RECHTBANK DEN HAAG
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
Samenvatting
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.21681
(gemachtigde: mr. L.E.J. Vleesenbeek),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. W. van Hoof).
1. Deze tussenuitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
2. De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De rechtbank doet een tussenuitspraak en stelt verweerder in de gelegenheid om de gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Procesverloop
3. Eiser heeft op 28 oktober 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Eiser heeft de Colombiaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] . Verweerder heeft de asielaanvraag met het bestreden besluit van 25 april 2024 in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond en bepaald dat eiser naar Colombia moet terugkeren.
4. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
5. De rechtbank heeft het beroep op 27 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
6. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag – samengevat weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd. Eisers broer is vermoord op 25 februari 2018. Omdat de autoriteiten in de ogen van eiser niets deden, is hij zelf onderzoek gaan doen naar de moord, gedurende drie jaar. Tijdens dit onderzoek is eiser in contact gekomen met drugsdealers, criminelen en bendes om inlichtingen te krijgen over de moord. Die inlichtingen heeft eiser deels verkregen. Toen de coronapandemie uitbrak, is eiser gaan studeren en heeft hij de zaak van zijn broer even laten rusten, waarna eiser weer verder is gegaan met zijn onderzoek. In 2021 is eiser tijdens een wandeling bedreigd door een man op een motor, waarbij twee keer door de man met een pistool is geschoten. In april 2022 is eiser met de motor door een andere motor afgesneden. Een van de personen op de motor deed zijn hand in zijn zak en eiser dacht een wapen te zien, waarna eiser snel is weggereden. Vervolgens heeft hij besloten om Colombia te ontvluchten.
Het bestreden besluit
7. Het asielrelaas bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
8. Verweerder heeft de verklaringen van eiser over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Ook de moord op eisers broer heeft verweerder geloofwaardig geacht. De problemen die eiser heeft ondervonden door zijn onderzoek naar de moord op zijn broer heeft verweerder ongeloofwaardig geacht. Verweerder heeft daarvoor acht redenen genoemd. Eiser heeft wisselend verklaard over wat hij wist over de aanleiding van de moord op zijn broer (tegenwerping 1), over wie de uitvoerders en opdrachtgevers waren (tegenwerping 2) en over het delen van zijn onderzoek met het Openbaar Ministerie (tegenwerping 3). Verder vindt verweerder het onlogisch dat eiser geen aangifte doet bij de autoriteiten vanwege de risico’s die daaraan zijn verbonden, terwijl hij wel zelf drie jaar lang onderzoek heeft gedaan binnen het criminele circuit (tegenwerping 4). Verder vindt verweerder de verklaringen van eiser over wat hij heeft waargenomen bij het schietincident summier (tegenwerping 5). Ook heeft eiser onduidelijk verklaard over de persoon die zou hebben geschoten (tegenwerping 6) en onlogisch en wisselend verklaard over waarom hij zou zijn beschoten (tegenwerping 7). Tot slot heeft verweerder eiser tegengeworpen dat hij summier heeft verklaard over wat hij heeft gezien bij het incident waarbij hij door een motor zou zijn afgesneden (tegenwerping 8).
9. Eiser kan volgens verweerder op grond van het geloofwaardig geachte eerste en tweede element niet worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Verweerder stelt zich daarnaast op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade in Colombia. Daarom komt eiser niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel.
Aanvullend standpunt verweerder in beroep
10. Verweerder heeft zijn standpunt in beroep gedeeltelijk gewijzigd.
11. De tegenwerpingen 2, 3 en 7 legt verweerder niet langer ten grondslag aan het bestreden besluit.
12. De tegenwerpingen 1, 4, 5, 6 en 8 heeft verweerder gehandhaafd. In aanvulling op die tegenwerpingen heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij onderzoek heeft verricht naar de moord op zijn broer en daardoor problemen heeft ondervonden met de Celadores. Van iemand die stelt dat hij gedurende meerdere jaren in criminele kringen onderzoek heeft verricht, daarbij vriendschappen heeft opgebouwd, drugs heeft verstrekt en over gedetailleerde kennis van de Celadores beschikt, mag worden verwacht daar concreet, inzichtelijk en overtuigend over te verklaren. Ook als dit onderzoek met onderbrekingen heeft plaatsgevonden. Zulke verklaringen heeft eiser niet gegeven en hij heeft ook geen documenten overgelegd of andere objectieve aanknopingspunten naar voren gebracht waaruit blijkt van het gestelde onderzoek en van problemen met de Celadores. Over de gestelde motor- en schietincidenten merkt verweerder aanvullend op dat, ook als deze hebben plaatsgevonden, daaruit niet volgt dat deze verband houden met het gestelde onderzoek of dat de Celadores daarbij betrokken waren. Dat onderzoek is immers niet aannemelijk gemaakt en er ontbreekt een grondslag om de incidenten aan de Celadores toe te schrijven.
Beroepsgronden
13. Over de tegenwerpingen 1, 4, 5, 6 en 8 voert eiser het volgende aan. Hij betwist dat hij wisselend heeft verklaard over wat hij wist van de redenen van de moord op zijn broer (tegenwerping 1). Hij had in eerste instantie niet begrepen wat zijn broer vertelde, maar dat heeft zijn broer op een later moment uitgelegd. Ook is het niet onlogisch is dat eiser zelf onderzoek heeft gedaan naar de moord op zijn broer, maar daarna geen aangifte heeft gedaan vanwege de risico’s die daaraan verbonden zijn (tegenwerping 4). Hoe dan ook lag het onderzoek door corona en een stage af en toe stil. Zijn onderzoek kon hij bovendien anoniem doen. Als hij aangifte zou doen, zou hij mogelijk als getuige moeten worden gehoord en dat zou direct bekend worden in het criminele circuit. Over het schietincident (tegenwerpingen 5 en 6) voert eiser aan dat hij niet meer kan verklaren dan hij heeft gedaan. Het is ook niet mogelijk om op een andere manier met bewijs aan te tonen wat er is gebeurd. Eiser weet echter heel duidelijk dat degenen op de motorfiets behoorden tot de Celadores. Dat eiser niet is beschoten, betekent niet dat het incident zich niet heeft voorgedaan. Eiser is weggerend nadat hij werd aangesproken door de man op een motor en de man zijn hand in zijn zak deed om iets te pakken. Gezien de geluiden die eiser daarna hoorde, moet de man een pistool uit zijn zak hebben gepakt en hebben geschoten. Aan eiser is ook ten onrechte tegengeworpen dat onduidelijk is waarom hij niet werd gevolgd op het moment dat hij werd afgesneden door twee mannen op een motor (tegenwerping 8).
14. Eiser voert verder aan dat hij bij terugkeer naar Colombia een risico loopt op ernstige schade. Verweerder heeft ten onrechte geen landeninformatie betrokken bij de beoordeling. Het onderzoek van eiser heeft enige tijd stil gelegen door verblijf bij zijn oma, school, stage en werk. Begin 2022 heeft eiser het onderzoek weer opgepakt en al snel daarna werd hij voor de eerste keer bedreigd. Eisers broer is vermoord en het OM doet daar geen onderzoek meer naar. De daders zullen dus niet worden vervolgd. Bij een gedwongen terugkeer naar Colombia vreest eiser voor zijn leven. De overheid kan eiser niet beschermen tegen de criminele organisaties en eiser kan ook niet worden toegelaten tot een beschermingsprogramma van de overheid, omdat hij geen publieke bekendheid heeft.
Gronden die geen bespreking meer behoeven
15. Omdat verweerder de tegenwerpingen 2, 3 en 7 niet langer aan het bestreden besluit ten grondslag legt, behoeven de daartegen gerichte beroepsgronden geen bespreking meer.
16. Eiser heeft ook aangevoerd dat aan hem om medische redenen uitstel van vertrek moet worden verleend. Tijdens de zitting heeft eiser deze beroepsgrond ingetrokken, zodat die grond geen bespreking meer hoeft.
Beoordeling van tegenwerping 1
17. Verweerder werpt eiser tegen dat hij wisselend heeft verklaard over de aanleiding van de moord op zijn broer. Tijdens het nader gehoor verklaart eiser eerst dat zijn broer iets had gehoord wat hij niet had moeten horen, maar dat hij niet precies had begrepen wat dat was (bladzijde 8). Later heeft eiser wel verklaard over de aanleiding van de moord (bladzijde 11). De rechtbank volgt verweerder niet in het standpunt dat eiser hiermee wisselend heeft verklaard. Eiser is bij het nader gehoor gevraagd om welke reden/redenen zijn broer vermoord zou zijn. Daarop verklaarde eiser onder meer: “De eerste reden is, dat hij iets heeft gehoord dat hij niet had moeten horen. Wat dat precies was heb ik niet helemaal begrepen, maar hij had het niet moeten horen.”. Naar het oordeel van de rechtbank volgt daaruit dat eiser wel iets wist van de reden waarom zijn broer werd vermoord: zijn broer had iets gehoord wat hij niet had moeten horen. Dat eiser op dat moment ‘niet helemaal heeft begrepen’ wat dit dan precies was en daar later daar toch het een en ander over toelicht, ziet de rechtbank niet als wisselende verklaringen. Door te verklaren dat je iets niet helemaal begrijpt, sluit je niet uit dat je er wel iets van hebt begrepen of een onderbouwd vermoeden hebt. In de latere verklaring vertelt eiser meer, namelijk dat zijn broer iets zou hebben gehoord over een lijst waarop namen stonden van jongens die vermoord moesten worden en dat zijn broer ook wist wie de lijst had opgesteld. Maar ook in die verklaring drukt eiser zich voorzichtig uit. Dit kan nog steeds passen in de eerdere verklaring dat hij niet helemaal had begrepen wat zijn broer had gehoord. De rechtbank volgt eiser in het standpunt dat hij niet wisselend heeft verklaard over wat hij wist van de redenen van de moord op zijn broer. De beroepsgrond slaagt.
Beoordeling van de tegenwerpingen 5, 6 en 8
18. In het bestreden besluit heeft verweerder eiser tegengeworpen dat hij summier heeft verklaard over zijn waarnemingen bij het tegen hem gerichte schietincident, onlogisch en wisselend heeft verklaard over waarom hij zou zijn beschoten en summier heeft verklaard over wat hij heeft gezien bij het incident waarbij hij door een motor zou zijn afgesneden. De rechtbank is van oordeel dat deze tegenwerpingen onterecht zijn. Bij beide incidenten was sprake van stressvolle omstandigheden, waarbij eiser er met name op gericht was om zo snel mogelijk weg te komen uit de situatie. Dit maakt dat minder gedetailleerde verklaringen kunnen worden verwacht. In de door eiser geschetste situaties is het niet onlogisch dat eiser geen tijd had of nam om de betrokken mannen goed te bekijken; het zou immers levensgevaarlijk kunnen zijn om bij hen in de buurt te blijven. Verweerder heeft ten onrechte van eiser verwacht dat hij uitgebreider en consistenter kon verklaren over wat hij bij die beide incidenten heeft meegemaakt. Deze beroepsgronden slagen.
Beoordeling van tegenwerping 4 en het aanvullende standpunt van verweerder in beroep
19. Verweerder heeft tijdens de beroepsprocedure een nieuwe tegenwerping ten grondslag gelegd aan de afwijzing van eisers asielaanvraag, namelijk dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij onderzoek heeft verricht naar de moord op zijn broer. Deze tegenwerping staat niet als zodanig in het bestreden besluit. Twee van de acht tegenwerpingen in het bestreden besluit zien op het door eiser verrichte onderzoek. Tegenwerping 3 is in beroep komen te vervallen. Tegenwerping 4 is in beroep nog wel aan de orde, en is als volgt opgenomen in het bestreden besluit: “Het is los van het voorgaande vervolgens onlogisch dat u geen aangifte hebt gedaan bij de autoriteiten met betrekking tot uw kennis van de moord op uw broer vanwege de risico’s die hieraan verbonden zouden zijn, terwijl u wel drie jaar lang intern onderzoek hebt gedaan binnen het criminele circuit.”. Hiermee is eiser niet, in ieder geval niet expliciet, tegengeworpen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij onderzoek heeft gedaan naar de moord op zijn broer.
20. De rechtbank volgt verweerder niet in het standpunt dat onlogisch is dat eiser geen aangifte heeft gedaan vanwege de daaraan verbonden veiligheidsrisico’s. Het onderzoek zelf bracht, zoals eiser heeft verklaard, de nodige veiligheidsrisico’s met zich mee. Het doen van aangifte zou die risico’s nog vergroten, omdat de Celadores dan bekend zouden raken met het onderzoek dat eiser had gedaan naar de moord op zijn broer. Alleen al daarom acht de rechtbank het niet onlogisch dat eiser geen aangifte heeft gedaan. Eiser heeft hierover ter zitting nog toegelicht dat het misschien wel mogelijk zou zijn om de resultaten van zijn onderzoek bekend te maken aan mensen binnen het Openbaar Ministerie zonder dat dit direct bekend zou worden bij de Celadores, in de hoop dat zijn broer vervolgens recht gedaan zou worden door de moordenaars ter verantwoording te roepen. Daar is eiser door de bedreigingen niet meer aan toegekomen. Deze verklaring acht de rechtbank op voorhand niet onaannemelijk. Tegenwerping 4 kan dus geen stand houden.
21. De in het verweerschrift en tijdens de zitting gegeven motivering van de nieuwe tegenwerping in beroep dat niet aannemelijk is dat eiser onderzoek heeft gedaan, is onvoldoende. Het onderzoek naar de moord op de broer van eiser is de kern van het asielrelaas. Door dat onderzoek zou eiser namelijk zijn bedreigd. Ondanks dat de rechtbank begrijpt dat er mogelijk kanttekeningen te plaatsen zijn bij de verklaringen van eiser over het onderzoek, is het standpunt van verweerder niet deugdelijk onderbouwd. Verweerder heeft in beroep enkel het standpunt ingenomen dat eiser dit onderzoek niet aannemelijk heeft gemaakt, zonder dit standpunt te onderbouwen. Daarbij is van belang dat verweerder tijdens het nader gehoor weinig verdiepende vragen heeft gesteld over dit onderzoek. Eiser is tijdens het gehoor ook niet geconfronteerd met eventuele summiere of tegenstrijdige verklaringen. Deze tegenwerping is dus niet voorzien van een voldoende motivering. De hiertegen aangevoerde beroepsgrond slaagt in zoverre.
Conclusie en gevolgen
22. Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft verweerder het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. Het bestreden besluit is dus genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en moet worden vernietigd.
23. De rechtbank is van oordeel dat de gebreken in het bestreden besluit niet zijn hersteld met de nadere toelichting in het verweerschrift en op de zitting. De rechtbank ziet daarom geen reden om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb.
24. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen de gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Hierbij is van belang dat de asielprocedure van eiser al lang loopt en dat toepassing van de bestuurlijke lus eraan kan bijdragen dat deze procedure sneller wordt afgerond.
25. Dat herstellen dient te gebeuren met een aanvullend besluit met inachtneming van deze tussenuitspraak. In dat besluit dient verweerder hetzij de afwijzing van de aanvraag van eiser alsnog deugdelijk te motiveren, hetzij de aanvraag alsnog in te willigen.
26. De termijn waarbinnen verweerder het gebrek dient te herstellen, is afhankelijk van het nader onderzoek dat hij wil verrichten. Het staat verweerder vrij om eiser aanvullend te horen over de feiten en omstandigheden die van belang zijn voor de beoordeling. Indien verweerder hiervoor kiest, krijgt verweerder na deze tussenuitspraak tien weken de tijd om een aanvullend besluit te nemen, waarbij eiser in de gelegenheid moet worden gesteld om correcties en aanvullingen op het rapport van het aanvullend gehoor in te dienen. Indien verweerder eiser niet aanvullend wil horen, wordt van verweerder verwacht dat hij binnen zes weken een nieuw besluit neemt. Na ontvangst van het aanvullende besluit bepaalt de rechtbank hoe de procedure wordt voortgezet. Dat is uiteraard sterk afhankelijk van de vraag of het nieuwe besluit voor eiser positief of negatief is. Alle verdere stukken in de procedure moeten zodra zij beschikbaar komen in het digitale dossier worden geplaatst.
27. De rechtbank verzoekt verweerder om binnen twee weken aan eiser en de rechtbank bekend te maken of hij gebruik maakt van de gelegenheid om de gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Als verweerder van deze gelegenheid geen gebruik maakt, doet de rechtbank in beginsel zonder nadere zitting einduitspraak.
28. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dit betekent dat zij ook over de proceskosten nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:
- heropent het onderzoek;
- verzoekt verweerder om binnen twee weken schriftelijk mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid om een aanvullend besluit te nemen;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.N. Foppen, rechter, in aanwezigheid van E.J. van den Doel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze
tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.