RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.31326
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. H.J.M. Nijholt)
en
(gemachtigde: mr. L.G. de Rooij).
1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep te laat is ingediend en dat eiseres daarvoor geen verschoonbare reden heeft. De rechtbank overweegt dat er geen sprake is van Bahaddar-omstandigheden, zodat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Eiseres heeft op 7 april 2026 per e-mail een opvolgende (vierde) aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder hanteert als aanvraagdatum 8 april 2026. Vanwege de geplande uitzetting van eiseres op 8 april 2026 heeft verweerder deze aanvraag aangemerkt als een last-minute aanvraag en heeft hij beoordeeld of het indienen van de asielaanvraag tot gevolg heeft dat de uitzetting van eiseres achterwege blijft. Eiseres is op 8 april 2026 gehoord over haar asielmotieven.
Bij besluit van 8 april 2026 (het 3.1 Vb-besluit) heeft verweerder geconcludeerd dat eiseres geen nieuwe elementen of bevindingen naar voren heeft gebracht die relevant zijn voor de beoordeling van haar asielaanvraag en dat haar opvolgende aanvraag niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Daarom heeft verweerder op grond van artikel 3.1, tweede lid, aanhef en onder a, van het Vb geoordeeld dat de uitzetting van eiseres niet achterwege wordt gelaten. Eiseres heeft geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
Op 8 april 2026 is eiseres uitgezet naar de Democratische Republiek Congo (DRC).
Nadat verweerder op 9 april 2026 het voornemen kenbaar heeft gemaakt, heeft hij met het bestreden besluit van 14 mei 2026 de asielaanvraag van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres heeft op 4 juni 2026 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 14 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
4. Eiseres is geboren op [datum] 1976. Zij is burger van de DRC.
Eiseres is sinds 2012 in Nederland. Zij heeft op 27 november 2012 een asielaanvraag ingediend. Hieraan heeft zij ten grondslag gelegd dat zij meerdere malen en gedurende een lange periode telefonisch is bedreigd door Combattants vanwege haar werk voor de regering. Tegelijkertijd stelde eiseres dat zij ook in de negatieve belangstelling van de regering stond, vanwege haar vermeende banden met generaal [naam generaal] . Hierom zou eiseres op een dag in september 2011 zijn ontvoerd. Verweerder heeft dit niet geloofwaardig geacht en de aanvraag bij besluit van 4 april 2013 afgewezen. Het beroep van eiseres tegen dit besluit is bij uitspraak van 10 oktober 2013 door deze rechtbank ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 21 november 2013 heeft de Afdeling deze uitspraak bevestigd.4.2. Eiseres heeft op 9 februari 2015 een opvolgende asielaanvraag ingediend en daarbij originele documenten afkomstig uit de DRC overgelegd, namelijk een oproep van ANR van 10 september 2014 en een oproep van de politie van 18 september 2014. Verweerder heeft die aanvraag afgewezen omdat de authenticiteit van de documenten niet is vast te stellen. Ook is het eerder aan eiseres opgelegde terugkeerbesluit herhaald en is aan eiseres een inreisverbod voor de duur van twee jaren opgelegd. Het beroep tegen dit besluit is bij uitspraak van 5 maart 2015, door deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.4.3. Eiseres heeft op 26 september 2023 een derde asielaanvraag ingediend. Zij heeft aan die aanvraag diverse documenten ten grondslag gelegd, waaruit volgens haar blijkt dat ze nog steeds gezocht wordt. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen omdat de ‘convocation’ uit 2014 al eerder was overgelegd en beoordeeld. De ‘convocation’ uit 2022 werpt geen nieuw licht op het relaas van eiseres, omdat uit landeninformatie is gebleken dat ‘convocations’ worden gebruikt om getuigen op te roepen en geen verdachten. Ook is onduidelijk waarom eiseres zou zijn opgeroepen. Een krantenartikel uit 2022 over eiseres is niet overgelegd en een online artikel uit 2025 is niet terug te vinden. Een ‘Avis de recherches’ van 23 februari 2023 kan niet leiden tot een ander oordeel, omdat het een kopie is. De brief van de advocaten is geen objectief verifieerbare bron. Deze rechtbank, zittingsplaats Groningen heeft bij uitspraak van 21 januari 2026 het beroep van eiseres ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 7 april 2026 heeft de Afdeling het hoger beroep van eiseres ongegrond verklaard. 4.4. Eiseres legt aan de onderhavige (vierde) asielaanvraag van 7 april 2026 ten grondslag dat zij niet kan terugkeren naar de DRC, omdat de problemen waarvoor zij in 2012 is gevlucht nog steeds bestaan. Eiseres heeft twee nieuwe documenten overgelegd, waaruit volgens haar blijkt dat zij nog steeds wordt gezocht door de autoriteiten van de DRC. Het gaat om een ‘convocation’ van 20 maart 2026 en een ‘Avis de recherche’ van 7 april 2026.
Het bestreden besluit
5. Verweerder heeft de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat sprake is van een opvolgende asielaanvraag waaraan eiseres geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Verweerder heeft zich daarbij onder meer gebaseerd op een verklaring van onderzoek van Bureau Documenten van 13 mei 2026 waaruit volgt dat de door eiseres overgelegde documenten waarschijnlijk niet bevoegd zijn opgemaakt. Verweerder heeft hiermee toepassing gegeven aan artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw.
Tijdigheid van het beroep
6. De rechtbank ziet zich eerst ambtshalve voor de vraag gesteld of het beroep tijdig is ingediend. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit van 14 mei 2026 dateert. In het bestreden besluit staat dat binnen één week beroep moet worden ingediend. Uit artikel 69, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw volgt dat de beroepstermijn één week bedraagt indien verweerder de asielaanvraag niet-ontvankelijk heeft verklaard op grond van artikel 30a van de Vw. Het beroepschrift is op 4 juni 2026, en daarmee te laat, ingediend.
Verweerder heeft bij brief van 11 september 2026 schermafbeeldingen uit Indigo, het postverzendings(registratie)-systeem van de IND, overgelegd. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat uit die schermafbeeldingen blijkt dat op 14 mei 2026 het besluit aan de gemachtigde van eiseres is verzonden via het portaal voor advocaten en ook via e-mail. De gemachtigde van eiseres heeft niet bestreden dat hij het besluit op 14 mei 2026 heeft ontvangen.
Op de vraag of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat de gemachtigde van eiseres het beroep te laat heeft ingesteld, heeft de gemachtigde van eiseres ter zitting verklaard dat het portaal van de IND zo slecht in elkaar zit dat hij het besluit te laat heeft gezien. Daarnaast is met een beroepstermijn van één week geen sprake van een eerlijke procedure. Het is voor hem niet goed werkbaar en als het een keer misgaat moet dat verschoonbaar worden geacht.
Nadat is vastgesteld dat het beroep te laat is ingediend, moet de rechtbank beoordelen of de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Dat wil zeggen, of de termijnoverschrijding aan eiseres is toe te rekenen. Op grond van artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verklaart de rechtbank een beroep, ondanks een termijnoverschrijding, niet niet-ontvankelijk wanneer redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de indiener in verzuim is geweest. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat het handelen van een professionele rechtsbijstandverlener in beginsel voor risico van de indiener komt, tenzij zich heel bijzondere persoonlijke omstandigheden aan de zijde van de rechtshulpverlener voordeden. De rechtbank is van oordeel dat de gemachtigde van eiseres geen heel bijzondere persoonlijke omstandigheden heeft aangevoerd om de termijnoverschrijding verschoonbaar te kunnen achten. Zo heeft de gemachtigde van eiseres de stelling dat het portaal van de IND in het algemeen niet goed functioneert onvoldoende onderbouwd. De omstandigheden dat hij het druk heeft en dat de wettelijke beroepstermijn van één week te kort is voor het indienen van beroep, zijn ook onvoldoende om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Dit betekent dat het beroep in beginsel niet-ontvankelijk moet worden verklaard en dat de rechtbank dan ook niet toekomt aan een inhoudelijk behandeling van het beroep.
Bahaddar-toets
7. Voordat de rechtbank een beroep niet-ontvankelijk verklaart, moet zij beoordelen of er een reden is om aan de niet-ontvankelijkverklaring voorbij te gaan. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat de bestuursrechter een nationale procedureregel buiten toepassing moet laten wanneer er bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten of omstandigheden zich voordoen, als bedoeld in paragraaf 45 van het arrest Bahaddar (hierna: Bahaddar-omstandigheden). Bahaddar-omstandigheden doen zich voor als wat een vreemdeling heeft aangevoerd en overgelegd onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat verweerder bij uitzetting van die vreemdeling het refoulementverbod, neergelegd in artikel 3 van het EVRM, zou schenden. De beoordeling of er zich ‘Bahaddar-omstandigheden’ voordoen, moet worden verricht in het licht van wat een vreemdeling heeft aangevoerd en overgelegd, het standpunt van verweerder daarover en wat algemeen bekend is over het land van herkomst.
Nu eiseres al is uitgezet, beoordeelt de rechtbank of ten tijde van haar uitzetting op 8 april 2026 sprake was van dergelijke Bahaddar-omstandigheden. Ter zitting heeft de rechtbank partijen het Bahaddar-toetsingskader voorgelegd en hebben partijen hierover een standpunt ingenomen.
De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting toegelicht dat de vrees van eiseres nog steeds ziet op de problemen uit 2012 en dat zij die vrees met de bij de opvolgende aanvraag overgelegde documenten heeft proberen te onderbouwen. Bureau Documenten heeft in de verklaring van onderzoek van 13 mei 2026 geoordeeld dat de documenten waarschijnlijk niet bevoegd zijn opgemaakt en dat niet kan worden vastgesteld of de documenten inhoudelijk juist zijn. Eiseres vindt dat aan dat oordeel geen waarde kan worden gehecht, nu het niet is gemotiveerd, niet inzichtelijk is hoe het rapport tot stand is gekomen en Bureau Documenten er niet zeker van is dat de documenten niet echt zijn.
Verweerder heeft bij brief van 11 september 2026 een uitspraak van de bewaringsrechter van 9 april 2026 overgelegd. De rechtbank stelt vast dat de bewaringsrechter in die uitspraak weliswaar heeft geoordeeld dat eiseres bij terugkeer naar de DRC geen 3 EVRM-risico loopt, maar de rechtbank heeft bij die beoordeling niet de twee documenten betrokken die eiseres bij de onderhavige asielaanvraag heeft overgelegd. De enkele verwijzing naar deze uitspraak volstaat dan ook niet. De rechtbank zal daarom beoordelen of uit de door eiseres overgelegde documenten onmiskenbaar een artikel 3 EVRM-risico blijkt.
Naar het oordeel van de rechtbank doen zich in hetgeen eiseres heeft aangevoerd en overgelegd geen Bahaddar-omstandigheden voor. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat uit de ‘convocation’ van 20 maart 2026 en de ‘Avis de recherche’ van 7 april 2026, in het licht van hetgeen eiseres heeft aangevoerd, niet onmiskenbaar blijkt dat bij de uitzetting van eiseres artikel 3 van het EVRM is geschonden. Ook los van de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten over de authenticiteit van de documenten, is de rechtbank van oordeel dat uit de inhoud van de documenten niet blijkt van een artikel 3 EVRM-risico voor eiseres. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiseres niet heeft toegelicht of geconcretiseerd wat zij met de documenten wil aantonen in relatie tot haar asielaanvraag. Daarnaast volgt de rechtbank verweerder in het standpunt dat de documenten niet eenduidig te herleiden zijn tot eiseres, nu een combinatie van unieke persoonsgegevens ontbreekt. Alleen een gelijkende naam is vermeld op de documenten, maar bijvoorbeeld een geboortedatum, foto, persoonsnummer of ID-documentnummer ontbreken. Verder heeft eiseres net als in haar eerdere procedure(s) een ‘convocation’ overgelegd, terwijl in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 21 januari 2026 (onherroepelijk) is geoordeeld dat een ‘convocation’ slechts een getuigenoproep betreft. De rechtbank ziet geen reden om daar anders over te oordelen. Ook blijkt uit de documenten niet duidelijk op welke feiten of omstandigheden ze betrekking hebben en wat het juridische/strafrechtelijke probleem van eiseres zou zijn. In de ‘Avis de recherche’ worden alleen in algemene bewoordingen de artikelen 159 en 160 van het Congolese Wetboek van Strafrecht aangehaald, zonder dat dit wordt gekoppeld aan een feitelijke gedraging van eiseres. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres ook niet kunnen toelichten waarop die artikelen zien en wat het verband is met het relaas van eiseres. Eiseres heeft daarnaast onvoldoende toegelicht waarom zij plots deze zeer recent afgegeven documenten heeft overgelegd, terwijl zij al veertien jaar weg is uit de DRC. Dat de gemachtigde van eiseres ter zitting heeft verklaard dat de advocaat van eiseres in Congo navraag had gedaan bij de autoriteiten over eiseres en deze documenten vervolgens heeft ontvangen, acht de rechtbank onvoldoende nu dit evenmin is onderbouwd of geconcretiseerd.
Nu de rechtbank op basis van de inhoud van de door eiseres overgelegde documenten concludeert dat geen sprake is van Bahaddar-omstandigheden, bestaat er geen aanleiding om het beroep aan te houden om Bureau Documenten nader te laten onderbouwen hoe het onderzoek naar de documenten is verricht. Om dezelfde reden ziet de rechtbank geen aanleiding om het beroep aan te houden vanwege de omstandigheid dat eiseres probeert om de documenten gelegaliseerd te krijgen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiseres geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waaruit onmiskenbaar blijkt dat ten tijde van haar uitzetting sprake was van een schending van artikel 3 van het EVRM. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de hiervoor bedoelde nationale procedureregel buiten toepassing te laten.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.J. van Beek, rechter, in aanwezigheid van mr. A.I. Doesburg, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.