ECLI:NL:RBDHA:2026:28944

ECLI:NL:RBDHA:2026:28944

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 30-09-2026
Datum publicatie 30-09-2026
Zaaknummer NL25.21401
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Asiel, Somalië. De de minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de door eiser gestelde identiteit en herkomst niet geloofwaardig zijn. Ook is de gestelde minderjarigheid niet aannemelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.21401

(gemachtigde: mr. V.L. van Wieringen),

en

(gemachtigde: mr. W.G. Wezelman).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 14 maart 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Somalische nationaliteit te zijn en te zijn geboren in 2000. De minister heeft met het bestreden besluit van 2 mei 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister, mr. R.R. de Groot.

De rechtbank heeft aanleiding gezien om het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd te schorsen om de minister de gelegenheid te bieden om de taalanalyse aan de gemachtigde te doen toekomen. De gemachtigde van eiser is in de gelegenheid gesteld om een contra-expertise te entameren.

Eiser heeft op 15 september 2025 aan de rechtbank een kopie van een Certificate of Identity Confirmation doen toekomen. Het document is volgens eiser aan zijn broer afgegeven door het immigratiekantoor in Benadir, Mogadishu. De afgiftedatum is 10 juli 2025. Eiser zegt het origineel per aangetekende post aan de minister te hebben verzonden. Ook heeft eiser aangegeven dat hij een bureau in Zweden heeft gevonden dat een contra-expertise kan uitvoeren op de taalanalyse, maar het is nog niet gelukt om funding te vinden.

De minister heeft 30 september 2025 aangegeven dat de minister het door eiser genoemde originele document niet heeft kunnen traceren en heeft eiser gevraagd aan te geven wanneer het document is verzonden en naar welk adres.

Op 7 oktober 2025 heeft eiser aangegeven dat het document op 12 september 2025 aangetekend is verzonden en op 15 september 2026 is ontvangen op het postadres in ter Apel waar de minister originele documenten in de asielprocedure wil ontvangen. Verder heeft eiser aangegeven dat hij de kosten van de contra-expertise niet kan betalen en dat er daarom geen contra-expertise zal worden ingebracht.

Eiser heeft op 8 december 2025 een uitdraai van de aangetekende verzending aan de rechtbank doen toekomen. Hieruit blijkt volgens eiser dat het aangetekende stuk is aangenomen door de beveiliging op het aangegeven adres. Eiser wijst op een telefoonnotitie van de klantenservice van Falkpost.

De minister heeft desgevraagd op 3 juli 2026 aangegeven dat de telefoonnotitie onvoldoende aanknopingspunt biedt om te (kunnen) traceren waar dit stuk zich bevindt. Volgens de minister komt het verzenden van originele stukken en het daarbij gebruik maken van de diensten van deze postbezorger voor rekening en risico van eiser. Daarom stelt de minister zich op het standpunt dat het stuk niet is ontvangen en dat Bureau Documenten geen onderzoek kan doen.

Op 3 september 2026 heeft eiser aangevoerd dat de minister zich ten onrechte op voornoemd standpunt heeft gesteld.

De minister heeft op 15 september 2026 een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 16 september 2026 opnieuw op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser heeft verklaard dat hij in 2005 te Qoryooley in Somalië is geboren, de Somalische nationaliteit heeft en behoort tot de Ashraf bevolkingsgroep. Eiser heeft verklaard dat hij is gerekruteerd door Al-Shabaab en bij een aanval tegen Al-Shabaab gewond is geraakt waardoor hij in het ziekenhuis is beland. In het ziekenhuis heeft eiser bericht gekregen van Al-Shabaab dat hij zo snel mogelijk moest terugkeren, anders zou hij vermoord worden. Eiser is na deze bedreiging in 2019 uit Somalië gevlucht. Hij stelt bij terugkeer te vrezen gedood te worden door Al-Shabaab. Ook heeft eiser verklaard dat hij door grotere clans gediscrimineerd wordt vanwege zijn afkomst, de clan waar eiser toe behoort.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende drie asielmotieven: 1) identiteit, nationaliteit en herkomst, 2) problemen met Al-Shabaab en 3) discriminatie vanwege de etniciteit.

De minister gelooft de nationaliteit, maar de identiteit en herkomst van eiser niet. Omdat eiser zijn identiteit en herkomst niet volledig heeft onderbouwd met originele en objectieve bewijsstukken, betekent dit dat verder is beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval. De verklaringen van eiser vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel als bedoeld in artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw.

Zo heeft de minister in het voornemen, wat deel uitmaakt van het bestreden besluit, aangegeven dat eiser tegenstrijdig en wisselend heeft verklaard over zijn minderjarigheid en geboortedatum. Eiser heeft bij zijn aanmelding in Nederland de geboortedatum in 2005 opgegeven, maar in Italië heeft hij een geboortedatum in 2006 opgegeven. Ook heeft er een leeftijdsschouw plaatsgevonden. Zowel de AVIM als de IND hebben op basis van een leeftijdsschouw geconcludeerd dat eiser evident meerderjarig is. Omdat de registratie in Italië alleen gebaseerd is op de eigen verklaringen van eiser, wordt aan de uitkomst van de schouw, in combinatie met het ontbreken van identificerende documenten, zwaarwegend gewicht toegekend en wordt eiser nog altijd als meerderjarig aangemerkt.

Verder komen volgens de minister eisers verklaringen met betrekking tot de gestelde herkomst niet overeen met de uitslag van de taalanalyse. Het Somalisch dat eiser spreekt is eenduidig niet te herleiden tot de spraakgemeenschap binnen Zuid-Somalië. De gestelde herkomst uit Zuid-Somalië wordt niet gevolgd. Ook is de kennis over de gestelde herkomst summier en algemeen. De door eiser gegeven informatie over Qoryooley is onvoldoende om aan de conclusie van de taalanalyse te kunnen twijfelen.

Verder heeft de minister aan eiser tegengeworpen dat hij in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd als bedoeld in artikel 31, zesde lid, onder e,

van de Vw. Gelet op het voorgaande is sprake van het verstrekken van valse informatie, zodanig dat sprake is van misleiding.

De minister heeft in het voornemen verder gemotiveerd dat de problemen met Al-Shabaab niet geloofwaardig zijn. De verklaringen over de gestelde problemen komen volgens de minister niet overeen met de taalanalyse en landeninformatie. Dat geldt ook voor de gestelde discriminatie vanwege etniciteit.

De minister stelt zich verder op het standpunt dat eiser niet als vluchteling kan worden aangemerkt. De minister heeft verder , gelet op paragraaf C7/27.4.2 van de Vc, beoordeeld of eiser afkomstig is uit een gebied in Zuid- en Centraal-Somalië waar Al-Shabaab aan de macht is of het gebied controleert. Dit is volgens de minister niet het geval. De minister stelt zich verder op het standpunt dat eiser niet over land moet reizen door een gebied waar Al-Shabaab wel de macht heeft of het gebied controleert. Eiser loopt bij terugkeer naar Somalië dan ook geen reëel risico op ernstige schade. Dat eiser uit Somalië komt is op zichzelf niet genoeg om een risico op ernstige schade aan te nemen.

Beoordeling door de rechtbank

Identificerende documenten

5. Eiser meent dat het ontbreken van identificerende documenten hem niet zou mogen worden tegengeworpen, omdat het bezit van identificerende documenten geen grote rol speelt in de Somalische samenleving. Eiser wijst op het ambtsbericht van Somalië uit 2025.

De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser individueel verantwoordelijk is om waar mogelijk bewijs aan te leveren. Eiser heeft geen enkel identificerend document overgelegd, noch gemotiveerd waarom eiser dit in zijn geval niet zou kunnen. Het algemene beroep op het ambtsbericht is geen afdoende individuele rechtvaardiging.

De rechtbank volgt het standpunt van de minister: uit het ambtsbericht volgt niet dat niemand in het bezit kan zijn van identificerende documenten. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser, zoals weergegeven onder 2.4. uiteindelijk wel een kopie van een Certificate of Identity Confirmation heeft overgelegd. Verder oordeelt de rechtbank, los van de vraag voor wiens risico het komt dat het door eiser gestelde originele document niet door de minister is ontvangen en daarmee niet voor onderzoek aan Bureau Documenten kon worden voorgelegd, dat het document niet maakt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door eiser gestelde identiteit en herkomst niet geloofwaardig zijn. Met de minister is de rechtbank namelijk van oordeel dat eiser niet heeft onderbouwd hoe hij aan dit document is gekomen en waarom hij dit document niet eerder heeft kunnen verkrijgen. De enkele stelling van eiser dat het document is verzonden door zijn broer en dat het document op 10 juli 2025 is afgegeven door het immigratiekantoor in Benadir, Mogadishu, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de minister zich ten onrechte op voornoemd standpunt heeft gesteld. De enkele stelling van eiser dat het gevaarlijk was om het document eerder te verkrijgen maakt het oordeel van de rechtbank niet anders, omdat eiser zijn stelling niet heeft onderbouwd. Daarbij komt dat de minister terecht heeft gewezen op de omstandigheid dat op de kopie van het document een identiteitsnummer staat, terwijl eiser heeft verklaard nooit identificerende documenten te hebben gehad. Ook dit maakt dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door eiser gestelde identiteit en herkomst niet geloofwaardig zijn.

Gestelde minderjarigheid.

6. Verder voert eiser aan dat de minister hem op onjuiste wijze een fictieve leeftijd heeft toegekend. Eiser heeft zowel in Italië als in Nederland verklaard dat hij minderjarig is. Eiser meent verder dat op basis van de lichamelijke kenmerken en zijn gedrag niet de conclusie kan worden getrokken dat hij is geboren in 2000 en dan nu bijna 25 jaar oud zou zijn. Door zowel de IND als door AVIM zijn meerdere lichamelijke kenmerken en elementen van gedrag benoemd die juist duiden op minderjarigheid.

De rechtbank volgt het standpunt van de minister in het bestreden besluit inhoudende dat eiser geen onderbouwde verklaring heeft gegeven voor het feit dat hij in Italië een andere geboortedatum heeft opgegeven dan in Nederland. De enkele stelling dat eiser een andere geboortedatum opgaf om terugzending naar Italië te voorkomen is onvoldoende. Ook heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn stelling dat hij als minderjarige moet worden aangemerkt, niet heeft onderbouwd. De rechtbank wijst op 5.2. waar is overwogen dat eiser geen identificerende documenten heeft overgelegd. Gelet hierop treft het betoog van eiser, wat er op neer komt dat de minister hem ten onrechte niet als minderjarige heeft aangemerkt, geen doel. Het betoog van eiser ten aanzien van de leeftijdsschouw uitgevoerd door AVIM en IND, behoeft geen bespreking.

Taalanalyse

7. De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser enkele juiste elementen heeft benoemd over Qoryooley, maar dat de verklaringen over de gestelde woonomgeving grotendeels summier en algemeen van aard zijn. De door eiser genoemde plaatsen liggen op aanzienlijke afstand van Qoryooley en bieden daarom onvoldoende aanknopingspunten om de gestelde herkomst aannemelijk te achten. De taalanalyse wijst uit dat het taalgebruik van eiser overeenkomt met een dialect dat gangbaar is in Noord-Somalië, en juist niet met Zuid-Somalië, waar Qoryooley is gelegen. De gestelde herkomst wordt door de minister niet gevolgd.

Eiser voert aan dat een taalanalyse in principe slechts wordt ingezet in gevallen waarin twijfel is ontstaan aan de herkomst van een vreemdeling. Het is onduidelijk wat de aanleiding was voor het laten doen van een taalanalyse. Ook is volgens eiser opvallend dat de uitkomst van de taalanalyse niet aan eiser is voorgelegd voordat een voornemen bekend is gemaakt. Eiser wenst een contra-expertise uit te laten voeren. Eiser meent verder dat de verklaring die hij heeft afgelegd met betrekking tot zijn woonomgeving voldoende concreet en gedetailleerd is en dat deze niet afdoet aan zijn geloofwaardigheid, maar daaraan juist bijdraagt.

Het betoog van eiser treft geen doel. Daartoe overweegt de rechtbank dat de minister, omdat aan de gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst wordt getwijfeld, door een taalanalyse te laten uitvoeren eiser is tegemoet gekomen bij de voldoening aan de op hem rustende verplichting om dat wat aan zijn aanvraag ten grondslag is gelegd aannemelijk te maken. Wanneer de taalanalyse deze twijfel niet wegneemt, kan eiser deze door het laten verrichten van een contra-expertise alsnog trachten weg te nemen. Omdat eiser geen contra-expertise heeft (kunnen) laten uitvoeren, heeft hij de twijfel aan de gestelde identiteit en herkomst niet weggenomen. Dit komt voor rekening en risico van eiser.

Het ter zitting van de rechtbank gehouden betoog dat uit de “language map of Somalia” zou blijken dat in heel Somalië 63% Northern Standard Somali spreekt en in Qoryooley 32%, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Daartoe overweegt de rechtbank dat uit de taalanalyse volgt dat de uitspraak, de woordkeuze en de grammatica van het Somalisch van eiser niet overeenkomt met die van enig Zuid-Somalische taalvariant. Verder gebruikt eiser persoonlijke voornaamwoorden die in de Zuid-Somalische taalvarianten ontbreken en hij gebruikt het suffix wat niet gangbaar is in de Zuid-Somalische taalvarianten. Gelet hierop ziet de rechtbank in de enkele stelling van eiser dat dat in heel Somalië 63% Northern Standard Somali spreekt en in Qoryooley 32%, geen aanknopingspunt voor het oordeel dat twijfel bestaat aan de conclusie van de taalanalist. Daarom heeft de minister zich niet ten onrechte en in lijn met de taalanalyse op het standpunt gesteld dat eiser, vanwege het gebrek aan enige kennis van het Maay, eenduidig niet te herleiden is tot de gestelde spraakgemeenschap binnen Zuid-Somalië en dat het Somalisch van eiser in zijn geheel overeenkomt met het Somalisch zoals dat gangbaar is in Noord-Somalië. Dat Northern Standard Somali in grote delen van Somalië wordt gesproken doet daar niet aan af.

De rechtbank is verder van oordeel dat het betoog van eiser dat het onduidelijk is wat de aanleiding was voor het laten doen van een taalanalyse, het voorgaande niet anders maakt. Daartoe overweegt de rechtbank dat eiser geen identificerende documenten heeft overgelegd en dat er aanwijzingen waren dat eiser een andere herkomst heeft. De minister heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat aanleiding bestond om een volledige taalanalyse op te starten. Het betoog van eiser dat de uitkomst van de taalanalyse niet aan hem is voorgelegd voordat een voornemen bekend is gemaakt, treft ook geen doel, omdat eiser in de gelegenheid is gesteld om in de zienswijze op de taalanalyse te reageren. De enkele stelling van eiser dat de verklaringen die hij heeft afgelegd met betrekking tot zijn woonomgeving voldoende concreet en gedetailleerd zijn, maakt evenmin dat twijfel bestaat aan de conclusie van de taalanalyse.

Problemen Al Shabaab

8. Ten aanzien van de problemen met Al Shabaab meent eiser dat hij daarover geloofwaardig heeft verklaard. Het is algemeen bekend dat jonge mannen vaak worden gerekruteerd. De wijze van rekrutering en hetgeen eiser heeft beschreven met betrekking tot Al Shabaab past in hetgeen bekend is met betrekking tot de modus operandi van deze gewapende groep.

De minister stelt zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt dat de gestelde gebeurtenissen in Zuid-Somalië niet worden gevolgd omdat de herkomst uit dat gebied ongeloofwaardig is bevonden. Het betoog van eiser treft daarom geen doel.

Andere problemen

9. Tot slot voert eiser aan dat volgens verschillende bronnen burgers in Somalië vaak doelwit zijn van geweld. Naast Al Shabaab is ook IS actief en er zijn tal van gewapende groepen en milities die geweld gebruiken tegen burgers, hen afpersen of willen ronselen. Tegen deze achtergrond is het onverantwoord om eiser als jongeman terug te sturen naar Somalië waar hij ook een zeer grote kans loopt slachtoffer te worden van willekeurig geweld. In het bestreden besluit is hierop niet of onvoldoende gemotiveerd ingegaan.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld zoals weergegeven onder 4.6. De enkele stelling van eiser dat hij een zeer grote kans loopt slachtoffer te worden van willekeurig geweld en dat de minister in het bestreden besluit hierop niet of onvoldoende gemotiveerd is ingegaan, maakt niet dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser bij terugkeer naar Somalië geen reëel risico op ernstige schade loopt en dat de omstandigheid dat eiser uit Somalië komt op zichzelf niet genoeg is om een risico op ernstige schade aan te nemen.

Conclusie en gevolgen

10. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De rechter is buiten staat te tekenen.

Bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. N.M. van Waterschoot

Griffier

  • mr. M.A. Buikema

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand