RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.21657
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. Ö. Saraç),
en
Procesverloop
Bij besluit van 6 november 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat het verblijfsrecht van eiser als gemeenschapsonderdaan op 12 september 2022 is geëindigd.
Met het besluit van 26 april 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en heeft aanvullende gronden ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is, met bericht van afmelding, niet verschenen.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1993 en heeft de Turkse nationaliteit. Op 18 september 2018 is zijn aanvraag voor een verblijfsdocument op grond van het arrest Chavez-Vilchez ingewilligd (Chavez-verblijfsrecht). Eiser had namelijk een Nederlandse dochter gekregen, [naam dochter] . Hij is naar Nederland gekomen, waar later ook zijn zoon [naam zoon] is geboren. De relatie met de moeder van [naam dochter] en [naam zoon] is verbroken en eiser woont niet meer bij hen.
2. Volgens verweerder voldoet eiser niet meer aan de voorwaarden voor het Chavez-verblijfsrecht en is zijn rechtmatig verblijf op 12 september 2022 geëindigd. Eiser was toen niet meer op hetzelfde adres ingeschreven als zijn kinderen in de Basisregistratie Personen. Volgens verweerder was het aan eiser om aan te tonen dat hij wel aan de voorwaarden voor Chavez-verblijfsrecht voldoet en heeft hij dit niet gedaan.
3. Eiser is het hier niet mee eens. Hij draagt wel degelijk zorg voor zijn kinderen, maar zijn ex-partner houdt zich niet aan het ouderschapsplan. Hiermee frustreert zij eisers omgang met zijn kinderen. Ook betaalt hij alimentatie en zal hij dat niet meer kunnen als hij terug moet naar Turkije. Daarnaast is er sprake van een afhankelijkheidsrelatie tussen hem en zijn kinderen: uit de verklaringen van familieleden blijkt dat eiser een goede band heeft met zijn kinderen en veel van hen houdt. Hij deelt bovendien nog altijd het gezag over de kinderen met zijn ex-partner.
Wat is het juridisch kader?
4. Een ouder die onderdaan is van een derde land kan een afgeleid verblijfsrecht ontlenen aan zijn minderjarige kind dat EU-burger is. Hiervoor is vereist dat weigering van een verblijfsrecht aan de ouder tot gevolg heeft dat het kind gedwongen zal zijn de ouder te volgen naar een derde land en daarmee het grondgebied van de EU definitief te verlaten. Dit zou een beperking zijn van de rechten die het kind ontleent aan de status van EU-burger. Dit volgt uit het arrest Chavez-Vilchez.
5. Verweerder heeft beleid opgesteld naar aanleiding van het arrest Chavez-Vilchez. Ten tijde van het bestreden besluit was dit beleid neergelegd in paragraaf B10/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Voor zover hier relevant is daarin – in overeenstemming met overweging 70 van het arrest Chavez-Vilchez – bepaald dat de ouder aan zijn kind dat EU-burger is een afgeleid verblijfsrecht ontleent als:
c. hij al dan niet gezamenlijk met de andere ouder daadwerkelijke zorgtaken ten behoeve van het minderjarige kind verricht; en
d. tussen de vreemdeling en het kind een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de EU te verlaten als aan de vreemdeling een verblijfsrecht wordt geweigerd.
6. Verweerder verstaat onder zorgtaken ook opvoedingstaken. Zorg- en opvoedingstaken met een marginaal karakter merkt verweerder niet aan als daadwerkelijke zorgtaken ten behoeve van het minderjarige kind, tenzij het marginale karakter van de zorg- en opvoedingstaken de vreemdeling niet is aan te rekenen. Dit wordt de vreemdeling niet aangerekend als hij/zij kan aantonen dat de andere ouder de omgang met het kind frustreert.
7. Bij de beoordeling van de afhankelijkheidsverhouding betrekt verweerder - in het hogere belang van het kind - alle relevante omstandigheden, meer in het bijzonder:
8. Verder volgt uit het beleid dat verweerder niet kan vaststellen dat sprake is van rechtmatig verblijf als de vreemdeling onvoldoende gegevens verschaft waarmee wordt aangetoond dat aan de voorwaarden wordt voldaan. Ook dit is in overeenstemming met het arrest Chavez-Vilchez, meer in het bijzonder met rechtsoverwegingen 76 en 78 daarvan.
9. De rechtbank toetst de situatie ten tijde van het bestreden besluit.
Daadwerkelijke zorgtaken of frustratie van de omgang aangetoond?
10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet heeft aangetoond dat hij ten tijde van het bestreden besluit daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken verrichte en ten behoeve van zijn kinderen (voorwaarde c).
11. Volgens eiser had hij ten tijde van het bestreden besluit regelmatig (wekelijks) telefonisch contact met zijn kinderen. Ook verwijst hij naar het ouderschapsplan van 5 september 2022 en stelt hij dat er een procedure is gevoerd voor het treffen van een omgangsregeling (omdat zijn ex-partner het ouderschapsplan niet nakwam) waarin de Raad voor de Kinderbescherming om advies is gevraagd.
12. Net als verweerder vindt de rechtbank het (niet-onderbouwde) wekelijkse bellen van eiser met zijn kinderen op zichzelf onvoldoende voor het oordeel dat sprake is van meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken. Het karakter hiervan is niet die van daadwerkelijke zorgtaken en het contact is hiervoor ook te marginaal. Het is vervolgens de vraag of eiser in het ouderschapsplan wel meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken op zich heeft genomen, aangezien daarin is afgesproken dat het zwaartepunt van de zorg bij zijn ex-partner ligt en dat eisers kinderen hooguit een weekend per twee weken met hem zouden doorbrengen. Volgens hem is dit wel zo. Dit kan echter in het midden blijven omdat eiser niet heeft aangetoond dat zijn ex-partner de naleving van het ouderschapsplan of de omgang met zijn kinderen frustreerde. De rechtbank licht dat hierna verder toe.
13. Volgens eiser mocht hij zijn kinderen van zijn ex-partner niet om de week zien zoals was afgesproken, en alleen in haar bijzijn, en heeft zij de omgang stelselmatig beperkt tot uitsluitend videobellen. Hij verwijst hiervoor in algemene zin naar verschillende screenshots van whatsapp- en e-mailcontact tussen hem en zijn ex-partner die bij de gronden van beroep zijn gevoegd. De rechtbank ziet in deze screenshots onvoldoende onderbouwing van eisers stellingen. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat de correspondentie fragmentarisch is en dat in veel gevallen onduidelijk blijft wat er in het bericht van eiser stond waarop zijn ex-partner reageert. Dit maakt het lastig om een goed beeld te vormen, en zoals hiervoor is overwogen, is het aan eiser om aan te tonen dat zijn ex-partner de omgang met zijn kinderen frustreert. In elk geval geldt dat eiser in één instantie in een whatsapp-bericht zegt dat hij de kinderen dit weekend op komt halen en zijn ex-partner antwoordt “wij zijn er niet week in Frankrijk”. Ook heeft eiser een e-mail bijgevoegd van zijn ex-partner waarin zij zegt: “Voor laatste keer het gebeurd niet op advies van veiligheid alleen bellen”. Uit een andere e-mail lijkt te volgen dat eiser [naam zoon] wil zien omdat [naam zoon] jarig is. Zijn ex-partner lijkt dit niet goed te vinden en biedt eiser aan om te videobellen met [naam zoon] . Naar het oordeel van de rechtbank valt uit deze berichten, ook in samenhang, niet op te maken dat eisers ex-partner hem belemmerde zijn kinderen om de week te zien zoals in het ouderschapsplan was opgenomen. Ook blijkt niet dat zij het contact alleen toestond in haar aanwezigheid. Eiser heeft bovendien screenshots bijgevoegd van een gesprek waaruit juist lijkt te volgen dat eisers ex-partner wel faciliteert dat hij de kinderen ziet (“Morgen half 12 bij jouw hè” “Oh oke gezellig” “Ben er”). Tijdens de zitting is het de rechtbank verder ook niet duidelijk geworden waaruit de frustratie van de omgang concreet zou bestaan en waar dit uit blijkt.
14. Eiser heeft verder nog verwezen naar het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 16 oktober 2025 (raadsonderzoek) en naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 25 juni 2026 (beschikking). Voor zover hieruit al kan worden opgemaakt wat de situatie was ten tijde van het bestreden besluit, ziet de rechtbank hierin ook geen steun voor eisers stelling dat het aan zijn ex-partner te wijten was dat het ouderschapsplan niet volledig werd nageleefd. In deze stukken wordt ook eisers eigen rol in de uitvoering van het ouderschapsplan omschreven.
15. De conclusie van de rechtbank is dus dat eiser niet heeft aangetoond dat hij meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken verrichte ten tijde van het bestreden besluit en ook niet dat dit was vanwege frustratie door zijn ex-partner. Verweerder heeft daarom terecht gesteld dat eiser geen daadwerkelijke zorgtaken verricht. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Afhankelijkheidsverhouding aangetoond?
16. De rechtbank stelt voorop dat er geen twijfel bestaat over de vraag of eiser van zijn kinderen houdt. De (juridische) vraag of er sprake is van een afhankelijkheidsverhouding in de zin van het arrest Chavez-Vilchez, is echter een andere. Voor zo’n afhankelijkheidsverhouding is vereist dat de kinderen van eiser gedwongen zouden zijn het grondgebied van de EU te verlaten als aan eiser een verblijfsrecht wordt geweigerd (voorwaarde d). De rechtbank is van oordeel dat eiser niet heeft aangetoond dat dit aan de orde was ten tijde van het bestreden besluit.
17. Eiser heeft ter onderbouwing van de afhankelijkheidsverhouding verwezen naar brieven waaruit volgt dat hij een goede vader is en een hele hechte band heeft met zijn kinderen. Ook stelt hij dat zijn kinderen financieel van hem afhankelijk zijn omdat hij alimentatie betaalt en dit bij terugkeer naar Turkije niet meer zal kunnen doen. Hij heeft bovendien het gezag over zijn kinderen het contact tussen hem en zijn kinderen is in het belang van hun emotionele ontwikkeling. Daarom wordt ook hulpverlening ingeschakeld om het contact te herstellen. Verweerder had moeten onderzoeken of het beperkte contact het gevolg is van frustratie door eisers ex-partner, op grond van paragraaf B10/2.2 van de Vc en wat dit betekent voor de afhankelijkheidsverhouding. Eiser verwijst verder naar het arrest Ciliz tegen Nederland en stelt dat de overheid het contactherstel belemmert voor de verblijfsstatus van eiser als obstakel op te werpen.
18. De rechtbank overweegt ten eerste dat verweerder terecht (en onbetwist) stelt dat eiser sinds 12 september 2022 niet meer ingeschreven staat op hetzelfde adres als zijn kinderen, dat hij ergens anders is gaan wonen en zijn kinderen altijd bij zijn ex-partner hebben gewoond. Dat eiser in de jaren tussen de echtscheiding (uitgesproken op 23 september 2022) en het bestreden besluit een meer dan marginale rol in het leven van zijn kinderen vervulde, is niet gebleken.
19. Het is niet in geschil dat het contact tussen eiser en zijn kinderen in het belang van zijn kinderen is, zoals eiser ook onder verwijzing naar het raadsonderzoek en de beschikking stelt. Verweerder stelt echter terecht dat eiser niet heeft aangetoond dat zijn kinderen problemen ondervinden in hun lichamelijke en emotionele ontwikkeling en dat zijn aanwezigheid in hun leven hierom van belang is. Dit geldt ook voor de vraag of de scheiding een onevenredig zware impact zal hebben, bijvoorbeeld vanwege een al bestaande achterstand in de emotionele en geestelijke ontwikkeling van zijn kinderen, of dat zijn vertrek uit Nederland zal leiden tot bovenmatige problemen in hun emotionele en geestelijke ontwikkeling.
20. Verder heeft verweerder ten aanzien van de mate van affectieve relatie tussen eiser en zijn kinderen terecht gesteld dat eiser niet heeft aangetoond dat hij ten tijde van het bestreden besluit omgang had met zijn kinderen, die door zijn ex-partner daadwerkelijk verzorgd werden en bij haar woonden, en dat dit wijst op een zeer grote mate van gehechtheid tussen de kinderen en de ex-partner van eiser. In beroep heeft eiser verklaringen overgelegd van zijn schoonzus, (oud) collega, ex-schoonzus en een tweetal andere mensen van wie de relatie tot eiser niet is beschreven. Daarbij heeft hij gesteld dat aan de verklaringen niet elke betekenis kan worden ontzegd in samenhang met de overige bewijsstukken. Uit de verklaringen volgt, samengevat, dat eiser een goede oom is, dat zijn kinderen gek op hem waren en dat de liefde oprecht was van beide kanten. Hij hield het huis bij en was een perfecte vader. Hij doet graag leuke en gezellige activiteiten met de kinderen en is respectvol en hardwerkend. Ook schrijven zij dat de scheiding en alles eromheen eiser veel verdriet doet. Zij hopen dat hij binnenkort zijn kinderen weer mag zien. De rechtbank overweegt dat de verklaringen iets zeggen over het karakter van eiser en zijn liefde voor de kinderen, maar hiermee is niet aangetoond dat er zo’n afhankelijkheidsrelatie tussen hem en zijn kinderen bestaat dat zij zouden zijn gedwongen het grondgebied van de EU te verlaten als hij terug moet naar Turkije. Gelet op de eerder genoemde omstandigheden, waaruit eisers marginale omgang met en verzorging van zijn kinderen blijkt, leggen de verklaringen onvoldoende gewicht in de schaal. Zoals eerder in deze uitspraak overwogen, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderzocht en gemotiveerd of dit het gevolg is van frustratie van de omgang door eisers ex-partner.
21. Ten slotte heeft eiser niet gesteld of onderbouwd dat zijn vertrek zou leiden tot een zodanige verstoring van het evenwicht van zijn kinderen bij zijn vertrek naar Turkije dat zij de EU zouden moeten verlaten. In het algemeen is het voor de ontwikkeling en evenwicht wenselijk dat een kind zijn vader als rolmodel bij zich heeft. Dit betwist verweerder ook niet, en dit volgt uit het raadsonderzoek en de beschikking. Dit op zichzelf is echter onvoldoende voor deze conclusie.
22. Eiser heeft verder nog gesteld dat zijn kinderen financieel van hem afhankelijk zijn omdat hij alimentatie betaalt en dat hij het (gedeelde) ouderlijk gezag heeft. Voor zover eiser inderdaad alimentatie betaalde ten tijde van het bestreden besluit (het is niet in geschil dat dit niet altijd het geval was) volgt naar het oordeel van de rechtbank daaruit niet zo’n afhankelijkheidsverhouding als bedoeld in het arrest Chavez-Vilchez. Het gaat om een puur financiële verplichting, die eiser op zich heeft genomen als gevolg van de verdeling die hij met zijn ex-partner heeft afgesproken in het ouderschapsplan. Dat hij deze verplichting niet meer zal kunnen nakomen als hij weer in Turkije woont, is niet gebleken of relevant in dit kader. Het feit dat eiser het gezag heeft over de kinderen, is (ook in het licht van de overige omstandigheden) onvoldoende voor het aannemen van de Chavez-afhankelijkheidsverhouding.
23. Wat eiser verder heeft aangevoerd, zoals dat de overheid hem in een onmogelijke positie brengt door enerzijds te verwachten dat hij het contact met zijn kinderen herstelt en anderzijds tegenwerpt dat hij geen rechtmatig verblijf heeft, valt buiten het bestek van de beoordeling die verweerder moest maken in het kader van Chavez-Vilchez en de ex-tunc toets van de rechtbank. Op de zitting heeft eiser nog het standpunt ingenomen dat verweerder had moeten wachten op het raadsonderzoek voor het nemen van het bestreden besluit. De rechtbank gaat hier niet in mee, alleen al omdat uit de gronden van bezwaar blijkt dat het raadsonderzoek toen nog niet was aangevraagd.
24. Deze beroepsgronden slagen niet. Verweerder heeft terecht gesteld dat tussen eiser en zijn kinderen ten tijde van het bestreden besluit niet een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestond dat zijn kinderen gedwongen zouden zijn het grondgebied van de EU te verlaten als aan de eiser een verblijfsrecht wordt geweigerd.
Hoorplicht geschonden?
25. Eiser heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat de hoorplicht in bezwaar is geschonden. De rechtbank vindt dit in strijd met de goede procesorde, omdat niet valt in te zien waarom eiser deze grond niet eerder heeft kunnen aanvoeren. Verweerder heeft hierdoor ook niet op deze beroepsgrond kunnen reageren. Hoewel eiser in bezwaar heeft verzocht te worden gehoord, heeft hij niet nader toegelicht waarom het uitblijven van een hoorzitting in strijd is met de hoorplicht. Verweerder heeft in het bestreden besluit gemotiveerd dat van het horen kon worden afgezien. De rechtbank zal deze beroepsgrond dan ook buiten beschouwing laten.
Conclusie en gevolgen
26. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.