ECLI:NL:RBDHA:2026:28937

ECLI:NL:RBDHA:2026:28937

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 30-09-2026
Datum publicatie 30-09-2026
Zaaknummer NL25.43207
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Aanvraag verblijfsvergunning regulier voor medische behandeling. Herhaalde afwijzing. Strafrechtelijke veroordeling. Artikel 64 Vw van toepassing. Artikel 4:84 Awb en artikel 8 EVRM. Gevolg gegeven aan uitspraak Afdeling. Geen deugdelijke motivering. Rapport Forensisch Maatwerk. Rechtbank verklaart beroep gegrond, vernietigt besluit op bezwaar en draagt minister op nieuw besluit op bezwaar te nemen waarbij verblijfsvergunning wordt verleend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.43207

(gemachtigde: mr. A.M.J.M. Louwerse),

en

(gemachtigde: mrs. D.A.M. Frieser en R.R. de Groot).

1. Deze uitspraak gaat over de herhaalde afwijzing van de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.

De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep van eiser gegrond is, vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen waarbij aan eiser een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt verleend. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 27 juni 2019 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor medische behandeling. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 10 februari 2022 afgewezen en de afwijzing bij besluit op bezwaar van 3 augustus 2022 in stand gelaten. Daarbij heeft de minister besloten om aan eiser evenmin een verblijfvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen op grond van het recht op privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.

Het daartegen door eiser ingestelde beroep is bij uitspraak van 20 juni 2023 door deze rechtbank en zittingsplaats ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft vervolgens op 26 mei 2025 het hoger beroep van eiser tegen de uitspraak van de rechtbank gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het beroep gegrond verklaard, het besluit van 3 augustus 2022 vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op bezwaar moet nemen. Uit de uitspraak van de Afdeling blijkt verder dat de Afdeling er niet voor heeft gekozen om op grond van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat het beroep van eiser tegen het nieuw te nemen besluit op bezwaar moet worden ingesteld bij de Afdeling.

3. Eiser heeft aan de minister aangegeven niet opnieuw gehoord te willen worden. De minister heeft eiser op 16 juni 2025 een vragenlijst gestuurd. Eiser heeft de vragen op 11 juli 2025 schriftelijk beantwoord.

Met het bestreden besluit van 12 augustus 2025 heeft de minister het bezwaar van eiser weer ongegrond verklaard en is de minister bij de afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wegens medische behandeling gebleven.

De minister heeft het bestreden besluit aangevuld met een beslissing van 13 augustus 2025, waarin de minister heeft besloten aan eiser ook geen verblijfvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen op grond van het recht op privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Deze aanvullende beslissing maakt onderdeel uit van het bestreden besluit van 12 augustus 2025.

Het onderhavige beroep van eiser is tegen het bestreden besluit gericht. Eiser heeft op verschillende data beroepsgronden naar voren gebracht en verscheidene stukken van Forensisch Maatwerk ingediend. De minister heeft op 14 januari 2026 een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 19 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en mr. Frieser als gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om de minister in de gelegenheid te stellen te reageren op het door eiser ingebrachte rapport.

De minister heeft op 2 februari 2026 schriftelijk verweer gevoerd. Hierop heeft eiser op 30 maart 2026 schriftelijk gereageerd.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voortgezet op 15 september 2026. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en mr. R.R. de Groot als gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

4. Eiser komt uit Rwanda, verblijft al 25 jaar in Nederland en heeft nooit een verblijfsvergunning gehad. Wel krijgt eiser sinds 2013 uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw vanwege zijn medische situatie. Uit het dossier blijkt dat eiser telkens nieuwe aanvragen moet indienen om uitstel van vertrek te krijgen.

Heeft de minister zich gehouden aan de uitspraak van de Afdeling van 26 mei 2025?

5. De rechtbank dient eerst te beoordelen of de minister zich heeft gehouden aan wat de Afdeling in de uitspraak van 26 mei 2025 heeft overwogen.

6. De Afdeling heeft in de uitspraak van 26 mei 2025 het volgende geoordeeld:

“3. In zijn eerste en tweede grief klaagt appellant onder meer over het oordeel van de rechtbank dat de minister geen aanleiding heeft hoeven zien om met toepassing van artikel 4:84 van de Awb en het evenredigheidsbeginsel van haar beleid af te wijken. Hij betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister in het besluit op bezwaar niet kenbaar heeft meegewogen dat appellant naar eigen zeggen inmiddels geen gevaar meer is voor de openbare orde. Omdat hij om medische redenen blijvend uitstel van vertrek zal krijgen, en van daadwerkelijk gevaar voor de openbare orde geen sprake is, is het weigeren van een verblijfsvergunning volgens hem onevenredig.

De grieven slagen. De Afdeling legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Uit de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285 (https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/@128622/202002668-1-a3/) , onder 7.11, volgt dat een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit op grond van een discretionaire bevoegdheid die is ingevuld met beleidsregels, zoals de afwijzing van de aanvraag van appellant, moet nagaan of de toepassing van het beleid voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen (artikel 4:84 van de Awb). In aanmerking genomen dat appellant in bezwaar en beroep heeft aangevoerd dat er redenen zijn waarom de minister niet aan haar beleid heeft mogen vasthouden, heeft de rechtbank moeten toetsen of er bijzondere omstandigheden zijn die de minister aanleiding hadden moeten geven om van de beleidsregels in paragraaf B1/4.4 van de Vc 2000 af te wijken. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 14 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4652 (https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/@140765/202204850-1-v3/) , onder 3 en 3.1.

Dit heeft de rechtbank naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende gedaan. De rechtbank heeft weliswaar terecht overwogen dat de minister in het besluit op bezwaar is ingegaan op het langdurig verblijf van appellant in Nederland, dat hij door zijn medische situatie is gebonden aan Nederland en dat een verblijfsvergunning regulier hem meer perspectief zou bieden dan uitstel van vertrek. Zij heeft echter niet onderkend dat de minister in het besluit op bezwaar niet heeft beoordeeld of het tijdsverloop sinds de veroordeling en de omstandigheid dat appellant na zijn veroordeling geen strafbare feiten meer heeft gepleegd, aanleiding moeten geven om af te wijken van de beleidsregels in paragraaf B1/4.4 van de Vc 2000. Vergelijk eerdergenoemde uitspraak van 14 december 2023, onder 3.1. Verder heeft de rechtbank niet onderkend dat de minister in haar verweerschrift, noch tijdens de zitting is ingegaan op de nadere toelichting die appellant in beroep heeft gegeven voor zijn in bezwaar ingenomen stelling dat hij inmiddels geen gevaar meer is voor de openbare orde.

4. In zijn derde grief klaagt appellant dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM ten onrechte niet het tijdsverloop sinds de misdrijven en zijn gedrag daarna heeft betrokken. Appellant wijst erop dat hij in 2006 is veroordeeld en daarna geen strafbare feiten meer heeft gepleegd. Dat de minister deze omstandigheden bij de belangenafweging moet betrekken, volgt volgens appellant uit het arrest van het EHRM van 7 december 2021, Savran tegen Denemarken, ECLI:NL:ECHR:2021:1207JUD005746715.

De grief slaagt. Uit de arresten van het EHRM van 2 augustus 2001, Boultif tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2001:0802JUD005427300, paragraaf 48, en 18 oktober 2006, Üner tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2006:1018JUD004641099, paragrafen 57 en 58, volgt dat de minister bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM een ‘fair balance’ moet vinden tussen het belang van betrokkene en diens privéleven enerzijds en het Nederlands algemeen belang anderzijds. Daarbij moet zij alle relevante feiten en omstandigheden kenbaar betrekken. Indien bij de belangenafweging openbare-ordeaspecten een rol spelen, moet de minister de in het Boultif- en Üner-arrest benoemde criteria bij de belangenafweging betrekken. Hiertoe behoren onder meer de aard en ernst van het gepleegde misdrijf, de duur van het verblijf in het gastland, het tijdsverloop sinds het misdrijf en de gedragingen van betrokkene gedurende die tijd. Het EHRM heeft de hierboven genoemde uitgangspunten bevestigd in het arrest Savran, paragrafen 182 tot en met 185.

De rechtbank heeft niet onderkend dat de minister ten onrechte niet het tijdsverloop sinds de misdrijven en het gedrag van appellant daarna heeft betrokken in de belangenafweging, juist omdat appellant dit in bezwaar en beroep heeft aangevoerd.

5. Wat appellant verder aanvoert, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

6. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond en het besluit van 3 augustus 2022 wordt vernietigd. De minister moet een nieuw besluit op bezwaar nemen.”

7. De Afdeling heeft in rechtsoverweging 5 enkel aangegeven dat wat eiser verder heeft aangevoerd niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank leidt. Voor de rechtbank is met deze overweging niet duidelijk om welke grieven het gaat en, daarmee verband houdend, wat er al in rechte vast staat. Uit het hogerberoepschrift van eiser van 16 juli 2025 blijkt dat eiser in grief 3 had betoogd dat de minister bij de belangafweging in het kader van artikel 8 EVRM ook had moeten beoordelen of eiser recht heeft op reguliere huisvesting en recht heeft om te werken. Verder betoogde eiser in grief 3 dat van een eerste toelating geen sprake is, maar dat sprake is van voortgezet verblijf, omdat eiser al lange tijd rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 64 van de Vw. De rechtbank gaat ervan uit dat deze grieven hebben gefaald.

8. De rechtbank is van oordeel dat de minister in de motivering van het bestreden besluit van 12 augustus 2025 kenbaar is ingegaan op het tijdsverloop sinds de veroordeling en de omstandigheid dat eiser na zijn veroordeling geen strafbare feiten meer heeft gepleegd. Ook is de minister kenbaar ingegaan op eisers betoog dat hij geen gevaar meer is voor de openbare orde. Verder stelt de rechtbank vast dat de minister in de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM thans ook het tijdsverloop sinds de misdrijven en het gedrag van eiser daarna heeft betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich derhalve gehouden aan de uitspraak van de Afdeling.

Is de motivering van de minister deugdelijk?

9. Omdat de Afdeling over de door eiser in de grieven genoemde feiten en omstandigheden die in de beoordeling van artikel 4:84 van de Awb en in de belangenafweging van artikel 8 van het EVRM door de minister moeten worden beoordeeld en gewogen, geen uitdrukkelijk oordeel heeft gegeven, zal de rechtbank volledig beoordelen of de motivering van de minister in het thans bestreden besluit deugdelijk is.

10. De minister ziet geen aanleiding om op grond van artikel 4:84 van de Awb af te wijken van zijn beleid. Volgens de minister kan niet zonder meer worden aangenomen dat eiser niet opnieuw de fout ingaat, omdat de door eiser gegeven informatie blijkt geeft van een wankel geestelijk evenwicht. De minister vindt eiser kwetsbaar voor misbruik en uitbuiting, gezien zijn handelen van destijds kwam door onder meer verkeerde vrienden en omdat eiser jong en in de war was. Aan eisers spijtbetuiging kent de minister daarom geen doorslaggevend gewicht toe. Op de vraag van de minister of eiser kan vertellen wat voor gevolgen de door hem gepleegde misdrijven op de maatschappij/samenleving hebben, heeft eiser aangegeven dat hij denkt dat niet veel mensen op de hoogte zijn van de door hem gepleegde misdrijven. Dit getuigt volgens de minister niet van veel inzicht door eiser in zijn handelen, noch in enig inzicht over de gevolgen die zijn daden hebben gehad op het slachtoffer. Het getuigt volgens de minister zeker ook niet van een gewetensvol persoon die spijt heeft van zijn daden. De minister kent ook geen gewicht toe aan eisers stelling dat hij zichzelf waardeloos vindt en dat hij het goed zou willen maken met het slachtoffer, maar niet weet hoe dit moet. Volgens de minister heeft eiser al vanaf het begin niet kunnen overtuigen van enig inzicht in zijn handelen en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer en de samenleving. Dat hij volgens eigen zeggen nu goed wil doen en boodschappen doet voor oude mensen en de hond uitlaat, is voor de minister onvoldoende om tot een andere belangenafweging te komen. Gelet op de aard en de ernst van de door eiser gepleegde misdrijven en de schade die eiser daarmee heeft toegebracht aan derden, vindt de minister dat eisers belang om in Nederland te verblijven op grond van een verblijfsvergunning niet opweegt tegen het belang van Nederland en de bescherming van diens inwoners. Dat eiser zich mogelijk, volgens de heer [hulpverlener] , moeilijk kan handhaven in een asielzoekerscentrum (AZC), omdat hij onvoldoende weerbaar zou zijn, is volgens de minister ook geen reden om aan hem een verblijfsvergunning te verlenen. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser buiten het AZC in een omgeving met reguliere huisvesting bloot staat aan mensen die mogelijk misbruik van eiser kunnen maken. Ook daar zal eiser, net als in het AZC, afhankelijk zijn van mensen die hem daarin kunnen ondersteunen.

In de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM heeft de minister de eerdere belangenafweging die is gemaakt in het besluit van 10 februari 2022 meegenomen en als herhaald en ingelast beschouwd. Mede gezien de andere feiten en omstandigheden stelt de minister zich op het standpunt dat het belang van de Nederlandse overheid om Nederland en diens inwoners te beschermen tegen schendingen van de openbare orde zwaarder weegt dan eisers persoonlijke belang. Eisers privéleven in Nederland is volgens de minister dan ook geen reden om hem een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM te verlenen. Volgens de minister heeft eiser weliswaar sinds 2005 geen nieuwe misdrijven meer gepleegd, maar de ernst van de door hem gepleegde strafbare feiten maakt dat niet zonder meer doorslaggevend gewicht kan worden toegekend aan het tijdsverloop in de belangenafweging. Daartoe is volgens de minister van belang dat de aard en ernst van de door eiser gepleegde misdrijven een ernstige impact hebben op het (minderjarige) slachtoffer, dat levenslang moet leven met de lichamelijke en geestelijke gevolgen daarvan. Volgens de minister kan alleen daarom al aan eisers belang om in Nederland te verblijven geen doorslaggevend gewicht worden toegekend. De minister geeft ook in dit verband aan dat niet is gebleken dat eiser inzicht heeft in zijn handelen, de gevolgen daarvan voor het minderjarige slachtoffer, noch inzicht heeft in de gevolgen voor de samenleving. De minister weegt ook in dit verband in eisers nadeel dat eiser zegt dat waarschijnlijk niet veel mensen op de hoogte zijn van zijn misdaden. Volgens de minister zegt dit echter niets over de ernst van zijn misdaden en zijn inzicht over het effect dat zijn misdaden heeft op het slachtoffer of de samenleving. Dit wordt volgens de minister versterkt door eisers opmerkingen over het verblijf in een AZC en het jaarlijks een aanvraag moeten indienen voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw, dat volgens eiser de kans op recidive juist vergroot. De minister geeft aan dat indien in eisers geval sprake zou zijn van een bestendige gedragsverbetering, verblijf in een AZC of reguliere huisvesting geen verschil zou moeten maken en dat van eiser verwacht mag worden dat hij zou berusten in hetgeen hij ontvangt aan voorzieningen zoals opvang en behandeling, ondanks zijn begane misdrijven in het verleden. De minister verwacht van eiser dat hij zich meer bewust is van hetgeen hij het minderjarige slachtoffer heeft aangedaan. Het enige dat eiser daarover zegt, namelijk dat hij het erg vindt, en dat hij zich waardeloos voelt en het goed wil maken, wordt volgens de minister door hemzelf afgezwakt omdat hij vooral bezig is met zijn eigen wensen, zoals reguliere huisvesting en de wens om te werken. Ook hetgeen naar voren is gebracht over het gebrek aan weerbaarheid waardoor hij kwetsbaar stelt te zijn voor uitbuiting en misbruik, getuigt volgens de minister niet van een stabiel geestelijk evenwicht en versterkt de conclusie dat van een bestendige gedragsverbetering nog geen sprake is. De minister stelt zich gelet op dit alles op het standpunt dat, ondanks het tijdsverloop, niet kan worden aangenomen dat eiser geen actuele bedreiging meer vormt voor de openbare orde.

11. De rechtbank is van oordeel dat eisers beroepsgrond dat de motivering van de minister niet deugdelijk is, slaagt. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

12. Hoewel de minister in de motivering van de beide beslissingen ingaat op het tijdsverloop en het gedrag van eiser, waaronder dat hij sinds 2005 geen nieuwe misdrijven meer heeft gepleegd, is de rechtbank van oordeel dat de minister aan de beide aspecten onvoldoende gewicht heeft toegekend en dat de minister zijn standpunt dat eiser nog steeds een actuele bedreiging vormt voor de openbare orde, onvoldoende concreet en deugdelijk heeft gemotiveerd. Het standpunt van de minister dat eiser blijk geeft van een wankel geestelijk evenwicht is niet met een deskundigenrapport onderbouwd en blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer uit de beschikbare feiten en omstandigheden. De onderbouwing van de minister waarin wordt gewezen op eisers handelen in 2005 vindt de rechtbank in dit verband onvoldoende. Uit eisers mededeling dat hij denkt dat anno 2025 niet veel mensen op de hoogte zijn van de door hem gepleegde misdrijven, kan naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer de conclusie worden getrokken dat hij weinig inzicht heeft in de gevolgen van zijn handelen, laat staan voor die van het slachtoffer. Bovendien heeft eiser spijt betuigd en zegt hij dat hij het goed wil maken, maar weet hij alleen niet hoe. Het standpunt van de minister dat wat eiser heeft aangegeven niet getuigt van een gewetensvol persoon die spijt heeft van zijn daden, kan de rechtbank dan ook, zonder verdere onderbouwing van de minister, niet volgen. De rechtbank acht ook de motivering van de minister dat eiser geen bestendige gedragsverbetering laat zien, omdat hij aangeeft het zwaar te hebben in het langdurig verblijven in een AZC en dat het hem zwaar valt telkens een aanvraag op grond van artikel 64 van de Vw te moeten indienen, niet deugdelijk. De rechtbank kan ook het standpunt van de minister dat verwacht mag worden dat eiser berust in wat hij ontvangt aan voorzieningen zoals opvang en behandeling, niet volgen. Eiser heeft immers het recht om de onderhavige procedures te voeren en te onderbouwen waarom hij vindt dat er thans aan hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd zou moeten worden toegekend. De conclusie van de minister dat eiser hierdoor geen bestendige gedragsverbetering zou laten zien, vindt de rechtbank onbegrijpelijk.

13. Gedurende de beroepsprocedure heeft eiser verscheidene stukken van Forensisch Maatwerk overgelegd. Het betreft onder meer een e-mail van 7 januari 2026 met voorlopige bevindingen en een voorlichtingsrapportage van 14 januari 2026 van forensisch adviseur [adviseur] . Ook is een brief van Forensisch Maatwerk overgelegd waarin de deskundigheid van de heer [adviseur] nader wordt onderbouwd.

Het standpunt van de minister dat Forensisch Maatwerk en de heer [adviseur] in het bijzonder, niet als deskundigen kunnen worden aangemerkt, faalt. Uit het overgelegde schrijven van Forensisch Maatwerk blijkt de bijzondere expertise en deskundigheid van Forensisch Maatwerk en de heer [adviseur] in het bijzonder, wat betreft het uitvoeren van onderzoek en het schrijven van voorlichtingsrapportages binnen onder andere het strafrecht, het asiel- en vreemdelingenrecht en andere kwesties die de veiligheid en openbare orde raken. Rapporteurs zijn minimaal 10 jaar werkzaam geweest bij de reclassering en hebben zich onder andere gespecialiseerd in het rapporteren aan- en het adviseren van ZSM, het Openbaar Ministerie, de rechterlijke macht en het gevangeniswezen. Verder is aangegeven dat de heer [adviseur] in 2006 is beëdigd door de rechtbank Zutphen waarna hij 12,5 jaar ervaring opdeed binnen de reclassering. Ook komt uit het schrijven naar voren dat de heer [adviseur] veel kennis en ervaring heeft opgedaan binnen onder meer de GGZ, de jeugdzorg en als coördinator van een veiligheidskamer. Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank het standpunt van de minister dat geen sprake is van een deskundige, terwijl diezelfde deskundige bovendien jarenlang werkzaam is geweest in de justitiële keten, niet deugdelijk. De omstandigheid dat de heer [adviseur] niet als zodanig staat ingeschreven, doet aan het voorgaande niet af.

De rechtbank is verder van oordeel dat de voorlichtingsrapportage van 14 januari 2026, waarin deskundig onderzoek is gedaan naar de vraag of bij eiser nog sprake is van een actuele en reële dreiging van gevaar voor de Nederlandse samenleving, zorgvuldig tot stand is gekomen en concludent is. Het rapport geeft blijk van een uitvoerig onderzoek naar relevante bronnen en documenten, van meerdere gesprekken met eiser en van een intercollegiale toetsing. Er is uitgebreid onderzoek gedaan naar leefgebieden en persoonlijke omstandigheden. Volgens de rapporteur komt eiser in de gesprekken oprecht over in zijn uitingen van spijt en zijn er geen aanwijzingen dat eiser de feiten ontkent of zijn rol minimaliseert. Daarbij wordt aangegeven dat eiser een ontwikkelingsachterstand heeft zoals ook is benoemd in eerdere psychiatrische beoordelingen. Volgens de rapporteur erkent eiser het verwijtbare karakter van zijn handelen, geeft aan daar inmiddels inzicht in te hebben en heeft daar ook met meerdere hulpverleners over gesproken. Op basis van dossieranalyse, het referentenonderzoek en de gesprekken met eiser, lijkt het volgens de rapporteur aannemelijk dat de delicten in 2005 zijn gepleegd binnen een combinatie van psychische kwetsbaarheid, sociale afhankelijkheid, beperkte ontwikkelingsleeftijd en een onvermogen om adequate grenzen te stellen of in stand te houden. Verder wordt opgemerkt dat er geen sprake is van vast te stellen structureel probleemgedrag in sociale relaties; referenten benadrukken juist eisers sociale karakter en het ontbreken van conflicten. Hoewel er geen sprake lijkt van verslaving in de zin van verlies van controle of ernstige ontregeling, is er wel sprake van structureel cannabisgebruik, wat in combinatie met zijn psychiatrisch beeld een aandachtspunt is. Voorts komt uit onderzoek naar voren dat bij eiser sprake is van een langdurig psychiatrische aandoening: eiser lijdt aan schizofrenie, maar is sinds 2017 stabiel ingesteld op depotmedicatie, waarmee sindsdien geen psychotische decompensaties meer zijn opgetreden. De rapporteur heeft verder vastgesteld dat de houding van betrokkene wordt gekenschetst als coöperatief en niet-vijandig, met spijtbetuigingen en een zekere mate van introspectie. Zijn beperkte mentale belastbaarheid en beïnvloedbaarheid blijven relevante aandachtspunten. De rapporteur stelt voorts dat, hoewel eiser psychisch kwetsbaar blijft, op grond van de huidige stabiliteit, de afwezigheid van recidive en de bescherming door het zorgnetwerk, de kans op herhaling van vergelijkbaar delictgedrag op dit moment als laag tot zeer laag kan worden ingeschat. De rapporteur stelt verder dat uit het onderzoek geen enkele indicatie naar voren is gekomen die anders doet vermoeden dan een lage tot verwaarloosbare kans op recidive en sluit de rapportage af met de volgende conclusie:

“Betrokken is veroordeeld voor een ernstig vergrijp. Daar gaan ook wij niet aan voorbij. De rechtbank zag zich niet voor niets genoodzaakt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen van één jaar. Echter, als het voorts gaat over de vraag of er – op dit moment – bij betrokkene sprake is van een actueel en ernstig gevaar voor de samenleving, dan zien wij daar op basis van ons onderzoek géén aanwijzingen voor die theoretisch, wetenschappelijk of empirisch onderbouwd of aangetoond kunnen worden. Er wordt bij betrokkene een lage tot verwaarloosbare kans op herhaling ingeschat.”

14. De rechtbank stelt vast dat de bevindingen in de rapportage van Forensisch Maatwerk haaks staan op het standpunt van de minister. Het onderzoek en de bevindingen van Forensisch Maatwerk ondersteunen bovendien het oordeel van de rechtbank zoals weergegeven onder rechtsoverweging 12, dat de motivering van de minister over het tijdsverloop, het gedrag van eiser en het al dan niet zijn van een actueel en reëel gevaar voor de openbare orde en de Nederlandse samenleving, niet deugdelijk is.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit.

16. De rechtbank ziet met inachtneming van artikel 8:41a van de Awb mogelijkheden om het onderhavige geschil definitief te beslechten.

De rechtbank acht hiervoor van betekenis dat gezien de deskundigenrapportage van 14 januari 2026 de minister weinig tot geen ruimte meer heeft om tot de conclusie te komen dat eiser geen gewetensvol persoon zou zijn die spijt heeft betuigd, er geen sprake zou zijn van een bestendige gedragsverbetering, dat er nog steeds een kans op recidive bestaat of dat eiser nog steeds een actueel en ernstig gevaar voor de openbare orde en de Nederlandse samenleving zou zijn. Gelet daarop is verder van betekenis dat de ruimte van de minister om van zijn beleid af te wijken als ook de ruimte om belangen af te wegen in het kader van artikel 8 EVRM nog maar zeer beperkt is. De rechtbank is daarbij van oordeel dat op basis van de deskundigenrapportage de minister niet anders meer kan besluiten dan aan eiser een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te verlenen.

Voorts staat vast dat eiser vanwege zijn medische situatie al gedurende lange tijd op grond van artikel 64 van de Vw niet wordt uitgezet en de medische situatie van eiser op korte termijn niet zal veranderen. De rechtbank is het met eiser eens dat het telkens moeten voeren van procedures belastend voor hem is en de Nederlandse staat bovendien veel geld kost. Ook dat belang is inmiddels gediend bij een definitieve beslechting van dit geschil. Tot slot heeft de minister al twee keer een onrechtmatig besluit genomen. De rechtbank acht het niet meer opportuun om de minister, mede gelet op al het voorgaande, voor de derde keer op het bezwaar van eiser te laten beslissen.

De rechtbank zal de minister dan ook op grond van het vierde lid van artikel 8:72 van de Awb opdragen om binnen 2 weken na deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen waarbij aan eiser een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt verleend. De rechtbank voorziet niet zelf in de zaak als bedoeld in artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, omdat de keuze welke verblijfsverfgunning regulier voor bepaalde tijd aan eiser wordt verleend, aan de minister is.

17. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht op

€ 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en het deskundigenrapport, 0.5 punt voor eisers reactie op het verweerschrift naar aanleiding van het door eiser ingebrachte deskundigenrapport en 1,5 punt voor het verschijnen op de twee zittingen).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt de minister op om binnen twee weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen en daarbij aan eiser een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.J.C. ten Hoopen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De rechter is buiten staat te tekenen.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. N.M. van Waterschoot

Griffier

  • mr. M.J.C. ten Hoopen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand