ECLI:NL:RBDHA:2026:28939

ECLI:NL:RBDHA:2026:28939

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 30-09-2026
Datum publicatie 30-09-2026
Zaaknummer NL24.42079
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Asielaanvraag afgewezen. Afghanistan. Het besluit is onbevoegd genomen, maar de rechtbank passeert dat gebrek met artikel 6:22 van de Awb. Verweerder vindt de gestelde problemen van eiser met de Taliban terecht niet geloofwaardig. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn geestelijke gezondheidssituatie of mogelijke lichte verstandelijke beperking onvoldoende in staat was om te verklaren over zijn redenen om asiel aan te vragen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico op ernstige schade loopt. De gestelde verwestering hoefde ook geen reden te zijn om eiser een verblijfsvergunning te verlenen. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

De zaak in het kort

uitspraak

Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL24.42079

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. L.E.J. Vleesenbeek),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, (gemachtigde: mr. A. Hadfy Kovacs).

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 4 oktober 2024 (het bestreden besluit), waarbij de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (de staatssecretaris) de asielaanvraag van eiser heeft afgewezen en heeft bepaald dat eiser moet terugkeren naar Afghanistan (het terugkeerbesluit).

2. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat hij in Afghanistan gevaar loopt, omdat de Taliban naar hem op zoek zijn. Eiser beroept zich ook op de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan. Hij stelt verder dat hij is verwesterd en dat er in Afghanistan geen goede opvang voor hem is. Om deze redenen wil eiser niet terugkeren naar Afghanistan.

3. De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris niet bevoegd was om het bestreden besluit te nemen. De rechtbank passeert dit gebrek in het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit inhoudelijk gezien rechtmatig. Dit betekent dat de afwijzing van eisers asielaanvraag blijft staan en het terugkeerbesluit ook. Verweerder moet wel de proceskosten van eiser vergoeden.

Het verloop van de procedure

5. Bij het bestreden besluit heeft de staatssecretaris eisers asielaanvraag van 28 oktober 2022 afgewezen en bepaald dat hij moet terugkeren naar Afghanistan.

6. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

7. Nadat een eerdere zitting niet doorging omdat de tolk had afgezegd, heeft de rechtbank het beroep op 8 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Aan het einde van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

8. Op 17 augustus 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend, omdat het bestreden besluit is genomen door de staatssecretaris, terwijl die daartoe niet bevoegd was. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om zich hierover uit te laten.

9. Op 18 augustus 2026 heeft verweerder zijn standpunt hierover kenbaar gemaakt. Op 25 augustus 2026 heeft eiser daarop gereageerd en laten weten dat een nieuwe zitting wat hem betreft niet nodig is. Verweerder heeft op 26 augustus 2026 laten weten dat een nieuwe zitting ook wat hem betreft niet nodig is, waarna de rechtbank het onderzoek opnieuw heeft gesloten.

Het oordeel van de rechtbank

De gestelde problemen met de Taliban
De gestelde verwestering van eiser
Conclusie

Het bestreden besluit is onbevoegd genomen, maar de rechtbank passeert dat gebrek

10. De staatssecretaris was niet bevoegd om het bestreden besluit te nemen, want de bevoegdheid om te beslissen op asielaanvragen berust sinds 2 juli 2024 bij verweerder. In zijn brief van 18 augustus 2026 heeft verweerder dit onderkend. Hij stelt zich op het standpunt dat sprake is van een vormgebrek dat met toepassing van artikel 6:22 van de Awb kan worden gepasseerd. Eiser is het daarmee eens. De rechtbank ziet onvoldoende reden om hier anders over te oordelen en passeert het gebrek in de besluitvorming daarom met toepassing van deze bepaling.

11. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. Eiser heeft in Afghanistan geen onderwijs van betekenis gehad, hij is licht verstandelijk beperkt, hij was nog erg jong toen zijn vader overleed en eiser is getraumatiseerd geraakt door alles wat hij in Afghanistan heeft meegemaakt, althans hij heeft als gevolg daarvan psychische problemen. Dit maakt dat de tegenwerpingen van verweerder geen stand kunnen houden.

12. Verweerder meent dat voldoende rekening is gehouden met eisers referentiekader en dat hij de verklaringen van eiser terecht ongeloofwaardig heeft geacht.

13. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn geestelijke gezondheidssituatie geen verklaringen kon afleggen. Bij het onderzoek van MediFirst is niet naar voren gekomen dat eiser getraumatiseerd was en dat heeft eiser ook niet met een medische verklaring aannemelijk gemaakt. Verweerder hoefde daar dus ook niet van uit te gaan. Het is begrijpelijk dat eiser het moeilijk heeft in Nederland, maar dat is onvoldoende om aan te nemen dat hij niet kon worden gehoord of dat hiermee tijdens de gehoren of bij het nemen van het bestreden besluit onvoldoende rekening is gehouden.

14. Eiser heeft met de door hem overgelegde stukken aannemelijk gemaakt dat er aanwijzingen zijn dat hij cognitief gezien tot op zekere hoogte beperkt is. Het argument uit

het voornemen dat MediFirst dit niet heeft vastgesteld, is door eiser weerlegd in de zienswijze: een cognitieve beperking is in beginsel geen medische aandoening die door MediFirst wordt onderzocht of vastgesteld. Verweerder stelt zich echter wel terecht op het standpunt dat de door eiser gestelde cognitieve beperking niet aan het horen in de weg staat en dat eiser op een zorgvuldige manier is gehoord. Eiser heeft een aanmeldgehoor, een nader gehoor en twee aanvullende gehoren gehad. Op verschillende momenten is eiser tijdens deze gehoren op een respectvolle manier uitgelegd dat zijn verklaringen tegenstrijdig zijn met eerdere verklaringen en is hem gevraagd of hij kan verklaren hoe dat komt. Ook is een gehoor beëindigd omdat eiser leek vast te lopen in zijn verklaringen, waarna hij opnieuw is gehoord. In dit opzicht is het bestreden besluit met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

15. Het argument van eiser dat hij soms dingen niet wist en dan toch maar antwoord gaf omdat hij de vragen graag wilde beantwoorden, betekent niet dat de besluitvorming onzorgvuldig is geweest. Als eiser het antwoord op een vraag niet weet, maar die vraag toch beantwoordt, is dat zijn eigen verantwoordelijkheid en mag verweerder in beginsel uitgaan van wat eiser heeft verklaard. Verweerder heeft ook geen andere keus, want hij kan niet vaststellen wat eiser heeft verklaard omdat hij zich dat nog meende te herinneren en wat eiser heeft verklaard omdat hij een vraag graag wilde beantwoorden, terwijl hij het antwoord op die vraag eigenlijk niet wist. Eiser heeft overigens ook niet geconcretiseerd bij welke vragen dit precies speelde (en waarom dat verklaarbaar is).

16. Met het voorgaande is de vraag of bij het bestreden besluit voldoende rekening is gehouden met eisers referentiekader en persoonlijke omstandigheden nog niet volledig beantwoord. Wat eiser gelet op zijn referentiekader zou moeten kunnen verklaren over (het werk van) zijn vader en over andere relevante aspecten van zijn asielrelaas, is niet op alle door verweerder opgeworpen punten gemakkelijk te bepalen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiser echter verschillende punten tegengeworpen die, ook als rekening wordt gehouden met eisers referentiekader, terecht zijn. Het gaat hierbij dus om punten waarop verweerder van eiser ondanks diens referentiekader consistente verklaringen mocht verwachten, of in elk geval consistentere verklaringen dan eiser heeft gegeven. Het gaat hierbij om de volgende punten.

17. Eiser heeft wisselend verklaard over de vraag vanaf wanneer de Taliban naar hem op zoek zijn gegaan (bladzijde 5 en 6 van het voornemen).

Eiser heeft vaag en wisselend verklaard over de vraag hoe vaak en op welke manier de Taliban hem zochten (bladzijde 6 en 7 van het voornemen).

Eiser heeft wisselend verklaard over waar hij na het overlijden van zijn vader heeft gewoond. Hij verklaart dat hij vier jaar bij een oom heeft gewoond, vervolgens vier jaar bij een andere oom en ten slotte vrij kort bij een tante in Kabul, maar eiser verklaart ook dat hij maar kort bij zijn ooms heeft gewoond en daarna bij zijn tante in Kabul (bladzijde 7 en 8 van het voornemen).

Eiser heeft wisselend verklaard over de vraag of hij wel eens Taliban heeft gezien. Verschillende namen en data op de documenten die eiser in beroep heeft overgelegd om zijn verklaringen te onderbouwen, komen duidelijk niet overeen met eisers verklaringen (bladzijde 5 van het verweerschrift).

18. De onder 17 vermelde punten leiden, in samenhang bezien, tot de conclusie dat verweerder de gestelde problemen van eiser met de Taliban terecht niet geloofwaardig acht.

De andere punten van verweerder en de reactie daarop van eiser hoeft de rechtbank daarom niet te bespreken. De beroepsgronden over eisers referentiekader en de problemen met de Taliban slagen niet.

De algemene veiligheidssituatie in Baghlan en de gestelde risico’s bij terugkeer

19. Eiser brengt naar voren dat de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan slecht is. Ter zitting heeft verweerder zich met verwijzing naar een rapport van 30 juni 2026 van het European Union Agency for Asylum op het standpunt gesteld dat in de provincie Baghlan, waar eiser vandaan komt, geen sprake is van een gewapend conflict in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b en 3º, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft daar niet nader op gereageerd. In de stukken die eiser ter onderbouwing van zijn standpunt heeft ingebracht, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor de conclusie dat verweerders standpunt over de huidige algemene veiligheidssituatie in Baghlan onjuist is of dat verweerder eiser bij het bestreden besluit in verband met de toenmalige algemene veiligheidssituatie in die provincie in het bezit had moeten stellen van een verblijfsvergunning asiel. De beroepsgrond over de algemene veiligheidssituatie in Baghlan slaagt niet.

20. Gelet op (a) de conclusie in overweging 18 van deze uitspraak, (b) overweging 19 van deze uitspraak en (c) de uitspraak van 20 november 2024 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2024:4648) heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op ernstige schade. De hierop betrekking hebbende beroepsgrond slaagt dan ook niet.

21. Eiser voert aan dat hij verwesterd is. Hij kleedt en gedraagt zich Nederlands en vindt dat mannen en vrouwen gelijke rechten moeten hebben.

22. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat van hem in verband hiermee niet kan worden verlangd terug te keren naar Afghanistan. Voor zover eiser zich in Nederland niet kleedt en gedraagt zoals in Afghanistan gebruikelijk is, betekent dat op zichzelf nog niet dat van hem redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij zich voor zover nodig aanpast bij terugkeer. De rechtbank heeft eiser op de zitting gevraagd dit punt verder toe te lichten. Eiser heeft toen gezegd dat hij niet zo goed zijn best heeft gedaan op school en daarom in Nederland maar één jaar naar school is gegaan, maar dat hij zich zeker zal inzetten als hij een nieuwe kans krijgt. Deze verklaring biedt geen aanknopingspunten voor de conclusie dat eiser niet kan terugkeren naar Afghanistan. Verweerder heeft ter zitting terecht opgemerkt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich fundamenteel vereenzelvigt met het principe van de gelijkwaardigheid van vrouwen en mannen.

23. De door eiser gestelde verwestering hoefde voor verweerder dus geen reden te zijn om eiser een verblijfsvergunning te verlenen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

De opvangmogelijkheden in Afghanistan

24. Eiser voert verder aan dat verweerder niet het vereiste onderzoek heeft gedaan naar de opvangmogelijkheden in Afghanistan. Hierin volgt de rechtbank eiser niet. Verweerder heeft eisers verklaringen over zijn problemen met de Taliban terecht niet geloofwaardig geacht. Er woonden en wonen verschillende familieleden van eiser in Afghanistan. De enkele stelling dat zij eiser niet kunnen opvangen, ook omdat zij zelf niet in veiligheid leven, is mede gelet op overweging 18 en 19 van deze uitspraak onvoldoende om ervan uit te gaan dat zij eiser niet konden opvangen toen hij nog minderjarig was. De beroepsgrond over de opvangmogelijkheden in Afghanistan slaagt niet.

25. Het bestreden besluit is inhoudelijk gezien rechtmatig. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de afwijzing van eisers asielaanvraag en het terugkeerbesluit blijven staan.

Verweerder moet de proceskosten van eiser betalen

26. Omdat aan het bestreden besluit een bevoegdheidsgebrek kleeft, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat geen aanleiding bestaat voor een proceskostenveroordeling omdat eiser niet als beroepsgrond heeft aangevoerd dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen. De formele bevoegdheid tot het nemen van een besluit moet door de rechtbank ook ambtshalve worden beoordeeld en volgens vaste rechtspraak moet de rechtbank, als zij een gebrek in de besluitvorming vaststelt en artikel 6:22 van de Awb toepast, verweerder (in beginsel) in de proceskosten veroordelen.

27. Het bedrag van de proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,00 en wegingsfactor 1). Omdat de zitting van 8 juli 2026 alleen over de inhoud van het bestreden besluit ging en dat besluit inhoudelijk gezien rechtmatig is, wordt voor het verschijnen ter zitting geen vergoeding toegekend. Ook voor de schriftelijke reactie van

25 augustus 2026 wordt geen vergoeding toegekend, omdat eiser daarin het door verweerder op 18 augustus 2026 ingenomen standpunt volledig heeft onderschreven.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, rechter, in aanwezigheid van

E.A.A. Fermont, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand