RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiseressen],
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.55381 en NL26.55387
V-nummers: [v-nummer 1] en [v-nummer 2], eiseressen
(gemachtigde: mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire),
en
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).
Procesverloop
Bij besluiten van 18 september 2026 is aan eiseressen op grond van artikel 14, gelezen in samenhang met artikel 6 van Verordening (EU) nr. 2016/399 (Schengengrenscode) de toegang geweigerd en bij besluiten van diezelfde datum is aan eiseressen op grond van artikel 6, eerste en tweede juncto zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De minister heeft de rechtbank van de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregelen in kennis gesteld. Deze kennisgevingen worden gelijkgesteld met een door eiseressen ingesteld beroep. De beroepen moeten tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Op grond van artikel 94, tweede lid, van de Vw wordt, indien aan de vreemdeling een besluit tot weigering van toegang tot Nederland is uitgereikt, het beroep geacht mede een beroep tegen dit besluit te omvatten.
De rechtbank heeft de beroepen op 25 september 2026 op zitting behandeld. Eiseressen zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen O. Kolodyazhna. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiseres hebben de Russische nationaliteit. Zij zijn geboren op [geboortedag 1] 2003 ([eiseres 1]) en [geboortedag 2] 1999 ([eiseres 2]).
2. Op 8 juli 2026 hebben eiseressen aan de buitengrens een asielverzoek gedaan. Op diezelfde datum is hen de vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd. In de uitspraken van 16 juli 2026 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, de beroepen tegen deze maatregelen ongegrond verklaard.
3. De asielverzoeken van eiseressen zijn bij besluiten van 18 juli 2026 afgewezen als niet-ontvankelijk. Het beroep van eiseressen tegen deze besluiten is in de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 17 september 2026 ongegrond verklaard en hun verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen. Daarop is de grondslag van de vrijheidsontnemende maatregel gewijzigd in artikel 6, eerste en tweede lid, juncto zesde lid, van de Vw.
Over de toegangsweigering:
4. Eiseressen hebben niet betwist dat de minister hen de toegang kon weigeren. De rechtbank gaat daarom uit van de rechtmatigheid van de besluiten tot weigering van de toegang.
Over de vrijheidsontnemende maatregelen
5. Op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw kan de vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met de grensbewaking aangewezen ruimte of plaats die is beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.
6. Uit artikel 5.5, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) volgt dat de de minister de vreemdeling in vreemdelingenbewaring kan stellen op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid dat vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. In artikel 5.5, derde lid, van het Vb is bepaald dat dit ook geldt voor een maatregel die is opgelegd op grond van artikel 6, zesde lid, van de Vw.
Ter onderbouwing van het risico op onderduiken heeft de minister in de maatregel overwogen dat eiseressen:
i. i) Aan de grens te kennen hebben gegeven een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel te willen indienen, en hun aanvraag met toepassing van de asielgrensprocedure niet in behandeling is genomen, niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond.
r) Geen vaste woon- of verblijfplaats hebben.
s) Niet beschikken over voldoende middelen van bestaan.
Eiseressen betogen dat de minister ten onrechte concludeert dat het risico bestaat dat zij zullen onderduiken. In dat verband betwisten zij bovengenoemde gronden van de maatregelen.
De minister stelt zich primair op het standpunt dat voor het opleggen van de bestreden maatregel niet is vereist dat er een onderduikrisico bestaat. Volgens hem volgt dat uit de systematiek van de wet. Subsidiair stelt de minister zich op het standpunt dat de gronden kunnen worden tegengeworpen en dat deze gronden in de maatregelen voldoende zijn gemotiveerd.
De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgrond van eiseressen slaagt. Zoals deze rechtbank, zittingsplaats Noord-Holland recent al heeft geoordeeld is artikel 5.5, derde lid, van het Vb van toepassing en moet de rechtbank toetsen aan de wettelijke bepalingen zoals die op dit moment gelden. Voor het opleggen van deze maatregelen was dus vereist dat een risico op onderduiken kon worden aangenomen. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat dit het geval is. Zo heeft de minister ten aanzien van de grond i slechts overwogen dat daaruit volgt dat er een risico is op onderduiken, omdat eiseressen Brazilië niet als veilig land zien. Dat acht de rechtbank onvoldoende, mede gelet op het feit dat beiden in het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de maatregelen hebben verklaard mee te willen werken aan terugkeer naar Brazilië. Ook de toelichting op grond r acht de rechtbank onvoldoende. De minister heeft daarover overwogen dat de vreemdeling zich door het niet hebben van een vaste woon- of verblijfplaats niet beschikbaar houdt voor voorbereidingen op terugkeer en/of de verwijderingsprocedure. Daarmee heeft de minister onvoldoende toegelicht waarom uit deze grond volgt dat een risico op onderduiken bestaat. De motivering houdt immers niet meer in dan dat de grond zich feitelijk voordoet en dat reeds daaruit een onderduikrisico voortvloeit. Tot slot acht de rechtbank ook de toelichting op grond s onvoldoende, nu daaruit niet blijkt waarom het bedrag waarover eiseressen gezamenlijk beschikken, te weten 8000 euro, onvoldoende is om in afwachting van hun vertrek in hun eigen onderhoud te voorzien. De rechtbank concludeert dat het onderduikrisico niet deugdelijk is gemotiveerden dat de vrijheidsontnemende maatregelen vanaf het moment van het opleggen onrechtmatig zijn.
Over beide beroepen
7. De beroepen, voor zover gericht tegen de toegangsweigering, zijn ongegrond. De beroepen, voor zover gericht tegen de vrijheidsontnemende maatregelen, zijn gegrond en de vrijheidsontnemende maatregelen zijn vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregelen met ingang van 28 september 2026.
8. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor acht dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregelen van 11 x € 120,- (verblijf in het detentiecentrum) = voor beide eiseressen € 1.320,-.
9. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseressen gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen, voor zover gericht tegen de toegangsweigering, ongegrond;
- verklaart de beroepen, voor zover gericht tegen de vrijheidsontnemende maatregelen, gegrond;
- beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregelen met ingang van 28 september 2026;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseressen tot een bedrag van tweemaal € 1.320,- (= 2.640,-), te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseressen tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van
D.P. van Middelkoop, griffier.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak voor zover die over de vrijheidsontnemende maatregelen gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Tegen deze uitspraak voor zover die over de toegangsweigeringen gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.