
Zaaknummer NL26.52258 en NL26.52974
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Eerste beroep, artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Beroep tevens tegen terugkeerbesluit en inreisverbod. Lichter middel. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser], eiser,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.52258 (maatregel van bewaring) en NL26.52974 (terugkeerbesluit en inreisverbod)

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. E. Schoneveld),

en

(gemachtigde: mr. A.E. van Midden).

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Ook het terugkeerbesluit en inreisverbod zijn niet onrechtmatig opgelegd. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 6 september 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

Op 6 september 2026 is aan eiser tevens een terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd.

De rechtbank heeft het beroep op 14 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.

Wat betrekt de rechtbank in haar beoordeling?

4. Eiser stelt de Ghanese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1989. Omstreeks 24 november 2025 is eiser naar Nederland gekomen met een visum. Hij heeft een tweeling van drie jaarin Ghana en werkte in Ghana als chauffeur. Daarna had hij geen werk meer. Hij had van zijn moeder land geërfd en die heeft hij verkocht om hierheen te komen. Hij heeft verklaard van Nederland te houden. Op 6 september 2026 om 12:38 uur is eiser op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw opgehouden omdat zijn identiteit niet onmiddellijk kon worden vastgesteld. Er is geen gebruik gemaakt van handboeien of andere dwangmiddelen. Om 19:16 uur diezelfde dag is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vw in vreemdelingenbewaring gesteld. Aan hem is een terugkeerbesluit met onthouding van de vertrektermijn en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

Voortraject van de bewaringsmaatregel

Ophouding

5. Eiser voert aan dat de ophouding zes uur mag duren en dat die termijn afliep op 18:38 uur. Hij is echter pas rond 19:00 in bewaring gesteld. Dat is een overschrijding, en dat maakt dat de ophouding op grond van artikel 50 van de Vw onrechtmatig is geweest.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt. De ophouding mag ingevolge artikel 50, tweede lid, van de Vw niet langer dan zes uur duren, waarbij de tijd tussen middernacht en negen uur ’s morgens niet wordt meegerekend. De termijn van de ophouding vangt aan op het moment dat eiser op een plaats bestemd voor verhoor is aangekomen. Uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek blijkt dat de ophouding van eiser is aangevangen op 6 september 2026 om 13:05 uur. Toen kwam eiser aan op de plek van verhoor. De ophouding heeft geduurd tot 19:16 uur diezelfde dag, omdat eiser toen in vreemdelingenbewaring is gesteld. De maximum duur van zes uur is daarmee overschreden met elf minuten. Dit heeft verweerder ook erkend. Daarom is er in die zin sprake van een gebrek.

Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 2 september 2024 volgt dat de onrechtmatigheid van de ophouding de daaropvolgende inbewaringstelling slechts onrechtmatig maakt, indien de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en daardoor geschonden belangen. Bij de afweging van de betrokken belangen is de rechtbank van oordeel dat het gebrek, zijnde de elf minuten, niet kan leiden tot de conclusie dat de daaropvolgende inbewaringstelling onrechtmatig is. De overschrijding is relatief gering, en gelet op dat verweerder heeft kunnen vinden dat er een onderduikrisico bestaat - zie hierna - dan wel dat eiser de vertrek- en uitzettingsprocedure belemmert. Het voorgaande maakt dat de belangenafweging bij het gebrek in het voordeel van verweerder uitvalt.

Tolk

6. Eiser voert aan dat hij is gehoord met behulp van een niet beëdigde tolk in de taal Twi. Uit het proces-verbaal van ophouding volgt dat een beëdigde tolk in de taal Twi zou ontbreken in het tolkenregister, en dat om die reden gebruik is gemaakt van een niet beëdigde tolk in de taal Twi. Uit het register blijkt echter dat er twee beëdigde tolken in de taal Twi geregistreerd staan. Als niet van een beëdigde tolk gebruik wordt gemaakt, moet met redenen omkleed worden waarom daar niet op gewacht is. Daarnaast heeft de tolk die eiser heeft bijgestaan geen verklaring omtrent goed gedrag (VOG) overgelegd.

De rechtbank oordeelt als volgt. Allereerst heeft zij geen reden om te twijfelen aan de stelling van eisers gemachtigde dat er wel twee beëdigde tolken Twi in het register staan. Verweerder heeft dat ook niet betwist. Dat in het proces-verbaal van ophouding staat dat er geen beëdigde tolk in de taal Twi staat, is dan ook niet juist. Evenmin blijkt uit het dossier dat de tolk een VOG heeft overgelegd. Dit levert tweemaal een gebrek op. De rechtbank passeert echter deze gebreken op grond van artikel 6:22 Awb, nu eiser niet heeft aangevoerd dat hij de niet beëdigde tolk Twi niet heeft kunnen verstaan of zich niet verstaanbaar heeft kunnen te maken en dit evenmin uit het dossier volgt. Gelet op het voorgaande maken deze gebreken niet dat de bewaring onrechtmatig is.

De beroepsgrond slaagt niet.

Consulaire bijstand

7. Eiser voert aan dat hij heeft aangegeven dat hij rechtsbijstand wenst. Verweerder is hem daarin niet tegemoet gekomen. Onder verwijzing naar een Afdelingsuitspraak van 2020 voert eiser aan dat als een vreemdeling om consulaire bijstand verzoekt dat verweerder zich moet inspannen om dat zo spoedig mogelijk te regelen. Dit heeft hij ook laten weten bij zijn strafrechtelijke ophouding.

De rechtbank oordeelt als volgt. Bij het eerste gehoor bij de ophouding op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw is aan eiser meegedeeld dat hij bijstand kon krijgen. Hij heeft toen aangegeven hier geen gebruik van te willen maken. Bij het gehoor bij oplegging van de bewaring van maatregel is eiser er nogmaals op gewezen. Toen heeft hij wel laten weten consulaire vertegenwoordiging te willen, van Ghana. Nadat eiser dat heeft aangegeven, heeft verweerder die informatie aan de regievoerder overgelegd, zo heeft verweerder ter zitting verklaard. Daarnaast is er een lp-procedure opgestart, waaruit blijkt dat eisers informatie wordt gedeeld met het consulaat. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat verweerder heeft voldaan aan de inspanningsverplichting op grond 36, eerste lid, aanhef en onder b, van het Verdrag van Wenen. Daarnaast wijst de rechtbank erop dat eiser ook zelf contact had kunnen opnemen met de consulaire vertegenwoordiging als hij dat wenste, eerder dan dat nu door verweerder is gedaan. Hij is immers op dat recht en dus die mogelijkheid meerdere malen gewezen. Tot slot heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat hij zodanig in zijn belangen zou zijn geschaad dat hierdoor de maatregel onrechtmatig moet worden geacht. Daarbij weegt mee dat hij is bijgestaan door een advocaat.

De beroepsgrond slaagt niet.

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

Gronden

8. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:

b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Eiser heeft de gronden (b), (h), (r) en (s) betwist. Ter zitting heeft verweerder de gronden (b) en (h) laten vallen. De grond (p) is door eiser niet betwist en kan ook naar het oordeel van de rechtbank ten grondslag aan de maatregel liggen. Wat betreft de overige twee gronden: voor grond (s) geldt dat bepalend is voor de feitelijke juistheid van deze grond over welk inkomen de vreemdeling zelfstandig beschikt. Eiser heeft aangevoerd dat zijn vriendin in Nederland duurzaam inkomsten heeft en heeft daartoe loonstroken overgelegd. Eiser heeft echter niet aangetoond dat hij over dit geld beschikt dan wel kan gaan beschikken. Gelet op de feitelijke juistheid van grond (p), die niet is betwist, en het feit dat verweerder de grond (s) tevens aan de maatregel ten grondslag heeft kunnen leggen, komt de rechtbank gelet op het onder rechtsoverweging 3 toegelichte dat de gronden de maatregel kunnen dragen.

Lichter middel

9. Omdat eiser heeft toegelicht dat hij zich beschikbaar kan houden voor de autoriteiten door op het adres van zijn vriendin te verblijven had verweerder aanleiding moeten zien om een lichter middel toe te passen. Ook heeft de gemachtigde van eiser laten weten dat zij contact heeft gehad met iemand van de Internationale Organisatie van Migratie (IOM). In dat gesprek is gemachtigde geïnformeerd dat eisers terugkeer - met de bedoeling om vanuit Ghana een mvv-procedure op te starten - opgestart kan worden.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Zoals eerder geoordeeld heeft verweerder kunnen vinden dat er voldoende redenen zijn voor het oordeel dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij zijn terugkeer wil organiseren door eerst te werken om zo zijn terugkeer te kunnen bekostigen. In beroep heeft hij verklaard dat hij een vriendin heeft en zijn vriendin geld verdient, en hem financieel zou kunnen helpen bij zijn terugkeer, maar hij heeft dit onvoldoende aangetoond of aannemelijk gemaakt, door hier bij zijn verhoren niet over te verklaren terwijl hij daartoe wel in de gelegenheid is gesteld. Uit het dossier blijkt overigens ook niet dat verweerder aanleiding had moeten zien om een lichter middel op te leggen. Zo heeft eiser onder meer verklaard geen medische problemen te hebben.

De beroepsgrond slaagt niet.

Het beroep tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod (NL26.52974)

10. Ten aanzien van het terugkeerbesluit dat aan eiser is opgelegd voert hij aan dat uit artikel 12, derde lid, van de Terugkeerrichtlijn volgt dat lidstaten een informatieplicht hebben jegens de vreemdeling. In de zaak van eiser heeft verweerder mondelinge toelichting gegeven op het terugkeerbesluit en is aan hem een informatieblad met daarop een QR-code met nadere informatie uitgereikt. Omdat eiser in detentie zit heeft hij geen toegang tot internet. Daardoor heeft verweerder de informatieplicht geschonden.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zijn informatieplicht niet heeft geschonden. De rechtbank constateert dat er in het besluit staat uitgelegd hoe eiser in beroep kan en eiser heeft niet betwist dat dit hem mondeling is toegelicht. Verder staat onderaan het besluit een QR-code met nadere informatie. Eiser heeft niet aangetoond dat hij geen toegang tot de informatie in de QR-code heeft gehad. Bovendien heeft eiser een gemachtigde, beroep ingesteld en was op de zitting aanwezig. Ook daaruit blijkt dat eiser volledig op de hoogte is van al zijn rechten en dus voldoende is geïnformeerd.

11. Daarnaast voert eiser aan dat het opleggen van een inreisverbod in strijd is met zijn in Nederland opgebouwde familieleven. Eiser heeft duidelijk naar voren gebracht dat hij in Nederland een partner heeft en bij haar wil wonen. Met een inreisverbod kan hij zijn partner niet bezoeken, wat in strijd is met het EVRM.

De rechtbank oordeelt als volgt. Verweerder heeft aan eiser een inreisverbod kunnen opleggen. Uit de in beroep overgelegde verklaring van eisers gestelde vriendin blijkt weliswaar dat ze elkaar al sinds december van 2025 kennen en een relatie hebben. Eiser heeft echter tijdens zijn gehoor niet verklaard dat hij familie dan wel een relatie in Nederland heeft, terwijl hij daartoe wel in de gelegenheid is gesteld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een beschermingswaardig gezins- of familieleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft er daarbij op gewezen dat, als eiser later problemen ervaart in verband met de mvv-aanvraag, hij dan om opheffing van het inreisverbod kan verzoeken. Dat ligt nu niet ter toetsing voor.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

12. Ook ambtshalve toetsend is de rechtbank niet gebleken dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is opgelegd dan wel voortduurt. Er is ook niet gesteld of gebleken dat het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen de terugkeer van eiser.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

14. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934 en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Broekhof, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Schelhaas, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E. Broekhof

Griffier

  • mr. M.J. Schelhaas

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand