ECLI:NL:RBDHA:2026:28835

ECLI:NL:RBDHA:2026:28835

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 29-09-2026
Datum publicatie 30-09-2026
Zaaknummer NL26.8896
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Visum kort verblijf; vragenlijst; hoorplicht; ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.8896

V-nummer: [V-nummer]

mede namens zijn echtgenote [echtgenote] en hun kinderen [kind 1], [kind 2] en [kind 3].

(gemachtigde: mr. A. Orhan),

en

(gemachtigde: mr. E. Spijkerman).

Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de weigering om hem een visum voor kort verblijf te verstrekken kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon] als waarnemer van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Marokkaanse nationaliteit en is geboren op [datum] 1976. Hij heeft, mede namens zijn echtgenote en hun kinderen, verzocht om afgifte van een visum voor kort verblijf voor familiebezoek in Nederland bij [referent] (referent) voor de periode van 30 juli 2025 tot en met 12 november 2025.

2. Bij het bestreden besluit van 21 januari 2026 heeft verweerder het bezwaar op deze aanvraag kennelijk ongegrond verklaard. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond en dat redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om Nederland vóór het verstrijken van het visum te verlaten.

3. Eiser voert aan dat het doel en de omstandigheden van zijn voorgenomen verblijf voldoende aannemelijk zijn gemaakt met de uitnodiging, garantstelling en déclaration sur l’honneur, en dat geen redelijke twijfel bestaat over zijn tijdige terugkeer naar Marokko gelet op hun werk, woning, gezinsleven en de schoolgaande kinderen. Hij is niet in bezit te zijn gesteld van de vragenlijst voor de visumaanvraag. Daarnaast voldoet hij aan de overige visumvoorwaarden en heeft verweerder hem ten onrechte niet gehoord, omdat een hoorzitting de gelegenheid had geboden ontbrekende informatie en hun persoonlijke omstandigheden nader toe te lichten.

4. In het verweerschrift handhaaft verweerder zijn standpunt ten aanzien van de onvoldoende onderbouwing van het reisdoel en de sociale en economische binding van eiser met zijn land van herkomst. De vragenlijst is wel aan eiser verzonden, met de overgelegde stukken is slechts een geringe sociale binding aangetoond en een economische binding is niet objectief onderbouwd. Ook de betrouwbaarheid van de garantsteller en de gestelde band tussen eiser en referent kunnen niet tot een ander oordeel leiden. Verder heeft eiser niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan en is in bezwaar terecht van horen afgezien.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, onder ii, van de Visumcode wordt een visum geweigerd indien de aanvrager het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de feiten en omstandigheden zoals die zich voordeden ten tijde van het bestreden besluit (ex tunc-toetsing). Uit het arrest Koushkaki van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat verweerder bij het onderzoek van een visumaanvraag bij de beoordeling van de relevante feiten over een ruime beoordelingsmarge beschikt om te bepalen of één van de in artikel 32, eerste lid, van de Visumcode vermelde gronden voor weigering van een visum aan de aanvrager kan worden tegengeworpen. Daardoor mag de rechtbank het oordeel alleen terughoudend toetsen.

6. De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 14 van de Visumcode volgt dat de bewijslast bij eiser ligt om aan te tonen dat hij voldoet aan de vereisten van de gevraagde visa. Dit betekent dat hij het opgegeven reisdoel moet onderbouwen en de gestelde relatie met referent aannemelijk maken. Aan eiser is in bezwaar de gelegenheid geboden om de visumaanvraag nader te onderbouwen. Hiervoor is aan eiser een vragenlijst opgestuurd. Deze vragenlijst bevat een toelichting welke bewijsstukken moeten worden overgelegd. Ten aanzien van het betoog van eiser dat de vragenlijst visumaanvraag niet is ontvangen, overweegt de rechtbank dat verweerder een uitdraai van INDIGO, het digitale systeem van verweerder, heeft overgelegd, waaruit blijkt dat de vragenlijst op 10 september 2025 is verzonden.

7. Verweerder heeft zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond. Hierbij is van belang dat eiser geen objectieve documenten heeft overgelegd waaruit de gestelde band met referent blijkt. Verweerder heeft eiser afdoende in de gelegenheid gesteld om de gestelde band aan te tonen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat verweerder een te hoge maatstaf hanteert. Gelet op het door eiser opgegeven reisdoel acht de rechtbank het niet onredelijk dat verweerder verlangt dat eiser zijn banden met referent met documenten staaft. Eiser heeft niet toegelicht waarom dit niet van hem kan worden verlangd. De beroepsgrond slaagt niet.

8. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 6 juli 2022 benadrukt dat de indiener van een bezwaarschrift in beginsel door het bestuursorgaan daarover gehoord moet worden. Dit laat echter onverlet dat artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat hierop een uitzondering mogelijk is als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dit betekent dat er geen twijfel bestaat dat een bezwaarschrift niet leidt tot een ander oordeel dan in het primaire besluit is vervat. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onder de gegeven omstandigheden heeft kunnen concluderen dat van een dergelijk geval sprake is. Op grond van wat namens eiser in bezwaar is aangevoerd over zijn doel en omstandigheden van het verblijf, was onverkort duidelijk dat het bezwaar niet kon leiden tot een andere uitkomst dan die van het primaire besluit. Eiser heeft immers ook in bezwaar geen objectieve bewijsstukken overgelegd waaruit de gestelde relatie met referent blijkt. Een hoorzitting had dit gebrek niet kunnen herstellen, omdat een mondelinge toelichting het ontbreken van objectieve bewijsstukken niet kan vervangen. Verweerder heeft daarom van het horen van eiser mogen afzien. Deze beroepsgrond slaagt niet.

9. Hoewel verweerder de visumaanvraag op grond van het voorgaande mocht afwijzen, bespreekt de rechtbank ook de overige beroepsgronden.

10. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat eiser onvoldoende sociale en economische binding met Marokko heeft aangetoond. De schoolcertificaten van de kinderen wijzen wel op enige sociale binding, maar maken op zichzelf niet aannemelijk dat eiser persoonlijk zodanige verplichtingen heeft dat zijn tijdige terugkeer is gewaarborgd. De verklaring van eiser dat ervan mag worden uitgegaan dat de kinderen hun basisschooljaren zullen afmaken, wordt niet gevolgd. Daaruit volgt immers niet dat eiser zelf gehouden is om naar Marokko terug te keren. De inkomensverklaring, de verklaring over de schuldaflossing en de bankafschriften tonen bovendien geen regelmatig en duurzaam inkomen aan. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat de inkomensverklaring door de ondertekenaar zelf is opgesteld en daarom niet als objectief verifieerbare onderbouwing van eisers inkomen kan worden aangemerkt. De verklaring over de schuldaflossing toont slechts aan dat een schuld gedeeltelijk is afbetaald en zegt niet dat eiser beschikt over een substantieel en duurzaam inkomen. Ook uit de bankafschriften blijkt niet dat eiser regelmatig inkomsten uit arbeid ontvangt. Bovendien gaat het niet om recente bankafschriften. Daarmee is ook de economische binding onvoldoende onderbouwd

11. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt het door hem betaalde griffierecht niet terug. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 29 september 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Gasi, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. K.M. de Jager

Griffier

  • mr. M. Gasi

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand