RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.52173
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. T. Esen),
en
(gemachtigde: mr. A.E. van Midden).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 4 september 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 14 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Inleiding
3. Eiser stelt de Turkse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1999.
Eiser is op 4 september 2026 aangekomen vanuit Athene met escorte. Hij is door de Griekse autoriteiten overgedragen in het kader van de Asiel- en Migratiebeheerverordening (AMBV). Het terugnameverzoek van de Griekse autoriteiten is door Nederland geaccordeerd. In Nederland heeft eiser op diezelfde dag asiel aangevraagd. Ondanks dat eiser nu Nederland gereguleerd is binnengekomen, kan aan hem een eerdere onrechtmatige grensoverschrijding worden tegengeworpen. De vorige asielaanvraag van eiser dateert van 19 oktober 2025. Eiser is toen zonder de procedure af te wachten op 11 maart 2026 met onbekende bestemming (mob) vertrokken.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Ten aanzien van eiser is volgens verweerder gebleken dat er sprake is van een onderduikrisico en dat hij de voorbereiding van het vertrek of uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Dat blijkt volgens verweerder uit de volgende feiten:
( a) eiser is Nederland niet op de voorgeschreven wijze binnengekomen of heeft een poging daartoe gedaan, waarbij hij zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
( b) eiser heeft eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij heeft daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg gegeven;
( p) eiser heeft zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 gehouden;
( r) eiser heeft geen vaste woon- of verblijfplaats;
( s) eiser beschikt niet over voldoende middelen van bestaan.
Eiser heeft aangevoerd dat grond (a) niet juist is omdat de datum van de eerste registratie van eiser in Nederland zoals die in het besluit staat, te weten 8 november 2024, niet klopt en nergens uit het dossier blijkt hoe verweerder aan die datum is gekomen. Eiser heeft verklaard dat hij pas in september of oktober 2025 in Nederland is gekomen en dat hij daarvoor nooit in Europa is geweest. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder uitgelegd dat er in het besluit een verschrijving met betrekking tot de datum bij de toelichting van grond (a) staat. De datum 8 november 2024 klopt niet en moet een datum in 2025 zijn. Wel blijft staan dat eiser eerder met een paspoort, maar zonder visum, Nederland is binnengekomen. Ook heeft eiser grond (p) betwist in die zin dat eiser op 19 oktober 2025 asiel heeft aangevraagd en vanaf dat moment op grond van artikel 8, onder f, van de Vw hangende de beoordeling van die aanvraag rechtmatig verblijf had. Daarom heeft hij niet in strijd met de verplichting als genoemd in artikel 4.39 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) gehandeld. Op de zitting heeft eiser tot slot aangevuld dat hij bij kennissen kan verblijven. De rechtbank begrijpt dat argument zo dat eiser betwist dat hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, zoals bedoeld in grond (r). Eiser heeft de gronden (b) en (s) niet betwist.
De rechtbank is van oordeel dat er voldoende gronden aan de maatregel ten grondslag liggen die de maatregel van bewaring kunnen dragen. Artikel 5.6 van het Vb schrijft voor dat er twee gronden vereist zijn. Nu eiser de gronden (b) en (s) niet heeft betwist, en de rechtbank ook ambtshalve toetsend van oordeel is dat verweerder deze gronden van toepassing op eiser heeft geacht, betekent dat dat de gronden de maatregel kunnen dragen.
Had verweerder een lichter middel moeten opleggen?
5. Eiser voert aan dat hij bij het gehoor dat aan de maatregel vooraf ging, uit eigen initiatief heeft laten weten dat hij kan verblijven bij een neef van zijn vader, dan wel een andere kennis, in Helmond. Dat eiser dus op een adres kan verblijven maakt dat een meldplicht een passend en voldoende alternatief voor vrijheidsontneming kan vormen. Daarnaast heeft eiser op zitting laten weten dat hij zich ervan bewust is dat als zijn asielaanvraag wordt afgewezen, hij naar Turkije zal moeten vertrekken. Eisers moeder heeft een kopie van zijn paspoort vanuit Turkije naar eiser verzonden. Het betreft enkel een kopie omdat het verzenden van een paspoort per post vanuit Turkije niet toegestaan is. Eiser geeft aan dat als hij uit bewaring mag, hij met zijn kopie paspoort bij het consulaat een paspoort wil regelen. Als hij bij vrienden dan wel kennissen kan verblijven, kan dit bespoedigd worden.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder geen lichter middel had hoeven opleggen. Daarbij heeft verweerder erop mogen wijzen dat eiser eerder opgenomen is geweest in de asielprocedure in Nederland waarbij een afwijzende beschikking is opgemaakt, hij de procedure niet heeft afgewacht, hij zich niet aan een geldig terugkeerbesluit heeft gehouden en hij onbereikbaar is geweest voor de Nederlandse autoriteiten door mob te vertrekken. Daarnaast maken de hierboven genoemde gronden dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom er een reëel risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Dat eiser nu verklaart terug te zullen keren in het geval van een afwijzende beschikking op zijn herhaalde asielaanvraag en dat hij in Helmond zou kunnen wonen gedurende zijn asielprocedure, maakt niet dat verweerder een lichter middel heeft moeten opleggen.
De beroepsgrond slaagt niet.
Zijn er andere redenen om de maatregel onrechtmatig te achten?
6. Ook ambtshalve toetsend is de rechtbank van oordeel dat de maatregel niet onrechtmatig aan eiser is opgelegd.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Broekhof, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Schelhaas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.