RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.55341
(gemachtigde: mr. J.W.J. van den Broek),
en
(gemachtigde: mr. R. Hopman).
Procesverloop
Met het besluit van 30 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw
opgelegd.
Verweerder heeft een kennisgeving voortduren vreemdelingenbewaring aan de rechtbank gezonden. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft een reactie op de beroepsgronden ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 25 september 2026.
Beoordeling door de rechtbank
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 13 juli 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 8 juli 2026, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds 8 juli 2026.
3. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Verweerder heeft niet gemotiveerd of er nader onderzoek heeft plaatsgevonden naar aanleiding van de uitkomsten van het Prüm-onderzoek en of een taalanalyse heeft plaatsgevonden. Eiser wijst daarbij erop dat de uitkomsten van het Prüm-onderzoek al op 4 september 2026 bekend waren en dat aan hem op 1 september 2026 medewerking is gevraagd voor een taalanalyse. Eiser heeft ook zijn medewerking verleend. Daarnaast voert eiser aan dat geen sprake is van zicht op uitzetting naar Algerije. Eisers nationaliteit is niet bevestigd door de Algerijnse autoriteiten en er is geen ander land in beeld waarvoor een laissez-passer kan worden aangevraagd.
4. Eiser wordt hierin niet gevolgd. Verweerder heeft in zijn brief van 25 september 2026 toegelicht dat op 9 september 2026 nader onderzoek is uitgezet bij België, Duitsland, Frankrijk en Spanje. Van deze landen zijn op 4 september 2026 namelijk voorlopige hits ontvangen. Verweerder heeft verder toegelicht dat de uitkomst van deze nadere onderzoeken ook relevant is voor de insteek van een eventueel op te starten taalanalyse. Uit het dossier blijkt voorts dat verweerder de belgegevens van eiser heeft opgevraagd, maar dat daaruit geen relevante informatie naar voren is gekomen. Daarnaast blijkt uit het voortgangsrapport dat verweerder sinds 8 juli 2026 drie vertrekgesprekken met eiser heeft gevoerd. Verweerder werkt dan ook voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. Gelet op de lopende onderzoeken is het zicht op uitzetting ook niet komen te ontbreken. De rechtbank wijst er tot slot op dat op eiser de verplichting rust om actieve en volledige medewerking te verlenen aan het onderzoek naar zijn nationaliteit en identiteit. Hoewel eiser stelt medewerking te verlenen, blijkt uit de verslagen van de vertrekgesprekken dat eiser zich niet actief inzet om aan documenten te komen waarmee de uitzetting kan worden bespoedigd. Nu eiser niet aan zijn meewerkplicht voldoet komt de langere duur van de bewaring daarom voor zijn risico.
5. Ook met inachtneming van de ambtshalve toets ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel in de te beoordelen periode onrechtmatig is geweest.
6. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 30 september 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.