RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], eiseres
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/8250
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
Procesverloop
Bij besluit van 9 november 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
Bij besluit van 19 april 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Ook is verschenen [persoon A], referent. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.
(Totstandkoming van) het bestreden besluit
Inleiding
1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en heeft de Thaise nationaliteit. Zij heeft op 27 oktober 2023 een visum voor kort verblijf aangevraagd om referent te bezoeken. Met het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen.
Het bestreden besluit
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de visumaanvraag van eiseres gehandhaafd op basis van twee weigeringsgronden, namelijk (1) dat zij het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond en (2) dat er redelijke twijfel bestaat over haar voornemen om het grondgebied van de lidstaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het visum te verlaten. Verweerder heeft hierbij verwezen naar artikel 32, eerste lid, onder a) ii en onder b) van Verordening (EG) nr. 810/2009 (Visumcode).
Overwegingen
Juridisch kader en toetsingsmaatstaf
3. Op grond van artikel 32, eerste lid, van de Visumcode wordt een visum geweigerd:
a. indien de aanvrager: […] ii. het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond; […], of
indien er redelijke twijfel bestaat over de echtheid van de door de aanvrager overgelegde bewijsstukken of over de geloofwaardigheid van de inhoud ervan, de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aanvrager of zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.
Uit het arrest Koushkaki van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013 (ECLI:EU:C:2013:862), volgt dat de autoriteiten bij het onderzoek van een visumaanvraag over een ruime beoordelingsruimte beschikken met betrekking tot de toepassingsvoorwaarden van (onder andere) artikel 32, eerste lid, van de Visumcode en de beoordeling van de relevante feiten, om te bepalen of een van de weigeringsgronden aan de aanvrager kan worden tegengeworpen. Dit betekent dat de rechtbank het standpunt van verweerder dat een weigeringsgrond zich voordoet slechts terughoudend kan toetsen.
Beoordeling door de rechtbank
Doel en omstandigheden
4. Eiseres betoogt dat zij het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf wel degelijk heeft aangetoond. Zo heeft zij drie foto’s uit 2024 overgelegd waarop zij samen met referent is afgebeeld in Thailand. Referent heeft ter zitting nog foto’s uit onder meer 2003, 2004 en later getoond waarop zij op enkele foto’s ook gezamenlijk zijn te zien. Volgens referent kennen hij en eiseres elkaar al 26 jaar en is hij ook talloze malen naar Thailand gereisd. Daarnaast heeft referent ter zitting verklaard dat zijn moeder graag eiseres wil zien. Eiseres heeft namelijk een hechte band met zijn moeder, maar zijn moeder is vanwege haar gezondheid niet in staat om naar Thailand te reizen om eiseres te bezoeken. Ter zitting is ook nog gebleken dat eiseres en referent inmiddels een relatie hebben.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiseres het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond. Het feit dat referent geld naar haar overmaakt(e) en de foto’s die eiseres heeft overgelegd heeft verweerder hiervoor onvoldoende kunnen vinden om een vriendschap van 26 jaar, met zeer regelmatige ontmoetingen, te onderbouwen. Van eiseres had mogen worden verwacht dat zij meer objectieve bewijsstukken zou overleggen dan enkel een drietal foto’s uit 2024 (voor het eerst in beroep) en de op zitting getoonde foto’s. Verweerder heeft van eiseres kunnen verwachten dat zij bijvoorbeeld met e-mails, whatsapp-berichten, foto’s van haar en referent samen, of anderszins tot een betere onderbouwing van een 26 jaar durende, intensieve vriendschap te komen. De rechtbank volgt ook niet zonder meer de stelling van eiseres dat de foto’s uit 2024 wel voldoende waren geweest als zij had gesteld dat de vriendschap in 2024 was ontstaan. Het is aan haar om het doel en de omstandigheden van haar verblijf aannemelijk te maken door informatie en bewijsmiddelen te verstrekken op basis waarvan verweerder kan beoordelen of wordt voldaan aan de voorwaarden (artikel 14 van de Visumcode en Bijlage II bij de Visumcode). Verweerder heeft bij de beoordeling daarvan een ruime beoordelingsvrijheid. Verweerder heeft er ook op kunnen wijzen dat eiseres eerder een visum kort verblijf heeft aangevraagd dat ook vanwege een gebrek aan onderbouwing op dit punt is afgewezen en dat het beroep tegen die afwijzing ongegrond is verklaard (zaaknummer AWB 23/1786). Dat eiseres voor de moeder van referent naar Nederland wil komen, zoals voor het eerst tijdens de zitting naar voren is gebracht door referent, is verder ook niet onderbouwd, terwijl hiervoor wel ruim de gelegenheid is geweest.
Verweerder heeft zich dus naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond, als bedoeld in artikel 32, eerste lid, onder a, sub ii, van de Visumcode.
Twijfel over tijdige terugkeer
5. Eiseres voert aan dat zij al veel vaker in Nederland is geweest en telkens naar Thailand is teruggekeerd. Volgens eiseres volgt uit vaste jurisprudentie dan een omkering van de bewijslast zodat verweerder nu moet beargumenteren waarom eiseres niet zou terugkeren naar haar land van herkomst. Daarnaast wijst eiseres erop dat referent medewerker is geweest bij de Vreemdelingendienst en een betrouwbare referent is. Dit moet verweerder meewegen, zoals ook volgt uit de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 4 mei 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:6637. Hij heeft bij eerdere bezoeken van eiseres er ook steeds op toegezien dat zij tijdig terugkeerde naar Thailand. Hij heeft ook geen enkele twijfel dat zij dit opnieuw zal doen. Verder wijst eiseres erop dat zij bij eerdere visumaanvragen ook geen werk had en toen wel een visum heeft gekregen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er twijfel bestaat over de tijdige terugkeer van eiseres naar Thailand. Bij de beoordeling hiervan mag verweerder zich in belangrijke mate laten leiden door de intensiteit van de sociale en economische binding van de vreemdeling met zijn of haar land van herkomst. Al naar gelang de sociale en/of economische binding geringer of juist sterker is, zal ook de twijfel over het voornemen van de vreemdeling om tijdig terug te keren toe- of afnemen.
Verweerder heeft in het bestreden besluit het standpunt ingenomen dat niet is gebleken dat eiseres economische binding met Thailand heeft. Daarbij heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank kunnen meewegen dat eiseres geen werk heeft en dus geen sterke economische binding heeft met Thailand. Voor zover eiseres eerder wel een visum heeft gekregen terwijl zij toen ook geen werk had, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Eiseres stelt dat zij voor het laatst in 2008 – dus bijna 20 jaar geleden – een visum heeft gekregen. De afwegingen die daaraan ten grondslag hebben gelegen zijn niet bekend en verweerder is daaraan ook niet gebonden bij een volgende visumaanvraag.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat eiseres een zodanige sociale binding met Thailand heeft, dat tijdige terugkeer redelijkerwijs gewaarborgd is te achten. Verweerder heeft daarbij kunnen meewegen dat eiseres ongehuwd is en geen kinderen heeft. Zij heeft dus geen sociale band met Thailand voor wat betreft een eigen gezin. Daarnaast is niet gebleken dat eiseres zorgdraagt voor familieleden of dat er zwaarwegende verplichtingen op haar rusten in Thailand die maken dat sprake is van een zodanige sociale binding met Thailand dat tijdige terugkeer naar dat land redelijkerwijs gewaarborgd is.
Dat eiseres in het verleden altijd netjes is teruggekeerd binnen de termijn en dat referent betrouwbaar moet worden geacht, heeft verweerder niet doorslaggevend hoeven vinden voor de vraag of tijdige terugkeer in dit geval ook gewaarborgd is. Bij de beoordeling hiervan mag verweerder zich in belangrijke mate laten leiden door de intensiteit van de sociale en economische binding van de vreemdeling met zijn of haar land van herkomst. Al naar gelang de sociale en/of economische binding geringer of juist sterker is, zal ook de twijfel over het voornemen van de vreemdeling om tijdig terug te keren toe- of afnemen. Zoals gezegd kan de rechtbank verweerders standpunten over de sociale en economische binding van eiseres met Thailand volgen. De uitspraak van zittingsplaats Haarlem waarnaar eiseres verwijst, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Daaruit volgt namelijk slechts het standpunt van verweerder in die zaak dat een betrouwbare referent de doorslag tot visumverlening zou kunnen geven als de sociale en economische binding (in tegenstelling tot in deze zaak) dusdanig is dat het kantelpunt in zicht komt.
Verweerder heeft zich dan ook niet ten onrechte en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiseres om Nederland vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum te verlaten, als bedoeld in artikel 32, eerste lid, onder b, van de Visumcode. Dit betekent dat verweerder, nu de weigeringsgronden in artikel 32, eerste lid, van de Visumcode dwingend zijn geformuleerd, gehouden was de visumaanvraag van eiseres af te wijzen.
Gelijkheidsbeginsel
6. Eiseres beroept zich ten slotte, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 september 2009, ECLI:NL:RVS:2009:1184, op het gelijkheidsbeginsel. Aan eiseres is namelijk eerder meerdere keren een visum voor kort verblijf verleend terwijl haar situatie toen hetzelfde was. Daarnaast wijst eiseres erop dat aan haar zus wel een visum voor kort verblijf is verleend en dat zij ook tijdig is teruggekeerd naar Thailand. Verder is eiseres teleurgesteld in verweerder omdat hij tijdens de behandeling van de afwijzing van de vorige visumaanvraag op zitting heeft aangegeven dat een nieuwe visumaanvraag een goede kans van slagen zou hebben, terwijl hij ook de nieuwe visumaanvraag met het bestreden besluit heeft afgewezen. Het gevoel van onrechtvaardigheid wordt verder versterkt doordat eiseres en referent in Thailand ook op onrechtmatige wijze aan een visum voor eiseres hadden kunnen komen.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Daartoe overweegt de rechtbank dat het allereerst op de weg van eiseres ligt om aannemelijk te maken dat sprake is van gelijke gevallen. De enkele, niet onderbouwde stelling dat de zus van eiseres wel een visum heeft gekregen, zonder toe te lichten waarom hun situaties vergelijkbaar zijn, is onvoldoende voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel. Ook de stelling van eiseres dat zij in het verleden wel meerdere keren een visum heeft gekregen, leidt niet tot een ander oordeel omdat eiseres onvoldoende heeft aangetoond dat de omstandigheden destijds gelijk waren. Tot slot maakt de stelling van eiseres dat zij in Thailand ook op onrechtmatige wijze aan een visum had kunnen komen, niet dat verweerder daarom een visum aan eiseres had moeten verlenen.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: