RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.22668
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. D. Schaap),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
alsmede
de Staat der Nederlanden (namens deze: de minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Staat).
Procesverloop
Bij besluit van 6 februari 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit en verweerder heeft dit bezwaar bij besluit van 1 mei 2024 (het bestreden besluit) kennelijk ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Partijen zijn, met bericht van afmelding, niet verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Letse nationaliteit.
2. Bij het primaire besluit heeft verweerder vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht omdat hij niet (meer) aan de voorwaarden voldoet. Verweerder heeft dit standpunt in het bestreden besluit gehandhaafd.
Beoordeling door de rechtbank
Vertrektermijn terugkeerbesluit
3. Eiser betoogt dat verweerder hem een langere vertrektermijn dan één maand had moeten geven. Voor eiser is onduidelijk of de maatregel tot plaatsing in een Inrichting voor Stelselmatige Daders (ISD-maatregel) vroegtijdig kan worden beëindigd wanneer verweerder hem naar Letland zou willen uitzetten. Hoewel niet valt in te zien waarom uitzetting naar Letland niet mogelijk zou zijn, zijn er geen concrete plannen om hem daarheen uit te zetten. Daarnaast voert eiser aan dat, zolang hij is gedetineerd, het voor hem onmogelijk is om aan zijn vertrekplicht te voldoen. Eiser verwijst in dit verband ook naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 22 december 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:22036).
De rechtbank overweegt – zoals eiser ook zelf terecht opmerkt – dat op grond van artikel 6:2:20 van het Wetboek van Strafvordering de minister van Justitie en Veiligheid de ISD-maatregel te allen tijde kan beëindigen. Hieruit volgt dus dat de minister van Justitie en Veiligheid de ISD-maatregel eventueel kan beëindigen zodat eiser aan zijn vertrekverplichting kan voldoen. Op eiser rust de verplichting om Nederland te verlaten. Niet valt in te zien waarom dan op verweerder de verplichting rust om concrete plannen te maken om eiser uit te zetten en wanneer hij dit niet heeft gedaan, hij gehouden was de vertrektermijn te verlengen. Verder is de rechtbank van oordeel dat de door eiser aangehaalde uitspraak geen doel treft. In die zaak ging het – zoals verweerder terecht stelt – namelijk om een vreemdeling die was veroordeeld tot een langdurige gevangenisstraf van vijfentwintig jaar. In de onderhavige zaak gaat het om een vreemdeling aan wie een ISD-maatregel is opgelegd, die door de minister van Justitie en Veiligheid kan worden beëindigd wanneer uitzetting om wat voor reden ook zou prevaleren. De beroepsgrond slaagt niet.
Belangenafweging
4. Eiser voert aan dat het weinig zinvol is om hem na het uitzitten van de ISD-maatregel uit te zetten, omdat die maatregel mede is gericht op terugkeer in de Nederlandse maatschappij. Volgens eiser is verweerder hieraan voorbijgegaan in het bestreden besluit.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd waarom de belangenafweging niet in het voordeel van eiser uitvalt. Verweerder heeft daarbij overwogen dat de ISD-maatregel mede is gericht op het bevorderen van een succesvolle terugkeer naar het land van herkomst. Dat het voor eiser weinig zinvol zou zijn om na het uitzitten van de ISD-maatregel Nederland te moeten verlaten, volgt de rechtbank dan ook niet. De beroepsgrond slaagt niet.
Hoorplicht
5. Eiser betoogt dat verweerder hem ten onrechte niet heeft gehoord, omdat in het bestreden besluit een belangenafweging is gemaakt.
Het uitgangspunt is dat verweerder een vreemdeling hoort in bezwaar en dat er terughoudend moet worden omgaan met uitzonderingen op de hoorplicht (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918). Verweerder mag op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van het horen afzien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dat is het geval als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. De beslissing om die bepaling toe te passen, dient te worden genomen op grond van wat in het bezwaarschrift is aangevoerd, in samenhang met de overwegingen in het primaire besluit.
De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een schending van de hoorplicht. Gelet op hetgeen in bezwaar is overgelegd, stond op voorhand vast dat het bezwaar tot een ander besluit kon leiden. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake was van een kennelijk ongegrond bezwaar en kon op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van horen in bezwaar afzien. Dat in het bestreden besluit een belangenafweging is gemaakt, maakt het voorgaande niet anders. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling in verband met dit beroep bestaat geen aanleiding.
Redelijke termijn
7. Eiser heeft verzocht om toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
In zaken als hier aan de orde geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase samen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Uitgangspunt voor vergoeding van immateriële schade is een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
Het eerst aangewende rechtsmiddel is het bezwaarschrift van eiser tegen het primaire besluit van 5 maart 2024. Vanaf dat moment is de redelijke termijn aangevangen. De behandeling van het bezwaar heeft minder dan twee maanden geduurd en dus heeft verweerder de redelijke termijn voor het behandelen van het bezwaar niet overschreden. Deze uitspraak is gedaan op 6 augustus 2026. De overschrijding van de redelijke termijn van in totaal vijf maanden is dus volledig aan de rechtbank toe te rekenen. Dit betekent dat de Staat wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan eiser van € 500,-.
Omdat het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen, ziet de rechtbank aanleiding de Staat te veroordelen in de proceskosten die eiser voor het schadevergoedingsverzoek heeft gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding met een waarde per punt van € 934,- met een wegingsfactor 0,5).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.