RECHTBANK DEN HAAG
Tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] ,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.35148 T
geboren op [geboortedatum 1] in Sierra Leone,
V-nummer: [V-nummer] ,
eiseres,
(gemachtigde: mr. R.L.J. Henket-Reijnen),
en
(gemachtigde: mr. D. van Hout).
Procesverloop
Eiseres heeft op 8 augustus 2021 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 26 oktober 2023 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 13 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiseres, haar gemachtigde en de gemachtigde van verweerder zijn verschenen. Na afloop van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank partijen medegedeeld dat de behandeling van het beroep wordt aangehouden omdat de rechtbank een deskundige zal benoemen.
Overwegingen
1. Eiseres heeft de Sierra Leoonse nationaliteit. Zij heeft aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij uit Sierra Leone is vertrokken omdat haar partner, met wie zij inmiddels twee kinderen heeft, een activist is die wordt gezocht door de autoriteiten. Eiseres denkt dat de Sierra Leoonse overheid op de hoogte is van haar relatie met hem, waardoor zij gevaar loopt. Bij terugkeer naar Sierra Leone vreest eiseres dat zij vermoord zal worden door de overheid.
2. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
4. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen beroepsgronden heeft aangevoerd tegen de beoordeling door verweerder van haar asielrelaas. Eiseres heeft bevestigd niet langer tegen de geloofwaardigheidsbeoordeling van het reeds naar voren gebrachte relaas op te komen Eiseres heeft ter zitting tevens aangegeven zich te kunnen vinden in de (voorlopige) beslissing van de rechtbank om het eerst in beroep aangedragen asielmotief niet in deze procedure te betrekken omdat eiseres overweegt een opvolgende aanvraag in te dienen en de omstandigheden die eiseres zelf in juli 2026 voor het eerst naar voren heeft gebracht daaraan ten grondslag te leggen. De rechtbank zal op het moment dat de rechtbank een einduitspraak doet, zo nodig, een actuele refoulementsbeoordeling verrichten. De rechtbank zal nu een tussenuitspraak doen en motiveert dit als volgt.
5. Eiseres is eind juli 2021 Nederland ingereisd en heeft zich op 8 augustus 2021 bij de autoriteiten gemeld en een asielaanvraag ingediend. Eiseres heeft een dochter, geboren op [geboortedatum 2] en een zoon, geboren op [geboortedatum 2] . Beiden kinderen zijn in Nederland geboren en hebben de Sierra Leoonse nationaliteit. Deze kinderen hebben, blijkens het verweerschrift, een verblijfsrecht ‘Hier ten lande geboren kinderen’ zoals bedoeld in artikel 3.23 lid 1 Vb jo. paragraaf B7/3.3 Vc. Eiseres heeft een relatie met de vader van beide kinderen. Deze vader, die de Sierra Leoonse nationaliteit heeft, heeft tevens, gelijktijdig, een relatie met een andere vrouw die de Nederlandse nationaliteit heeft. Met deze vrouw heeft de vader een dochter die in [geboortedatum 3] is geboren en de Nederlandse nationaliteit heeft. De vader is in het bezit van een verblijfsvergunning die niet is gebaseerd op de verlening van internationale bescherming. Zowel de vader als eiseres stellen zich op het standpunt dat de vader niet kan terugkeren naar Sierra Leone omdat hij daar gevaar loopt. Deze vrees is onder meer onderbouwd met een artikel in een Nederlands dagblad waarin de naam van vader is vermeld en vader in verband wordt gebracht met wekelijkse radioprogramma’s waarin hij kritiek uit op de regering van Sierra Leone.
6. Partijen verschillen van mening of aan eiseres een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM moet worden verleend en welk gewicht moet toekomen aan het gezinsleven en het belang van het kind.
7. De rechtbank heeft ter zitting met partijen besproken dat sprake is van gezinsleven in verschillende gezinsverbanden die zeer nauw met elkaar verweven zijn. Indien aan eiseres geen verblijfsvergunning wordt verleend komt de vraag op of, zoals verweerder stelt, van de beide kinderen van eiseres verwacht mag worden dat zij hun moeder volgen naar Sierra Leone hoewel zij over een verblijfsrecht in Nederland beschikken. In dat geval komt ook de vraag op of dit zal meebrengen dat zij worden gescheiden van hun vader, terwijl kinderen op grond van het Unierecht en het Verdragsrecht recht hebben om regelmatig persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met beide ouders te onderhouden, tenzij dit tegen hun belangen indruist. Vader stelt niet mee te kunnen vanwege asielgerelateerde gronden. Indien vader echter wel mee zou terugkeren naar Sierra Leona, heeft dit onmiskenbaar gevolgen voor zijn Nederlandse kind dat hij met zijn Nederlandse partner heeft. Zij zullen, voor zover zij dit zouden wensen, zich niet naar Sierra Leone kunnen begeven, althans beschikken op dit moment niet over een verblijfsvergunning in Sierra Leone. Ter zitting is door eiseres aangegeven dat haar kinderen regelmatig contact hebben met het Nederlandse kind van haar partner, die hun halfzus is. Ter zitting is ook toegelicht dat de Nederlandse partner van de vader van de kinderen van eiseres (de moeder van de halfzus) vijf kinderen heeft.
8. De rechtbank overweegt dat artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie bepaalt dat bij alle handelingen in verband met kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, de belangen van het kind een essentiële overweging vormen. Verweerder voert het beleid dat bij een eerste asielaanvraag ambtshalve wordt beoordeeld of een verblijfsvergunning moet worden verleend op reguliere gronden. Indien verweerder de aanvraag van eiseres afwijst, is verweerder, in beginsel, verplicht om een terugkeerbesluit vast te stellen. In dat kader moet het belang van kind worden betrokken en is het Handvest van toepassing. Het Unierecht is in deze procedure dus van toepassing in die zin dat het belang van het kind moet worden betrokken in de besluitvorming. Dit volgt overigens ook uit artikel 3, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het Kind, waarin is bepaald dat bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind de eerste overweging vormen. Uit de bewoordingen van deze bepaling volgt dat de verplichting om het belang van het kind de eerste overweging te laten vormen, zich ook tot de rechterlijke instantie richt.
9. Verweerder heeft ter zitting op vragen van de rechtbank te kennen gegeven het niet noodzakelijk te achten dat het belang van het kind in deze fase van de procedure nader wordt onderzocht en dat hij niet van plan is om zelf nader onderzoek te (laten) verrichten. Verweerder heeft hierbij onder meer opgemerkt dat de 8 EVRM-toets een ex nunc-karakter heeft, eiseres haar gezinsleven heeft opgebouwd terwijl zij in onzekerheid verkeerde over verblijfsaanvaarding en dat de ontstane gezinssituatie - kort gezegd - een gevolg is van de keuzes van de partner van eiseres. Eiseres heeft geen zogenoemde BIC-rapportages laten opmaken, maar heeft ter zitting wel verklaard om bereid te zijn om haar medewerking te verlenen als de rechtbank een deskundige benoemt om een ‘best interest of the child-assessment’ te laten vervaardigen.
10. De rechtbank heeft partijen medegedeeld dat zij het belang van het kind niet kan betrekken in de beoordeling van het geschil als dit belang niet eerst is vastgesteld. De vaststelling van het belang van het kind vereist expertise waarover de rechtbank niet beschikt. De rechtbank zal daarom een deskundige benoemen om het belang van de twee kinderen van eiseres en het Nederlandse kind van de partner van eiseres (de halfzus van de twee kinderen van eiseres) te onderzoeken en vast stellen en te beoordelen wat de gevolgen voor deze kinderen zijn als aan eiseres geen verblijfsvergunning wordt verleend. De rechtbank heeft na de zitting contact opgenomen met het Onderzoeks- en Expertisecentrum voor Kinderen en Vreemdelingenrecht, verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen, en zal dit expertisecentrum verzoeken om BIC-assessments te vervaardigen. Indien deze rapporten gereed zijn, zal de rechtbank deze rapporten toevoegen aan het dossier en beide partijen in de gelegenheid stellen om een standpunt in te nemen over het belang van het kind en welk gewicht aan dit belang moet worden toegekend in de onderhavige procedure.
10. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.B.J. Schreijen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 1 oktober 2026.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open maar kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegelijk met het beroep tegen de einduitspraak.