RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.10428
(gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar),
en
(gemachtigde: mr. K. Kanters),
alsmede
de Staat der Nederlanden (namens deze: de minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Staat).
Procesverloop
Bij besluit van 26 mei 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de ten behoeve van eiseres ingediende (tweede) aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ afgewezen.
Bij besluit van 12 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft op 7 maart 2024 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Eiseres heeft op 4 april 2024, 9 april 2025, 21 januari 2026 en 4 maart 2026 (aanvullende) beroepsgronden, met bijlagen, ingediend. Het beroepschrift van 21 januari 2026 omvat tevens een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Verweerder heeft op 4 april 2025 en 6 juni 2025 verweerschriften ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen de op 19 maart 2026 genomen beslissing op het bezwaar in de derde mvv-procedure van eiseres aan het dossier toe te voegen en om eiseres de gelegenheid te geven daarop te reageren.
Eiseres heeft op 3 april 2026 een reactie ingediend.
Verweerder heeft hier op 7 april 2026 op gereageerd.
Op 24 april 2026 heeft de rechtbank, na hiervoor op zitting al toestemming te hebben gekregen van partijen, bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.
Inleiding
Eiseres is geboren op [geboortedatum 1] 1996 en is burger van de Democratische Republiek Congo. Zij is, naar gesteld, gehuwd met [naam referent] (referent). Referent is geboren op [geboortedatum 2] 1961 (in de Democratische Republiek Congo), heeft de Nederlandse nationaliteit en verblijft in Nederland.
De eerste mvv-procedure
Op 22 oktober 2021 heeft referent ten behoeve van eiseres een aanvraag voor een mvv ingediend voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij referent’. Bij besluit van 23 maart 2022 heeft verweerder deze eerste mvv-aanvraag afgewezen. De belangrijkste reden hiervoor was dat eiseres niet voldeed aan het inburgeringsvereiste en niet in aanmerking kwam voor vrijstelling of ontheffing van het inburgeringsvereiste. Daarnaast is haar tegengeworpen dat zij geen antecedentenverklaring, geen intentieverklaring tbc-onderzoek en geen (op de juiste wijze) gelegaliseerde huwelijksakte had overgelegd en dat niet was gebleken van een duurzame en exclusieve (huwelijks)relatie. De belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM viel in het nadeel van eiseres en referent uit.
Bij besluit van 25 mei 2023 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 23 maart 2022 niet-ontvankelijk verklaard, omdat dit te laat was ingediend.
De tweede mvv-procedure (huidige procedure)
Op 28 februari 2023 heeft referent opnieuw ten behoeve van eiseres een mvv-aanvraag voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij referent’ ingediend. Deze uitspraak gaat over deze tweede mvv-aanvraag. Met het primaire besluit heeft verweerder deze mvv-aanvraag met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), onder verwijzing naar de afwijzing van de eerste mvv-aanvraag, afgewezen.
De derde mvv-procedure
Op 22 mei 2025 heeft eiseres wederom ten behoeve van eiseres een mvv-aanvraag voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij referent’ ingediend. Bij besluit van 9 juli 2025 heeft verweerder deze derde mvv-aanvraag afgewezen. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Verweerder heeft dit bezwaar bij besluit van 19 maart 2026 ongegrond verklaard. Over deze derde mvv-procedure gaat deze uitspraak uitdrukkelijk niet.
Beroep tegen het bestreden besluit
Het bestreden besluit
2. Het bestreden besluit, waarbij het primaire besluit (zie 1.3) is gehandhaafd, houdt het volgende in. De mvv-aanvraag van 28 februari 2023 betreft een herhaalde aanvraag. Eiseres heeft bij deze tweede mvv-aanvraag geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aangedragen die tot een ander oordeel kunnen leiden dan in het besluit op haar eerste mvv-aanvraag. Niet is namelijk gebleken dat eiseres het basisexamen inburgering heeft behaald of inspanningen ter voorbereiding op de verschillende onderdelen van het examen heeft verricht. Dat er een gelegaliseerde huwelijksakte is overgelegd, doet aan het vorenstaande niet af. Gelet hierop is verweerder bij zijn afwijzing, met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Vw, gebleven.
De beroepsgronden
In haar beroepschrift van 4 april 2024 heeft eiseres aangevoerd dat haar mvv-aanvraag ten onrechte met toepassing van artikel 4:6 van de Awb is afgewezen. Zij stelt dat er wel nieuwe feiten en omstandigheden zijn. Zo is er, anders dan bij de eerste aanvraag, een gelegaliseerde huwelijksakte overgelegd. Daarnaast heeft zij sinds de afwijzing van haar eerste mvv-aanvraag inspanningen verricht op het punt van het inburgeringsvereiste. Zij heeft immers uitgezocht waar zij een basisexamen inburgering kan doen en aangegeven dat zij aan de slag zal gaan met een studiepakket. Mede gelet hierop stelt eiseres ook dat verweerder haar ten onrechte niet in bezwaar heeft gehoord.
In het aanvullend beroepschrift van 8 april 2025 heeft eiseres aangevoerd dat de eis van inburgering in het buitenland van tafel moet, omdat die in strijd is met het non-discriminatiegebod. Zij wijst daarbij op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 16 april 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:5396) en de aanhangige zaak bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). Als het inburgeringsvereiste in strijd is met het non-discriminatiegebod, kan de ingediende huwelijksakte wel degelijk verschil maken. Verder voert eiseres aan dat er in haar woonomgeving onvoldoende faciliteiten zijn om aan het inburgeringsvereiste te voldoen. Dit in tegenstelling tot de Belgische facilitering; zij heeft via de Belgische ambassade wel een inburgeringsdiploma kunnen halen. Hiermee toont zij aan dat zij zich wel degelijk heeft ingespannen om de Nederlandse taal te leren.
In het aanvullend beroepschrift van 21 januari 2026 heeft eiseres aangevoerd dat haar huwelijksakte inmiddels is ingeschreven en dat dit betekent dat haar huwelijk ook in Nederland rechtsgeldig is. Dit heeft weer tot gevolg dat het op [geboortedatum 3] 2023 binnen het huwelijk van eiseres en referent geboren kind ( [naam kind] ) de Nederlandse nationaliteit heeft. Eiseres kan daarom een verblijfsrecht doen gelden op grond van artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en is daarom niet inburgeringsplichtig, zodat het inburgeringsvereiste haar niet meer kan worden tegengeworpen. Dit betreft volgens eiseres een nieuw feit.
In haar schriftelijke reactie van 3 april 2026 heeft eiseres – kort gezegd – voormelde gronden herhaald en daaraan toegevoegd dat de Afdeling inmiddels prejudiciële vragen heeft gesteld over de verenigbaarheid van het inburgeringsvereiste buitenland met het non-discriminatiegebod, dat verweerder ten tijde van het bestreden besluit had kunnen en moeten weten, namelijk door daarnaar te vragen, dat er binnen het huwelijk een kind was geboren en dat er wel degelijk nieuwe bewijsmiddelen in beroep mogen worden aangevoerd (vgl. de Afdelingsuitspraak van 17 juli 2024, (ECLI:NL:RVS:2024:2853).
Het oordeel van de rechtbank
Het toepasselijke juridisch kader
Op grond van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is de aanvrager, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
Op grond van het tweede lid van dit artikel kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, waaronder de uitspraak van 27 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4250, volgt dat onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan doen zich niettemin geen feiten of omstandigheden voor die een – hernieuwde – toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten, dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.
Uit eveneens vaste rechtspraak van de Afdeling, waaronder de uitspraak van 11 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:59, volgt dat alleen feiten en omstandigheden en bewijsstukken die in de bestuurlijke fase – dus tot aan de beslissing op bezwaar – zijn aangedragen kunnen worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb.
Voorts volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3131, dat indien een bestuursorgaan ervoor kiest om op een herhaalde aanvraag met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb te beslissen, de bestuursrechter, aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid, toetst of het bestuursorgaan zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat de afwijzing van de aanvraag in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag evident onredelijk is.
Toepassing in de zaak van eiseres
De rechtbank stelt vast – en zulks is tussen partijen ook niet in geschil – dat de mvv-aanvraag van 28 februari 2023, waarover deze procedure gaat, een herhaalde aanvraag betreft en dat verweerder ervoor heeft gekozen om met toepassing van artikel 4:6 van de Awb hierop te beslissen. Dit betekent dat verweerder deze tweede mvv-aanvraag van eiseres niet inhoudelijk in volle omvang heeft beoordeeld, maar slechts heeft beoordeeld of eiseres ten opzichte van de eerste mvv-procedure nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangedragen. Zoals uit overweging 4.4. volgt, dient de rechtbank te toetsen of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb zijn.
Bij deze toetsing betrekt de rechtbank alleen de feiten, omstandigheden en bewijsstukken die in de bestuurlijke fase, dus tot aan het bestreden besluit van 12 februari 2024, door eiseres zijn aangedragen. Eerst na het bestreden besluit, dus in de beroepsfase, aangedragen feiten, omstandigheden en bewijsmiddelen kunnen namelijk niet worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb (zie overweging 4.3.) en blijven daarom verder buiten de toetsing van de rechtbank in deze uitspraak. Het gaat dan meer specifiek om het eerst in beroep overgelegde ‘certificaat staatsexamen Nederlands als tweede taal’, afgegeven op [datum] 2024 in Kinshasa door [organisatie] , alsmede om de eerst in het nadere beroepschrift van 21 januari 2026 aangedragen omstandigheden dat er uit het huwelijk tussen eiseres en referent op [geboortedatum 3] 2023 een kind is geboren, dat het huwelijk inmiddels is ingeschreven in de basisregistratie personen en dat het kind daardoor de Nederlandse nationaliteit heeft (gekregen). De verwijzing van eiseres naar de Afdelingsuitspraak van 17 juli 2024 (zie 3.4) maakt het voorgaande niet anders, nu die uitspraak niet ging over een zaak waarin het bestuursorgaan ervoor had gekozen artikel 4:6 van de Awb toe te passen.
De belangrijkste reden voor afwijzing van de eerste mvv-aanvraag van eiseres was dat eiseres niet voldeed aan het inburgeringsvereiste en dat eiseres niet in aanmerking kwam voor (vrijstelling/)ontheffing daarvan, omdat zij niet aannemelijk had gemaakt dat zij zich (lang genoeg) had ingezet om het basisexamen inburgering te behalen. In de bestuurlijke fase van onderhavige tweede mvv-procedure heeft eiseres opnieuw gesteld dat zij ontheffing wil van het basisexamen inburgering. Daartoe heeft zij gesteld dat zij telefonisch contact heeft gehad met de Nederlandse ambassade in Kinshasa en daarbij heeft vernomen dat zij in de Democratische Republiek Congo geen inburgeringscursus kan volgen en ook niet het basisexamen inburgering kan afleggen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht gesteld dat dit niet heeft te gelden als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Uit de door eiseres in de bestuurlijke fase verstrekte informatie blijkt immers nog steeds niet dat zij zich (lang genoeg) heeft ingezet om het basisexamen inburgering te behalen. De enkele stelling dat zij te horen heeft gekregen dat zij in haar land geen inburgeringscursus kan volgen en ook geen examen kan afleggen, is hiertoe onvoldoende. Daarbij komt, nog daargelaten dat zij het gestelde contact met de Nederlandse ambassade niet heeft onderbouwd, dat verweerder er terecht op heeft gewezen dat al in de eerste mvv-procedure (in het besluit van 23 maart 2022) aan eiseres is uitgelegd dat er een zelfstudiepakket in haar taal beschikbaar is, zodat het niet nodig is om een cursus te volgen bij bijvoorbeeld een taalinstituut, en dat uit openbare informatie blijkt dat het basisexamen inburgering bij de Nederlandse ambassade in Kinshasa kan worden afgelegd.
Aan de afwijzing van de eerste mvv-aanvraag van eiseres lag ook ten grondslag dat eiseres geen (op de juiste wijze) gelegaliseerde huwelijksakte had overgelegd. Bij haar tweede mvv-aanvraag heeft eiseres wel een gelegaliseerde huwelijksakte overgelegd. Verweerder stelt echter terecht dat dit geen rechtens relevant novum in de zin van artikel 4:6 van de Awb is (zie overweging 4.2, laatste volzin). Het is namelijk op voorhand uitgesloten dat deze overgelegde huwelijksakte kan leiden tot een ander besluit dan in de eerste mvv-procedure. Die akte laat namelijk onverlet dat eiseres niet aan het inburgeringsvereiste voldoet en niet voldoende inspanningen heeft verricht om ontheffing van het inburgeringsvereiste te krijgen. Het niet voldoen aan het inburgeringsvereiste vormt een zelfstandige afwijzingsgrond.
Gelet op het voorgaande was verweerder bevoegd om de huidige mvv-aanvraag met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb af te wijzen. Uit overweging 4.4. volgt dat als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn – tot welk oordeel de rechtbank hiervoor is gekomen – dat de afwijzing van de herhaalde aanvraag in beginsel kan dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag evident onredelijk is.
In wat eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het evident onredelijk is dat verweerder in dit geval gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Hiertoe is van belang dat niet onmiskenbaar is en niet buiten discussie staat dat eiseres voldoet aan de voorwaarden van de gevraagde mvv. De rechtbank betrekt hierbij dat tot op heden niet door de Afdeling of het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) is geoordeeld dat het inburgeringsvereiste in strijd is met het non-discriminatiebeginsel en daarom niet meer kan worden gesteld. De rechtbank wijst er in dit verband nog op dat de advocaat-generaal bij het Hof op 3 september 2026, ECLI:EU:C:2026:703, heeft geconcludeerd dat artikel 7, tweede lid, eerste alinea, van de Gezinsherenigingsrichtlijn zich niet verzet tegen een nationale regeling die voor het verkrijgen van een machtiging tot voorlopig verblijf een onderscheid naar nationaliteit maakt tussen derdelanders die moeten voldoen aan een integratievoorwaarde als het inburgeringsvereiste in het buitenland, en vreemdelingen die daarvan zijn vrijgesteld. Tot slot merkt de rechtbank nog op dat er nog een derde mvv-procedure van eiseres loopt, waarin verweerder heeft besloten om artikel 4:6 van de Awb niet toe te passen, zodat daarin een volledige inhoudelijke beoordeling aan de orde is. Daarin kunnen alle feiten, omstandigheden en bewijsmiddelen, dus ook die in deze uitspraak buiten beschouwing zijn gelaten (zie overweging 5.2), inhoudelijk aan de orde worden gesteld.
Gelet op het vorenstaande, in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om de tweede mvv-aanvraag van eiseres met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, onder verwijzing naar de afwijzing van de eerste mvv-aanvraag, af te wijzen. De hiertoe aangevoerde beroepsgronden slagen niet.
Hoorplicht
6. Eiseres heeft haar beroepsgrond dat de hoorplicht is geschonden ter zitting laten vallen. De rechtbank zal deze beroepsgrond daarom onbesproken laten.
Conclusie en gevolgen
7. Gelet op het vorenstaande, waaruit volgt dat geen van de beroepsgronden doel treft, is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling in verband met dit beroep bestaat geen aanleiding.
Verzoek om schadevergoeding
Eiseres heeft op 21 januari 2026 een verzoek om schadevergoeding ingediend wegens overschrijding van de redelijke termijn.
In zaken als hier aan de orde geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar duren en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Uitgangspunt voor vergoeding van immateriële schade is een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
In dit geval is de redelijke termijn aangevangen op 20 juni 2023, de datum waarop verweerder het bezwaarschrift tegen het primaire besluit heeft ontvangen. Dit betekent dat op het moment van het doen van deze uitspraak de tweejaarstermijn met, afgerond naar boven, één jaar en vier maanden – zijnde 16 maanden – is overschreden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven deze overschrijding gerechtvaardigd te achten is geen sprake. Eiseres heeft daarom recht op € 1.500,- aan schadevergoeding.
De behandeling van het bezwaar heeft ruim zeven maanden in beslag genomen. Daarmee heeft verweerder de redelijke termijn voor het behandelen van het bezwaar met (naar boven afgerond) 2 maanden overschreden. Het overige deel van de overschrijding van de redelijke termijn, te weten: 14 maanden, komt voor rekening van de rechtbank. Daarom wordt de overschrijding van de redelijke termijn voor 2/16 deel aan verweerder toegerekend en voor 14/16 deel aan de rechtbank. Dit betekent dat verweerder wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan eiseres van (2/16 van € 1.500,- =) € 187,50 en de Staat tot betaling van een schadevergoeding van (14/16 van € 1.500,- =) € 1312,50.
Eiseres heeft gezien het voorgaande recht op een vergoeding van de proceskosten die zij heeft gemaakt in verband met het verzoek tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Nu de overschrijding van de redelijke termijn is toe te rekenen aan zowel verweerder als de rechtbank, moeten verweerder en de Staat elk de helft van de proceskosten betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5). Voor het verzoek om schadevergoeding is niet afzonderlijk griffierecht geheven, zodat een vergoeding daarvan niet aan de orde is.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Roozeboom, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.