RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser 1] , eiser 1,
[eiser 2] , eiser 2,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.22316
V-nummer: [nummer 1]
en
V-nummer: [nummer 2]
hierna gezamenlijk te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. M.S. Yap)
en
(gemachtigde: mr. M. van Boheemen).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvragen van eisers tot het verlenen van een visum voor kort verblijf. Eisers verblijven in Tunesië en zijn uitgenodigd om naar Nederland te komen. Verweerder heeft de aanvragen afgewezen en de bezwaren daartegen ook. Volgens verweerder zijn het doel en de omstandigheden van de reis onduidelijk. Ook zou sprake zijn van onvoldoende sociale en economische binding met Tunesië, waardoor wordt getwijfeld aan eisers tijdige terugkeer naar Tunesië.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder in bezwaar eisers ten onrechte niet heeft gehoord. Daarbij is van belang dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn onderbouwd. Verder is de sociale binding van eisers met Tunesië inderdaad beperkt maar dat kan gecompenseerd worden door hun economische binding met Tunesië. De rechtbank volgt op basis van de beschikbare stukken namelijk ook niet dat eisers geen regelmatig en substantieel inkomen genieten als fixer en chauffeur en dat dit voldoende is voor hun levensonderhoud.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eisers hebben op 16 augustus 2024 een aanvraag ingediend voor een visum voor kort verblijf voor de periode 8 september 2024 tot en met 23 september 2024. Bij de primaire besluiten van 6 september 2024 heeft verweerder de aanvragen afgewezen. Hiertegen hebben eisers bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 16 april 2025 is verweerder bij de afwijzing van de aanvragen gebleven. De bezwaren zijn afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, de referent [referent 1] en [naam] , alsook de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank moet in zaken als deze ‘ex tunc’ toetsen. Dat betekent dat de rechtbank moet kijken naar de situatie zoals die was op het moment dat verweerder het bestreden besluit nam, in dit geval 16 april 2025. Feiten en omstandigheden die daarna zijn opgetreden kunnen in beginsel niet bij de beoordeling worden betrokken. De door eisers in beroep ingediende stukken kunnen wel bij de beoordeling worden betrokken. Zij dienen namelijk als nadere onderbouwing van een eerder ingenomen standpunt in bezwaar.
Doel en omstandigheden van het verblijf
4. Eisers voeren aan dat verweerder niet heeft kunnen concluderen dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond. Ze hebben in dit kader gesteld dat zij zijn uitgenodigd om naar Nederland te komen wegens vriendschappelijke en zakelijke redenen. Eisers zijn betrokken geweest bij een pilot in Tunis in oktober 2023 voor een internationaal leiderschapsprogramma voor alumni van ‘Comenius Leadership’. Daar hebben zij referent leren kennen, één van de deelnemers. Eisers en referent zijn vrienden geworden. Vervolgens zijn bezoeken aan Tunis een vast onderdeel geworden van de ‘Diversity in leadership course’ van Comenius. Eisers zijn als lokale partners steeds betrokken geweest en zorgde daarbij voor voorzieningen als hotels, restaurants en vervoer. Volgens eisers heeft eiser 1 ook opgetreden als spreker.
De rechtbank volgt eisers op dit punt. Dit wordt hierna uitgelegd.
Op grond van artikel 32, eerste lid, letter a, onder ii, van de Visumcode, wordt een visum geweigerd indien de aanvrager het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond.
Het geschil ziet op het doel van het voorgenomen verblijf van eisers. De rechtbank begrijpt uit de standpunten van partijen dat de omstandigheden van het verblijf uit het doel voortvloeien.
De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat van een vriendschapsband tussen referent en eisers niet is gebleken. Voor deze vriendschapsband zijn voldoende bewijzen te vinden in het dossier. Referent heeft zijn vriendschap met eisers vermeld op de in bezwaar ingebrachte vragenlijsten en ook ter zitting toegelicht. Verder blijkt uit de garantstelling van referent, die mede is ondertekend door zijn echtgenote en een substantieel bedrag beloopt, dat volgens hem hiervan sprake is. Daarnaast is telkens eenzelfde uitleg gegeven over de wijze van totstandkoming van de vriendschap, te weten tijdens de eerdergenoemde pilot. Daarbij komt dat de vriendschap mede is onderbouwd met de in beroep ingebrachte verklaring van de ‘alumni van de Comenius leergangen’ van 20 juni 2025. Hoewel deze verklaring niet is ondertekend, is deze ter zitting wél mondeling bevestigd door twee van de gestelde indieners, te weten referent en [naam] . Bovendien kan, als personen verklaren dat zij vrienden zijn, worden uitgegaan van die verklaringen, tenzij er goede redenen zijn om aan de juistheid daarvan te twijfelen. Het standpunt van verweerder dat objectief verifieerbare stukken noodzakelijk zijn voor een vriendschap, volgt de rechtbank dus niet. Nader bewijs zoals foto’s en bewijzen van digitale communicatie zijn in dat verband niet vereist. Redenen om te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen zijn naar het oordeel van de rechtbank niet aan de orde. Daar komt bij dat verweerder, uitgaande van een vriendschapsband, niet heeft bestreden dat er een verband bestaat met het voorgenomen verblijf. De uitnodiging van referent voor eisers wijst hier ook op.
Ook overweegt de rechtbank dat voldoende is onderbouwd dat het doel een zakelijk aspect kent. Uit het dossier blijkt dat eisers betrokken waren bij studiereizen van Comenius in Tunis. Dit volgt onder andere uit de verschillende verklaringen van de directeur van Comenius en de eerdergenoemde verklaring van de alumni. Daarin wordt op verschillende manieren uitgelegd wat de werkzaamheden van eisers voor de studiereizen inhielden. Ter zitting hebben referent en [naam] een nadere toelichting gegeven die de inhoud van de door hen verrichte werkzaamheden bevestigt. Wat betreft het ter zitting ingenomen standpunt van verweerder dat eisers aanwezigheid in Nederland vanuit een zakelijk oogpunt niet noodzakelijk is, overweegt de rechtbank dat dit weliswaar juist kan zijn, maar dat dit geen vereiste vormt voor de beoordeling van het doel van het voorgenomen verblijf. Dit is door eisers ook nooit gesteld.
De rechtbank is daarom van oordeel dat het standpunt van verweerder dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet duidelijk zijn, onvoldoende is gemotiveerd. Dat betekent echter nog niet dat het beroep gegrond is. Daarvoor is van belang of verweerder andere goede redenen heeft om de aanvragen af te wijzen.
Voornemen om het grondgebied te verlaten
5. Eisers hebben het standpunt van verweerder dat er twijfel bestaat over het voornemen van eisers om het grondgebied van Nederland en de EU vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van het visum te verlaten, bestreden. Anders dan verweerder heeft gesteld is er wel voldoende bewijs van een regelmatig en substantieel inkomen, en daarmee van economische binding met Tunesië. Verder is anders dan verweerder heeft gesteld sprake van voldoende sociale binding.
Op grond van artikel 32, eerste lid, letter b, onder ii, van de Visumcode wordt een visum geweigerd indien er redelijke twijfel bestaat over de echtheid van de door de aanvrager overgelegde bewijsstukken of over de geloofwaardigheid van de inhoud ervan, de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aanvrager of zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.
De rechtbank volgt verweerder dat sprake is van een beperkte sociale binding met Tunesië. Voor beide eisers geldt dat zij ongehuwd zijn en niet gebonden zijn vanwege een langdurige liefdesrelatie of kinderen in Tunesië. Eisers zijn allebei eind dertig. Eiser 1 woont bij zijn ouders en aantal volwassen broers en/of zussen. Eiser 2 woont bij zijn ouders. De rechtbank overweegt dat, ook indien de stelling van eisers dat zij een sociaal leven hebben opgebouwd in Tunesië wordt gevolgd, dit nog niet maakt dat er sprake is van een bijzondere sociale binding met Tunesië. Ten aanzien van eiser 1 overweegt de rechtbank dat gevolgd wordt dat zijn moeder ziek is en daarom hulp nodig heeft in de medische verzorging en bij haar dagelijkse behoeften. Dit blijkt immers uit de in beroep ingebrachte doktersverklaring. De rechtbank is van oordeel dat de binding van eiser 1 vooralsnog beperkt blijft, omdat hij zijn stelling dat hij met name degene is die verantwoordelijk is voor haar zorg niet heeft onderbouwd. De enkele omstandigheid dat eiser de jongste zoon is, is onvoldoende om dit aan te nemen. Dat inmiddels een zus ziek is, zoals ter zitting is gesteld, is evenmin voldoende. Niet aannemelijk is gemaakt dat niemand anders voor haar kan zorgen.
Een beperkte sociale binding kan gecompenseerd worden door een relatief sterke economische binding. De vraag is of dat voor eisers geldt. In dit verband overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank vindt, anders dan verweerder, aannemelijk dat, in 2023 en 2024, eiser 1 werkzaam is geweest als fixer en eiser 2 als chauffeur. De over de werkzaamheden ingebrachte stukken als uitgangspunt kunnen dienen. Voor eiser 1 zijn vier overeenkomsten van opdracht en een brief ingebracht, alsook vijf facturen waarvan is gesteld dat die zijn verstrekt aan opdrachtgevers. Deze stukken onderbouwen dat eiser 1 in 2023 en 2024 als fixer werkzaam is geweest. Ter zitting is gebleken dat verweerder de echtheid van deze stukken niet bestrijdt. Voor eiser 2 is een werkcertificaat ingebracht met datum 3 juni 2024, inhoudende dat hij sinds november 2015 als chauffeur werkzaam is. Daarnaast is er voor eiser 2 een aanvraag van 8 maart 2019 voor een eigen taxivergunning en een professionele chauffeur kaart, met uitgiftedatum 2 november 2021 en geldig tot 1 november 2026 ingebracht. Ook ten aanzien van die stukken heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat van de echtheid kan worden uitgegaan. Deze stukken onderbouwen daarom dat eiser 2 in afwachting is van een eigen chauffeursvergunning en vooralsnog als chauffeur voor een opdrachtgever werkt. Verder is de inhoud van de stukken bevestigd door de schriftelijke verklaringen van Comenius en de alumni, die op hun beurt zijn bevestigd door de mondelinge verklaringen van referent en [naam] ter zitting. Volgens die verklaringen hebben eisers in 2023 en 2024 geholpen bij de studiereizen op de in overweging 4 omschreven wijze.
De rechtbank volgt, zonder nadere motivering, ook niet het standpunt van verweerder dat niet is gebleken van een regelmatig of structureel en voldoende substantieel inkomen, in die zin dat zij in hun levensonderhoud kunnen voorzien.
Voor eiser 1 stelt verweerder dat er geen bewijs is dat de facturen daadwerkelijk zijn uitbetaald. De rechtbank stelt vast dat inderdaad niet is gebleken van uitbetaling op een bankrekening ten name van eiser 1. Volgens eiser 1 is daar geen sprake van, omdat hij contant is uitbetaald. Verweerder stelt zich op het standpunt dat ook van contante betalingen enige aantekeningen moeten zijn. De rechtbank volgt verweerder in dat standpunt, maar overweegt dat er voldoende redenen zijn om aan te nemen dat eiser 1 structureel een substantieel inkomen ontvangt. Zoals in 5.4 is overwogen kunnen de over de werkzaamheden ingebrachte stukken immers als uitgangspunt dienen. De rechtbank overweegt dat er in het algemeen van kan worden uitgegaan dat facturen waarvan de echtheid niet wordt bestreden, tot betaling leiden. Dat deze bedragen niet werkelijk aan eiser 1 zijn uitbetaald, moet verweerder daarom nader onderbouwen. Uit de genoemde stukken blijkt verder dat eiser 1 regelmatig opdrachten heeft en regelmatig facturen uitstuurt. Over de hoogte van de betalingen aan eiser 1 heeft verweerder gesteld dat volgens de facturen bedragen tussen € 179 en € 1493 in rekening zijn gebracht. De stukken gaan dus over substantiële inkomsten.
Voor eiser 2 is een bankafschrift ingebracht. Daaruit blijkt dat in de periode juni, juli en augustus 2024, met tussenpozen van een week tot enkele weken, substantiële bedragen op de rekening zijn gestort, veelal in contant of, een enkele keer bij een relatief groot bedrag, met een cheque. Volgens verweerder is niet gebleken dat er een verband bestaat tussen de ontvangen bedragen en de werkzaamheden van eiser 2 als chauffeur. De rechtbank overweegt dat het standpunt van verweerder op zich juist is, maar dat het, uitgaande van de over de werkzaamheden ingebrachte stukken in combinatie met de schriftelijke en mondelinge verklaringen, redelijk is om aan te nemen dat eiser voor de werkzaamheden in 2023 en 2024 inkomsten ontving. Daar komt bij dat de storting van de contante bedragen overeenstemt met de stelling van eiser 2 dat hij veelal contant wordt uitbetaald. Verder wijst het afschrift met in achtneming van de gemiddelde wisselkoers in die periode op zeer hoge betalingen. In het bestreden besluit lijkt echter een andere wijze van afronding van die bedragen te worden gebruikt. Van die afronding uitgaande gaat het om stortingen variërend in euro, van enkele tientjes tot bijna duizend. Dit duidt dus nog steeds op substantiële inkomsten. De stortingen zijn ook regelmatig en structureel. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, onder die omstandigheden, nader moet motiveren waarom geen sprake is van substantiële en structurele inkomsten.
Verweerder heeft ter zitting gesteld dat wordt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank over de vraag of eisers inkomsten genoeg zijn om te voorzien in hun levensonderhoud. Uitgaande van de hiervoor genoemde bedragen en hetgeen de rechtbank ambtshalve bekend is, wordt hiervan uitgegaan.
Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat weliswaar sprake is van een beperkte sociale binding, maar dat verweerder zijn standpunt ten aanzien van de economische binding voor eisers onvoldoende heeft gemotiveerd. Dat laat de mogelijkheid open dat de beperkte sociale binding wordt gecompenseerd door een relatief sterke economische binding. De rechtbank stelt verweerder in de gelegenheid om dit nader te motiveren.
Horen in bezwaar
6. Verweerder heeft afgezien van het horen van eisers in bezwaar, omdat op grond van wat eisers in bezwaar hebben aangevoerd al duidelijk was dat de aanvragen terecht waren afgewezen. Eisers hebben dit bestreden.
Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan van horen van belanghebbenden worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Van een kennelijk ongegrond bezwaar is sprake wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds blijkt dat de bezwaren ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Dit moet worden beoordeeld aan de hand van de inhoud van het bezwaarschrift in samenhang met wat in eerste instantie door eisers is aangevoerd en met de motivering van de primaire besluiten.
Gelet op het voorgaande is er twijfel mogelijk over de juistheid van de twee weigeringsgronden voor de visa: a. doel en omstandigheden van het verblijf en b. de binding met Tunesië. Dat betekent dat verweerder eisers ten onrechte niet heeft gehoord en hier vooralsnog toe over moet gaan. De rechtbank wijst de zaak daarom terug.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de motiveringsplicht en de plicht om te horen in bezwaar. Dit betekent dat eisers gelijk krijgen en alsnog moeten worden gehoord, dan wel een visum moeten krijgen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over te nemen gezien het belang van het horen van eisers in bezwaar.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van vier weken om eisers te horen en na het horen een termijn van vier weken om te beslissen.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eisers vergoeden. Eisers krijgen ook een vergoeding van hun proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 16 april 2025;
- draagt verweerder op binnen een termijn van vier weken eisers te horen en na het horen binnen een termijn van vier weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Aden, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.