ECLI:NL:RBDHA:2026:28918

ECLI:NL:RBDHA:2026:28918

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 30-09-2026
Datum publicatie 30-09-2026
Zaaknummer NL26.56147
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

volgberoep bewaring, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.56147

v-nummer: [v-nummer] ,

(gemachtigde: mr. M. Rasul),

en

(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Procesverloop

1. De minister heeft op 27 maart 2026 aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft op 23 september 2026 beroepsgronden ingediend.

De minister heeft de maatregel op 10 september 2026 opgeheven.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 29 september 2026 gesloten.

Overwegingen

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al driemaal eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 27 juli 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is sinds het sluiten van dat onderzoek op 27 juli 2026.

3. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.

Standpunten eiser

Zicht op uitzetting

4. Eiser stelt dat niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten eiser terug wilden nemen en dat er daarom geen zicht op uitzetting bestond. Eiser wijst erop dat er geen presentatie van eiser heeft plaatsgevonden en dat er geen laissez-passer is afgegeven. Gelet op het feit dat de laissez-passeraanvraag al in maart 2026 was verzonden en er meerdere rappels zonder resultaat zijn verstuurd, had dit er volgens eiser ertoe moeten leiden dat de maatregel eerder was opgeheven.

Voortvarendheid

5. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Eiser stelt dat sinds de sluiting van het vorige onderzoek onvoldoende rappels zijn verstuurd en onvoldoende vertrekgesprekken zijn gevoerd.

Lichter middel

6. Eiser meent dat er ten onrechte geen lichter middel is opgelegd. Er had volgens eiser eerder gekozen moeten worden voor een lichter middel, zoals een meldplicht, plaatsing in een asielzoekerscentrum of in een vrijheidsbeperkende locatie. Daarbij is volgens eiser van belang dat de laissez-passeraanvraag al in maart 2026 was ingediend en de Algerijnse autoriteiten daar niet op hebben gereageerd. Volgens eiser had dit aanleiding voor de minister moeten zijn om een lichter middel op te leggen.

Beoordeling rechtbank

Zicht op uitzetting

7. De rechtbank oordeelt allereerst dat zicht op uitzetting naar Algerije bestaat. Zoals ook in de vorige uitspraak is overwogen, ontbreekt zicht op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn in zijn algemeenheid niet. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. De laissez-passer aanvraag was nog steeds in onderzoek en niet was gebleken dat de Algerijnse autoriteiten geen laissez-passer voor eiser zouden verstrekken. Daar komt bij dat de minister afhankelijk is van de medewerking van de Algerijnse autoriteiten. De rechtbank acht voorts van belang dat eiser in zijn vertrekgesprek van 17 augustus 2026 heeft aangegeven dat hij geen acties heeft ondernomen om zijn terugkeer te realiseren. Ook blijkt uit de voortgangsrapportage dat eiser op 24 augustus 2026 niet zijn medewerking heeft willen verlenen aan het opstellen van een vrijwilligersbrief. Niet kan worden uitgesloten dat de Algerijnse autoriteiten, indien eiser medewerking had verleend, sneller waren overgaan tot het verlenen van een laissez-passer.

Voortvarendheid

De rechtbank is verder van oordeel dat er voldoende voortvarend aan de overdracht van eiser is gewerkt. Er heeft op 17 augustus 2026 een vertrekgesprek plaatsgevonden en er is op 30 juli 2026, 20 augustus 2026 en 8 september 2026 schriftelijk en telefonisch gerappelleerd. Daarnaast blijkt uit de voortgangsrapportage dat er op 4 augustus 2026 een verzwaarde belangenafweging is gemaakt. Ook blijkt uit deze voortgangsrapportage dat een medewerker van DT&V op 24 augustus 2026 een bezoek aan eiser heeft gebracht en heeft gevraagd of eiser een vrijwilligersbrief wilde laten opstellen waarin hij de consul zou vragen om ondersteuning bij de facilitering van zijn vertrek. Eiser gaf aan dit niet te willen en zelf contact op te willen nemen met de ambassade. De rechtbank ziet geen reden om op basis van deze gang van zaken te concluderen dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.

Lichter middel

De rechtbank heeft in de hiervoor onder 2. genoemde uitspraak geoordeeld dat het toepassen van een lichter middel niet volstaat om de uitzetting van eiser te verzekeren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser ook in onderhavige procedure geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om te oordelen dat een lichter middel nu wel had volstaan of dat de voortzetting van de vreemdelingenbewaring niet langer gerechtvaardigd was.

De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en de opheffing van de maatregel onrechtmatig was.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, rechter, in aanwezigheid van

mr. N. Wetterauw, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S. Ketelaars-Mast

Griffier

  • mr. N. Wetterauw

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand