RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.51028
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),
en
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Procesverloop
Bij het besluit van 28 augustus 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser in de versnelde procedure buiten behandeling gesteld.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiser is geboren op [geboortedag] 2000 en heeft de Colombiaanse nationaliteit. Hij heeft eerder op 10 maart 2026 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Bij besluit van 1 juli 2026 is eisers asielaanvraag buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Ook is aan eiser een terugkeerbesluit en inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd. Het besluit is in rechte vast komen te staan, nu eiser geen rechtsmiddelen hiertegen heeft aangewend.
2. Op 4 augustus 2026 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend in Nederland. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de opvolgende asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw, omdat eiser niet is verschenen voor zijn gehoor op 24 augustus 2026 en geen reden voor zijn afwezigheid heeft gegeven. Daarnaast heeft verweerder op 24 augustus 2026 contact opgenomen met de gemachtigde van eiser, waaruit is gebleken dat eiser ook geen contact heeft gezocht met zijn gemachtigde om een geldige reden te geven voor zijn afwezigheid. De gemachtigde van eiser heeft bovendien aangegeven dat eiser niet is verschenen op een afspraak met zijn gemachtigde.
3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartegen aan dat verweerder, gelet op de waarborgen die voorheen waren neergelegd in artikel 3.45b, eerste lid, van het Vv, onvoldoende gelegenheid heeft geboden om zijn asielmotieven naar voren te brengen. Het vervallen van deze bepaling bij de invoering van het Migratiepact heeft ertoe geleid dat het refoulementrisico niet juist is beoordeeld. Verder was het niet verschijnen tijdens het gehoor van 24 augustus 2026 verschoonbaar. Hij beschikte op dat moment niet meer over opvang, waardoor ook geen vervoer naar het gehoor voor hem was geregeld. Daarbij wijst eiser erop dat verweerder over zijn e-mailadres beschikte. Ook was de geboden termijn van drie dagen onvoldoende voor zijn gemachtigde om met hem in contact te komen en de reden van zijn afwezigheid aan verweerder door te geven. Bij aanvullende gronden van 11 september 2026 heeft eiser toegelicht dat hem in Ter Apel geen uitnodiging voor het gehoor is uitgereikt en dat uit de adressering volgt dat deze naar het AZC in [plaats] is verzonden. Ter onderbouwing van zijn opvangsituatie heeft eiser correspondentie met het COA overgelegd. Het COA heeft meegedeeld dat eiser niet meer binnen de opvang verblijft en heeft desgevraagd geen nadere informatie verstrekt. Verder voert eiser aan dat de rechtbank het refoulementrisico dient te beoordelen in verband met het terugkeerbesluit van 1 juli 2026. Tot slot stelt eiser dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de verblijfsstatus van zijn echtgenote. Het bestreden besluit is daarom onvoldoende zorgvuldig voorbereid.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Verweerder heeft zich in zijn verweerschrift van 25 september 2026 op het standpunt gesteld dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en daarom geen procesbelang meer heeft. Uit zowel de beroepsgronden als de aanvullende gronden blijkt echter dat eiser contact heeft gehad met zijn gemachtigde en hem informatie heeft verstrekt met betrekking tot zijn beroep. De rechtbank ziet onder deze omstandigheden in het door verweerder gestelde vertrek met onbekende bestemming onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat eiser geen prijs meer stelt op een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Het beroep is daarom ontvankelijk.
5. Uit artikel 41, eerste lid, aanhef en onder d, van de Procedureverordening volgt dat een verzoek om internationale bescherming als impliciet ingetrokken wordt beschouwd indien de verzoeker zonder gegronde reden niet verschijnt voor een persoonlijk onderhoud waartoe hij op grond van artikel 13 van de Procedureverordening verplicht is. Artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw bepaalt dat een aanvraag in een dergelijk geval buiten behandeling kan worden gesteld.
6. De rechtbank stelt vast dat verweerder eiser bij brief van 4 augustus 2026 heeft uitgenodigd voor het gehoor van 24 augustus 2026. Deze uitnodiging is geadresseerd aan het bij verweerder bekende adres van eiser in het AZC [plaats]. Op grond van artikel 9, tweede lid en onder c, van de Procedureverordening dient eiser verweerder te informeren over wijzigingen van zijn verblijfsplaats of adres. Uit het derde lid volgt dat eiser kennisgevingen van de bevoegde autoriteiten op zijn laatst opgegeven verblijfsplaats of adres moet aanvaarden. Niet is gebleken dat eiser verweerder van een wijziging van zijn verblijfsplaats op de hoogte heeft gesteld. Verweerder was er ten tijde van het versturen van de uitnodiging dan ook niet van op de hoogte dat eiser niet meer op dit adres verbleef. Dat eiser de uitnodiging niet heeft ontvangen, komt onder deze omstandigheden voor zijn rekening. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder voldoende inspanningen heeft geleverd om eiser in de gelegenheid te stellen het persoonlijk onderhoud bij te wonen, zoals bedoeld in artikel 13, veertiende lid, van de Procedureverordening.
7. Nadat eiser niet op het gehoor van 24 augustus 2026 was verschenen, heeft verweerder diezelfde dag telefonisch contact opgenomen met zijn gemachtigde en hem een herstelverzuimbrief toegezonden. Tijdens het telefoongesprek heeft de gemachtigde geen reden voor eisers afwezigheid kunnen geven. Ook binnen de vervolgens geboden hersteltermijn heeft eiser geen verklaring verstrekt. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat de termijn van drie dagen ontoereikend was. Artikel 41, vierde lid, van de Procedureverordening schrijft geen vaste hersteltermijn voor, maar biedt verweerder de mogelijkheid om de procedure op te schorten om eiser in de gelegenheid te stellen zijn verzuim te rechtvaardigen of te herstellen. In paragraaf C4/4.3 van de Vc is bepaald dat verweerder daarvoor een hersteltermijn van maximaal drie dagen kan bieden. Verweerder heeft eiser die termijn geboden. Eiser heeft niet toegelicht waarom deze termijn in zijn geval onvoldoende was. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de aanvraag op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw terecht buiten behandeling gesteld.
8. De rechtbank stelt vast dat het besluit van 1 juli 2026 in rechte vaststaat, nu eiser daartegen geen rechtsmiddelen heeft aangewend. Uit de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2025, volgt dat de rechtbank op basis van concrete aanwijzingen uit de haar ter kennis gebrachte gegevens van het dossier ambtshalve moet nagaan of sprake is van een mogelijke schending van het beginsel van non-refoulement die aanleiding geeft voor een geactualiseerde refoulementbeoordeling. Eiser heeft in de huidige procedure geen concrete feiten of omstandigheden naar voren gebracht die wijzen op een mogelijke schending van het beginsel van non-refoulement. Ook overigens bevat het dossier daarvoor geen concrete aanwijzingen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor een geactualiseerde refoulementbeoordeling.
9. Hetgeen eiser heeft aangevoerd ten aanzien van zijn gestelde echtgenote is onvoldoende om te concluderen dat verweerder ambtshalve nader onderzoek had moeten doen of niet langer van het terugkeerbesluit had mogen uitgaan. Na het terugkeerbesluit van 1 juli 2026 heeft eiser tijdens de screening de naam van zijn gestelde echtgenote genoemd en verklaard dat zij langdurig verblijf zou hebben. Uit het dossier blijkt echter niet dat eiser de gestelde relatie heeft onderbouwd. Evenmin heeft eiser nader toegelicht op grond waarvan hij aan de gestelde verblijfsstatus van zijn gestelde echtgenote zelf een verblijfsrecht zou ontlenen. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
10. Gelet op het voorgaande heeft verweerder eisers aanvraag terecht buiten behandeling gesteld. Het beroep is kennelijk ongegrond.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 29 september 2026 door mr. M.J. Paffen, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.