ECLI:NL:RBDHA:2026:29024

ECLI:NL:RBDHA:2026:29024

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 29-09-2026
Datum publicatie 01-10-2026
Zaaknummer NL26.62635
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Griekenland, internationale bescherming, no-verklaring, zelfredzaamheid

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 september 2026 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nr] , eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.62635

(gemachtigde: mr. A.S. Sewman),

en

(gemachtigde: mr. M. Dalhuizen).

1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag van eiser, omdat hij internationale bescherming heeft in Griekenland. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal hierna te bespreken beroepsgronden aan.

De rechtbank oordeelt dat de minister de aanvraag terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De minister mag de vraag of een Griekse statushouder bij terugkeer in zijn basisbehoeften kan voorzien, beoordelen aan de hand van diens individuele omstandigheden. De minister heeft zich in het geval van eiser terecht op het standpunt gesteld dat hij zelfredzaam is en daarom bij terugkeer niet in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie terechtkomt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

De rechtbank zet hierna eerst het procesverloop (2) en de relevante feiten en het standpunt van de minister (3) uiteen. Vervolgens bespreekt de rechtbank het toepasselijke beoordelingskader (4) en de omvang van het geschil (5). Daarna beoordeelt de rechtbank eerst of het beleid van de minister ten aanzien van Griekse statushouders houdbaar is (6) en vervolgens of de minister zich in het geval van eiser terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij zelfredzaam is (7). De rechtbank sluit af met de conclusie en de beslissing (8).

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag op 18 december 2025 niet-ontvankelijk verklaard. Hiertegen heeft eiser op 22 december 2025 beroep ingesteld. De minister heeft op 9 maart 2026 een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Wat zijn de relevante feiten en wat is het standpunt van de minister?

3. Eiser komt uit Libië. Uit onderzoek in Eurodac blijkt dat de Griekse autoriteiten hem op 12 juni 2015 internationale bescherming hebben verleend. De minister heeft de aanvraag van eiser daarom niet-ontvankelijk verklaard. De minister stelt zich daarbij op het standpunt dat eiser een zodanige band met Griekenland heeft dat het redelijk is dat hij naar dat land gaat en dat hij daar, gelet op zijn individuele omstandigheden, voldoende zelfredzaam is om in zijn basisbehoeften te voorzien. Volgens de minister bestaat daarom geen reëel risico dat eiser bij terugkeer naar Griekenland wordt blootgesteld aan een behandeling in strijd met artikel 4 van het EU Handvest.

Hoe luidt het relevante beoordelingskader?

4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.

Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) kan een aanvraag niet-ontvankelijk worden verklaard als de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet. Daarvoor is vereist dat de betrokkene een zodanige band heeft met dat land dat het redelijk is van hem te verwachten om naar dat land te gaan. Verder moet de betrokkene in die lidstaat worden behandeld overeenkomstig de beginselen, genoemd in artikel 3.106a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000. Een van die beginselen is dat een verwijdering niet in strijd is met het recht op vrijwaring tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling, zoals neergelegd in het internationaal recht.

Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag de minister ervan uitgaan dat de lidstaten van de Europese Unie de verplichtingen uit het Vluchtelingenverdrag, artikel 3 van het EVRM, artikel 4 van het EU Handvest en artikel 3 van het Antifolterverdrag naleven. Uit het arrest Ibrahim van het Hof van Justitie van 19 maart 2019 volgt dat dit anders kan zijn als een statushouder in de lidstaat van bescherming wordt blootgesteld aan omstandigheden die een reëel risico opleveren op een behandeling in strijd met artikel 4 van het EU Handvest. Daarvan kan sprake zijn bij structurele of fundamentele tekortkomingen, dan wel tekortkomingen die bepaalde groepen raken, die een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Die drempel is bereikt wanneer de onverschilligheid van de autoriteiten ertoe leidt dat een persoon die volledig afhankelijk is van overheidssteun, buiten zijn wil en persoonlijke keuzes om, terechtkomt in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie waardoor hij niet in staat is in zijn meest elementaire behoeften te voorzien, zoals wonen, eten en zich wassen, en zijn lichamelijke of geestelijke gezondheid wordt geschaad of zijn leefomstandigheden mensonwaardig zijn.

Omvang van het geschil

5. Niet in geschil is dat eiser in Griekenland internationale bescherming geniet. De gemachtigde heeft de beroepsgrond dat niet kan worden geverifieerd of eiser nog internationale bescherming in Griekenland geniet, omdat de bevestiging van de Griekse autoriteiten niet is overgelegd en eiser zelf stelt die status niet meer te hebben, op zitting ingetrokken. Ook is niet in geschil dat eiser een zodanige band met Griekenland heeft dat het redelijk is dat hij naar dat land gaat. Het geschil spitst zich toe op de vraag of eiser in Griekenland voldoende zelfredzaam is om in zijn meest elementaire levensbehoeften te voorzien.

Is het beleid voor Griekse statushouders houdbaar?

6. Eiser betoogt dat de minister niet als uitgangspunt mag hanteren dat bij Griekse statushouders aan de hand van hun individuele omstandigheden kan worden beoordeeld of zij bij terugkeer zelfredzaam zijn. Volgens eiser blijkt uit recente landeninformatie dat de problemen waarmee statushouders in Griekenland worden geconfronteerd nog steeds van zodanige aard zijn dat zij bij terugkeer, in het bijzonder wanneer hun verblijfsdocument is verlopen, niet zonder meer toegang hebben tot huisvesting, arbeid, sociale voorzieningen en gezondheidszorg. Omdat het verkrijgen of verlengen van verblijfsdocumenten geruime tijd kan duren, kunnen statushouders in die periode verstoken blijven van voorzieningen en niet in hun meest elementaire levensbehoeften voorzien. Onder verwijzing naar deze landeninformatie en naar de uitspraak van de Belgische Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (Raad) van 20 februari 2026 betoogt eiser dat de minister daarom niet kan volstaan met een beoordeling van de individuele zelfredzaamheid, maar ervan moet uitgaan dat een overdracht naar Griekenland voor statushouders in het algemeen een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 4 van het EU Handvest oplevert.

Eerdere ontwikkelingen in de rechtspraak over statushouders in Griekenland

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in haar eerdere uitspraken van 28 juli 2021 geoordeeld dat uit de toen beschikbare informatie bleek dat de Griekse autoriteiten er in de praktijk, ondanks ondersteuning van ngo’s, vaak niet in slaagden te voorkomen dat statushouders in een situatie terechtkwamen waarin zij niet konden voorzien in hun meest elementaire levensbehoeften, zoals huisvesting, voedsel en hygiëne. Daarbij heeft de Afdeling onder meer betekenis toegekend aan een Griekse wetswijziging van maart 2020 die het recht op opvang en materiële voorzieningen voor statushouders heeft ingeperkt. Hierbij werd de termijn voor het verlaten van de opvang verkort van zes maanden naar één maand. Ook heeft de Afdeling de toename van het aantal personen aan wie internationale bescherming was verleend laten meewegen. De Afdeling heeft daarom geoordeeld dat de minister onvoldoende had gemotiveerd dat voor Griekenland nog kon worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

Het beleid van de minister naar aanleiding van deze rechtspraak

Naar aanleiding van deze rechtspraak en de daaropvolgende feitenonderzoeken van 24 juni 2022 en 3 september 2024 hanteert de minister als uitgangspunt dat een aanvraag van een statushouder in Griekenland in beginsel inhoudelijk wordt beoordeeld en niet zonder meer niet-ontvankelijk wordt verklaard. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als uit de individuele omstandigheden voldoende blijkt dat de betrokkene bij terugkeer naar Griekenland zelfredzaam is.

Dit uitgangspunt is nader uitgewerkt in IND-informatieberichten, laatstelijk IB 2026/1. Daaruit volgt dat per geval wordt beoordeeld of de betrokkene bij terugkeer naar Griekenland in staat is in zijn basisbehoeften te voorzien. Daarbij is niet doorslaggevend dat een terugkerende statushouder bij aankomst tijdelijk geen toegang heeft tot bepaalde voorzieningen. Wel wordt onderkend dat het verkrijgen of verlengen van noodzakelijke documenten enige tijd kan vergen en dat dit gedurende die periode gevolgen kan hebben voor de toegang tot voorzieningen. Deze omstandigheden worden daarom betrokken bij de beoordeling van de individuele zelfredzaamheid.

Het oordeel van de rechtbank over dit beleid

De rechtbank is van oordeel dat de minister dit beleid mag voeren. Het uitgangspunt in dit beleid dat individuele omstandigheden aanleiding kunnen geven om af te zien van een inhoudelijke beoordeling van een asielaanvraag van een Griekse statushouder is niet in strijd met de genoemde Afdelingsuitspraken, de daarin betrokken informatie en de feitenonderzoeken. Uit de informatie waarop de minister zich heeft gebaseerd, volgt dat statushouders in Griekenland nog steeds kunnen worden geconfronteerd met aanzienlijke praktische en administratieve belemmeringen bij het verkrijgen of verlengen van verblijfsdocumenten en bij de toegang tot huisvesting, arbeid, sociale voorzieningen en gezondheidszorg. Deze problemen kunnen er in individuele gevallen toe leiden dat een statushouder in zeer precaire omstandigheden terechtkomt. Daaruit volgt echter niet dat iedere statushouder bij terugkeer naar Griekenland alleen daarom al een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het EU Handvest. Elk individueel geval vereist een beoordeling van de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene.

Dit is ook de conclusie in het door eiser ingeroepen arrest van de Raad. In dit arrest heeft de Raad geoordeeld dat de beschikbare landeninformatie op zichzelf niet de conclusie rechtvaardigt dat iedere statushouder bij terugkeer naar Griekenland in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie terechtkomt. De individuele omstandigheden van de betrokkene moeten worden betrokken bij de beoordeling.

De omstandigheid dat het verkrijgen of verlengen van verblijfsdocumenten enige tijd kan duren, betekent evenmin zonder meer dat een statushouder gedurende die periode niet in zijn basisbehoeften kan voorzien. Of daarvan sprake is, hangt af van de omstandigheden van de betrokkene, waaronder diens mogelijkheden om zelf inkomen, huisvesting en toegang tot voorzieningen te verkrijgen. Hierbij heeft de minister ook mogen betrekken dat de door hem genoemde informatie laat zien dat voor statushouders ook zonder directe overheidssteun mogelijkheden bestaan om in hun basisbehoeften te voorzien, onder meer via zelfgeregelde huisvesting, arbeid en ondersteuning door ngo’s en andere organisaties. De rechtbank ziet daarom geen grond voor het oordeel dat de minister niet van dit beleid mocht uitgaan.

Heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zelfredzaam is?

7. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij bij terugkeer naar Griekenland zelfredzaam is. Volgens eiser heeft de minister daarbij ten onrechte omstandigheden betrokken die niet in het voornemen waren vermeld. Hij wijst er verder op dat zijn huwelijk met een Griekse vrouw is beëindigd en dat hij daardoor niet langer op steun van haar of haar familie kan terugvallen. Ook betwist hij dat het beheersen van de Griekse taal betekent dat hij toegang heeft tot sociale voorzieningen of ondersteuning. Verder stelt hij dat hij eerder voor zijn huisvesting afhankelijk was van zijn echtgenote en dat de ontvangen dwangsommen niet zijn bedoeld om in zijn levensonderhoud te voorzien.

De rechtbank beoordeelt eerst het betoog van eiser dat de minister in het bestreden besluit omstandigheden heeft betrokken die niet in het voornemen waren vermeld en dat hij daardoor niet in de gelegenheid is gesteld daarop in zijn zienswijze te reageren.

De rechtbank volgt eiser hierin niet. Eiser heeft sommige eerdere verklaringen in de zienswijze gewijzigd. De minister heeft zich in het besluit op het standpunt gesteld dat getwijfeld wordt aan de oprechtheid van deze verklaringen. In dit verband heeft hij gewezen op het feit dat eiser eerder bij de vreemdelingenpolitie niet heeft gemeld een Griekse status te hebben, ook niet toen gevraagd werd of hij eerder in Europa asiel had aangevraagd. Ook had eiser zijn strafrechtelijke veroordelingen in Griekenland verzwegen door deze niet te vermelden op de antecedentenverklaring en door te verklaren dat hij nooit is veroordeeld. Hij heeft dit pas na confrontatie toegegeven. In dit verband is ook opgemerkt dat eiser in Nederland meerdere malen met de politie in aanraking is gekomen. Omdat deze in het besluit genoemde omstandigheden een reactie zijn op de in de zienswijze gewijzigde verklaringen van eiser ligt het voor de hand dat deze pas voor het eerst in het besluit, en niet al eerder in het voornemen, zijn genoemd. De beroepsgrond slaagt in zoverre niet.

De rechtbank beoordeelt vervolgens of de minister zich, gelet op de individuele omstandigheden van eiser, terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij bij terugkeer naar Griekenland zelfredzaam is en in zijn meest elementaire levensbehoeften moet kunnen voorzien.

De rechtbank stelt voorop dat eiser de omstandigheden waarop de minister zijn beoordeling heeft gebaseerd voor een belangrijk deel niet heeft betwist. Eiser heeft in het verleden langdurig in Griekenland verbleven. Hij was daar vanaf 2011 meerdere keren voor kortere perioden en heeft daar van 2014 tot en met 2017 gewoond. Vanaf 2015 beschikte hij over internationale bescherming. Ook heeft eiser niet betwist dat hij de Griekse taal beheerst, hoog is opgeleid, in Libië als boekhouder heeft gewerkt en heeft verklaard dat hij in Griekenland heeft kunnen werken. Evenmin heeft hij betwist dat hij eerder contact heeft gehad met de Griekse autoriteiten en dat hij zelfstandig een procedure bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aanhangig heeft gemaakt. Daarnaast zijn er geen aanwijzingen dat eiser tot een kwetsbare groep behoort.

Deze omstandigheden wijzen erop dat eiser bekend is met de Griekse samenleving en over vaardigheden en ervaring beschikt om daarin zelfstandig te functioneren.

De minister heeft verder betekenis mogen toekennen aan het sociale netwerk van eiser in Griekenland. Eiser heeft weliswaar gesteld dat zijn huwelijk met zijn Griekse echtgenote is beëindigd, maar hij heeft daarvan geen objectieve onderbouwing overgelegd (een scheidingsakte ontbreekt). Niet kan worden vastgesteld dat het huwelijk daadwerkelijk is ontbonden. Dit is echter niet doorslaggevend. Ook als ervan wordt uitgegaan dat eiser niet langer op de steun van zijn voormalige echtgenote kan rekenen, staat vast dat hij gedurende langere tijd met haar en haar Griekse familie heeft samengeleefd. Hij heeft daarmee kennis en contacten binnen de Griekse samenleving kunnen opbouwen. Daarnaast heeft eiser een Griekse grootmoeder en heeft hij familie in Griekenland gehad. Dat hij stelt met deze familieleden geen contact meer te hebben, neemt niet weg dat deze omstandigheden bijdragen aan zijn bekendheid met de Griekse samenleving. Verder heeft eiser niet betwist dat hij contact onderhoudt met Griekse vrienden via Facebook. Ook beschikt hij over een advocaat in Griekenland met wie hij contact heeft en die hem zo nodig kan bijstaan.

Ook de beheersing van de Griekse taal heeft de minister terecht bij de beoordeling betrokken. Anders dan eiser betoogt, is dit een relevante aanwijzing voor zijn mate van zelfredzaamheid. Het beheersen van de taal stelt hem in staat om zelfstandig met overheidsinstanties en andere organisaties te communiceren, Griekse documenten te begrijpen en zelf informatie in te winnen over huisvesting, werk en sociale voorzieningen. Het vergemakkelijkt daarmee niet alleen de toegang tot de arbeidsmarkt, maar ook de toegang tot het openbare leven en voorzieningen. De minister heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat eiser in dit opzicht over een voordeel beschikt ten opzichte van statushouders die de Griekse taal niet beheersen.

De minister heeft verder terecht in aanmerking genomen dat eiser tijdens zijn eerdere verblijf in Griekenland in staat is geweest om zelfstandig huisvesting te regelen. Eiser heeft verklaard dat hij, nadat hij een belastingnummer had aangevraagd, een document heeft gekregen waarmee hij een woning kon huren. Dat hij daarvan uiteindelijk geen gebruik heeft gemaakt omdat hij al via de Libische autoriteiten over verblijf beschikte, doet er niet aan af dat hij toegang had tot de mogelijkheid om zelfstandig woonruimte te huren. De minister heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat eiser eerder heeft laten zien dat hij zich op de Griekse woningmarkt kan begeven. De enkele stelling van eiser dat hij daarbij feitelijk afhankelijk was van zijn Griekse echtgenote, maakt dit niet anders. Eiser heeft niet concreet toegelicht welke ondersteuning zijn echtgenote hem hierbij heeft geboden en waarom hij zonder die ondersteuning niet opnieuw zelfstandig huisvesting zou kunnen vinden.

De minister heeft daarnaast terecht van belang geacht dat eiser eerder toegang heeft gehad tot financiële en sociale ondersteuning van de Griekse autoriteiten. Eiser heeft tijdens het gehoor immers verklaard dat hij na de verlening van internationale bescherming toegang had tot bijstand en financiële ondersteuning. Zijn stelling in beroep dat hij bij terugkeer geen toegang zal hebben tot sociale voorzieningen, heeft hij niet nader onderbouwd. Deze stelling is bovendien niet zonder meer verenigbaar met zijn eerdere verklaring. Dat eiser beschikt over een Griekse advocaat en dat hij zich eerder tot de Griekse autoriteiten heeft gewend, ondersteunt verder het standpunt van de minister dat eiser in staat moet worden geacht zich zelfstandig tot de bevoegde instanties te wenden. Ook heeft de minister gewezen op organisaties die statushouders hierbij kunnen ondersteunen.

De minister heeft ten slotte bij de beoordeling mogen betrekken dat eiser dwangsommen heeft ontvangen vanwege het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Daarmee beschikt eiser over een financiële buffer die hij kan aanwenden om in zijn eerste levensbehoeften te voorzien. De enkele stelling dat dwangsommen daarvoor niet zijn bedoeld, maakt niet dat de minister het bestaan van deze middelen niet bij de beoordeling van de feitelijke zelfredzaamheid mocht betrekken.

Gelet op het voorgaande, en de omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer naar Griekenland voldoende zelfredzaam is om in zijn meest elementaire levensbehoeften te voorzien. Er bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het EU Handvest.

Conclusie en gevolgen

8. De minister heeft de aanvraag daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, voorzitter, en mr. S.A. van Hoof en mr. B. Koopman, leden, in aanwezigheid van mr. R. Barzilay, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand