ECLI:NL:RBDHA:2026:28916

ECLI:NL:RBDHA:2026:28916

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 30-09-2026
Datum publicatie 30-09-2026
Zaaknummer NL26.55868
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

volgberoep bewaring, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.55868

v-nummer: [v-nummer] ,

(gemachtigde: mr. F.A. Broersma),

en

(gemachtigde mr. V.R. Bloemberg).

Procesverloop

1. De minister heeft op 25 augustus 2026 aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. De maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hier op gereageerd.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 29 september 2026 gesloten.

Overwegingen

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 3 september 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is sinds het sluiten van dat onderzoek op 1 september 2026.

3. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw of bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

Standpunten eiser

4. Eiser stelt in het beroepschrift van 22 september 2026 dat er onvoldoende voortvarend wordt gehandeld door de minister. Op 25 september 2026 schrijft eiser dat de overgelegde voortgangsrapportage door de minister geen aanleiding geeft tot opmerkingen en dat eiser zich refereert aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling rechtbank

5. De rechtbank oordeelt allereerst dat zicht op uitzetting naar Marokko bestaat. Zoals ook in de vorige uitspraak is overwogen, ontbreekt zicht op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn in zijn algemeenheid niet. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. De Marokkaanse autoriteiten hebben al eerder, op 2 september 2022, de nationaliteit van eiser bevestigd en destijds, op 7 juli 2023, een laissez-passer afgegeven. Niet is gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten niet opnieuw een laissez-passer aan eiser zullen verstrekken.

Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure voldoende voortvarend heeft gehandeld. Uit de voortgangsrapportage van 22 september 2026 blijkt dat op 28 augustus 2026 de vertegenwoordiger van het Marokkaanse consulaat in Den Bosch is gevraagd naar de stand van zaken in het onderzoek naar eiser. De minister heeft hierbij gewezen op de eerder afgegeven laissez-passer. Op 4 september 2026 is er gerappelleerd op dit verzoek omdat er nog geen reactie was ontvangen. Er is daarbij weer gewezen op de reeds eerder afgegeven nationaliteitsbevestiging en laissez-passer. Daarnaast is er op 8 september 2026 voor het laatst gerappelleerd en heeft er op 27 augustus 2026 voor het laatst een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat de minister daarmee voldoende voortvarend handelt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser in onderhavige procedure geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om te oordelen dat een lichter middel zou kunnen volstaan of dat het voortzetten van de bewaring niet langer gerechtvaardigd zou zijn.

De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, rechter, in aanwezigheid van

mr. N. Wetterauw, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S. Ketelaars-Mast

Griffier

  • mr. N. Wetterauw

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand