Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers:
09/118835-26; 09/080789-26 (gev. ttz); 09/084285-26 (gev. ttz); 09/308741-25 (tul)
Datum uitspraak: 1 oktober 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres [adres 1] ,
thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] ,
locatie [locatie] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 26 augustus 2026 (pro forma) en 17 september 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C. Vermeulen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. K. Celebi naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
dagvaarding I (09/118835-26)
hij op één of meerdere momenten in of omstreeks de periode van 13 maart 2026 toten met 20 april 2026 te ’s-Gravenhage, althans in Nederland één of meerdere scootmobielen, te weten- een scootmobiel (Sterling Elite 2 XS [nummer 1] ), die geheel of ten dele aan [aangever 1]toebehoorde en/of- een scootmobiel (Sterling Elite 2 XS [nummer 2] ), die geheel of ten dele aan [aangever 2][aangever 2] toebehoorde en/of- een scootmobiel (Sterling Elite 2 XS [nummer 3] ) die geheel of ten dele aan [aangever 3]toebehoorde en/of- een scootmobiel (Excel Galaxy Plus [nummer 4] ) die geheel of ten dele aan [aangever 4][aangever 4] toebehoorde en/of- een scootmobiel (Excel Galaxy Plus [nummer 5] ) die geheel of ten dele aan [aangever 5]toebehoorde en/of- een scootmobiel (Sterling Elite 2 XS [nummer 6] ) die geheel of ten dele aan [aangever 6][aangever 6] toebehoorde en/of- een scootmobiel (Elite 2 [nummer 7] ), die geheel of ten dele aan [aangever 7]toebehoordein elk geval enig goed, dat in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomenmet het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
dagvaarding II (09/080789-26)
hij op of omstreeks 25 september 2025 te 's-Gravenhage (een) geldbedrag(en) (van de privérekening en/of van de zakelijke rekening) (in totaal 150 euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 8] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen geldbedrag(en) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van (een) valse sleutel(s);
dagvaarding III (09/084285-26)
hij op of omstreeks 20 maart 2026 te ’s-Gravenhage een scootmobiel, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan [aangeefster] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder dagvaarding I, II en III ten laste gelegde feiten, met uitzondering van de bij dagvaarding I ten laste gelegde diefstal van de scootmobiel toebehorende aan [aangever 1] waarvoor zij vrijspraak heeft gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van alle bij dagvaarding I, II en III ten laste gelegde feiten. Voor zover van belang zal de rechtbank hetgeen de raadsman hiertoe heeft aangevoerd nader uiteenzetten en hierop ingaan.
Vrijspraak
De rechtbank is met betrekking tot de bij dagvaarding I ten laste gelegde diefstal van de scootmobiel toebehorende aan [aangever 1] , met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Bewijsoverwegingen
Dagvaarding I
Diefstallen scootmobielen (in het algemeen)
Uit de bewijsmiddelen zoals onder 3.4. genoemd blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de verdachte zich voor wat betreft dagvaarding I schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van zes scootmobielen. Anders dan de raadsman heeft betoogd is er, naar het oordeel van de rechtbank, wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte deze scootmobielen heeft gestolen. Dit blijkt uit de betreffende aangiftes, de camerabeelden, de herkenning van de verdachte op de camerabeelden door verbalisanten en tot slot uit de verklaring van de verdachte zoals afgelegd op de terechtzitting van 17 september 2026 naar aanleiding van door de rechtbank voorgehouden stills van de camerabeelden waarop hij zichzelf steeds (in ieder geval gedeeltelijk) herkent.
Scootmobiel [aangever 4]
Aan hetgeen hiervoor in het algemeen is overwogen doet niet af dat de verdachte ten aanzien van de scootmobiel van [aangever 4] heeft verklaard dat hij zijn gezicht niet goed herkent op de stills van de camerabeelden, nu er voldoende ondersteunend bewijs is ten aanzien van dit feit. Zeker nu de verdachte op de terechtzitting heeft verklaard dat hij wel zijn kleding herkent op de voorgehouden stills en dat hij, net als de persoon op de beelden, die dag een banaan kreeg van een winkelier. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de bewijsmiddelen en de verklaring van de verdachte dus dat hij ook de scootmobiel toebehorende aan [aangever 4] heeft gestolen.
Dagvaarding II
Geldopnames met andermans pinpassen
Uit de bewijsmiddelen zoals onder 3.4. genoemd, blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van geldbedragen voor in totaal € 150,-- met behulp van pinpassen die toebehoorden aan [aangever 8] . De rechtbank bezigt hiertoe als bewijs de aangifte van [aangever 8] waarin alle transacties (en bijbehorende tijden) zijn opgenomen, de camerabeelden van het pinnen door de verdachte (bij Casino Hommerson) die aansluiten bij deze transacties en waaruit volgt dat hij ook een tweede pinpas ter hand heeft genomen, en de verklaring van de verdachte inhoudende dat de pinpassen waren gevonden en toebehoorden aan een voor hem onbekende persoon.
Dagvaarding III
Scootmobiel [aangeefster]
Uit de bewijsmiddelen zoals onder 3.4. genoemd blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van de scootmobiel van [aangeefster] . De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Aangeefster [aangeefster] heeft verklaard dat zij die dag omstreeks 11.30 uur haar scootmobiel parkeerde voor haar werk op het [adres 2] . Zij had de scootmobiel vastgezet met een fietsslot. Omstreeks 15.10 uur kwam zij erachter dat haar scootmobiel weg was, hetgeen zij direct meldde bij de wijkagenten die op dat moment langsliepen. De wijkagenten alarmeerden vervolgens collega’s om uit te kijken naar de scootmobiel van [aangeefster] , herkenbaar aan de aanwezigheid van maar één spiegel en een mandje aan de voorzijde met daarin een blauw doekje. Eén van de opgeroepen collega’s is hierop omstreeks 15.15 uur naar het Schalk Burgerplein gefietst, omdat het hem bekend was dat daar regelmatig gestolen scootmobielen werden verkocht. Toen deze verbalisant daar aankwam, zag hij dat de verdachte, die op dat moment op een scootmobiel zat, schrok van zijn komst. De verbalisant zag dat de scootmobiel voldeed aan de genoemde omschrijving. Bovendien lag in het mandje een doorgeknipt slot met een nijptang ernaast. De scootmobiel bleek de gestolen scootmobiel van aangeefster [aangeefster] te zijn.
Op later opgevraagde camerabeelden is te zien dat de verdachte de scootmobiel rond 14.42 uur die dag heeft weggenomen.
De verklaring van de verdachte en het daarop gebaseerde verweer van de raadsman, inhoudende dat de verdachte dacht dat het de scootmobiel van zijn tante betrof (die hij van haar moest ophalen en waarvan hij het slot moest doorknippen) acht de rechtbank niet aannemelijk gelet op de hiervoor omschreven omstandigheden, terwijl het dossier verder geen aanknopingspunten biedt die de juistheid van zijn verklaring ondersteunen. De rechtbank schuift deze verklaring dan ook terzijde. De rechtbank komt gelet op dit oordeel niet toe aan overige op deze niet-aannemelijke verklaring gebaseerde verweren van de verdediging. De rechtbank zal het (voorwaardelijke) verzoek tot horen van de tante van de verdachte afwijzen, nu zij niet kan verklaren over het tenlastegelegde en haar verklaring derhalve niet noodzakelijk is ter beantwoording van de vragen genoemd in de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de bij dagvaarding I, II en III ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
dagvaarding I (09/118835-26)
hij op momenten in de periode van 13 maart 2026 toten met 20 april 2026 te ’s-Gravenhage, scootmobielen, te weten- een scootmobiel (Sterling Elite 2 XS [nummer 2] ), die aan [aangever 2][aangever 2] toebehoorde en- een scootmobiel (Sterling Elite 2 XS [nummer 3] ) die aan [aangever 3]toebehoorde en- een scootmobiel (Excel Galaxy Plus [nummer 4] ) die aan [aangever 4][aangever 4] toebehoorde en- een scootmobiel (Excel Galaxy Plus [nummer 5] ) die aan [aangever 5]toebehoorde en- een scootmobiel (Sterling Elite 2 XS [nummer 6] ) die aan [aangever 6][aangever 6] toebehoorde en- een scootmobiel (Elite 2 [nummer 7] ), die aan [aangever 7]toebehoorde, heeft weggenomenmet het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
dagvaarding II (09/080789-26)
hij op 25 september 2025 te 's-Gravenhage geldbedragen van de privérekening en van de zakelijke rekening (in totaal 150 euro), die aan [aangever 8] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen geldbedragen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;
dagvaarding III (09/084285-26)
hij op 20 maart 2026 te ’s-Gravenhage een scootmobiel, die aan [aangeefster] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarden hetgeen de reclassering heeft geadviseerd, kort gezegd: opneming in een zorginstelling, ambulante behandeling, begeleid wonen, beheersing middelengebruik en een meldplicht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft (subsidiair) een strafmaatverweer gevoerd. De raadsman heeft hiertoe gewezen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zeven diefstallen van scootmobielen. Dergelijke diefstallen veroorzaken niet alleen financiële schade, maar benadelen de slachtoffers direct in hun mobiliteit waarvoor zij afhankelijk zijn van deze scootmobielen. De verdachte heeft zich kennelijk alleen laten leiden door eigen financieel gewin. Verder heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de diefstal van geldbedragen met behulp van twee bankpassen die aan iemand anders toebehoorden. Ook ten aanzien van deze diefstal heeft de verdachte zich alleen laten leiden door eigen financieel gewin, zonder zich te bekommeren om de gevolgen van het slachtoffer.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het actuele strafblad van de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte vorig jaar en in het huidige jaar tweemaal is veroordeeld wegens vermogensmisdrijven (winkeldiefstallen). De verdachte liep ten tijde van het plegen van de onderhavige feiten bovendien in een proeftijd. Dit alles heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank weegt dit mee als een strafverzwarende omstandigheid.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de reclasseringsrapportages, met name het rapport van 14 september 2026. Uit het onderzoek van de reclassering komt naar voren dat er sprake is van meervoudige en langdurige problematiek die in directe samenhang lijkt te staan met de onderhavige misdrijven. De verdachte kampt met ernstige verslavingsproblematiek, psychische klachten, gebrek aan dagbesteding en instabiele woonomstandigheden. Hiernaast is sprake van schuldenproblematiek. Eerdere interventies, in zowel vrijwillig als forensisch kader, zijn niet van de grond gekomen. Een eerder opgelegd toezicht (met verplichte ambulante behandeling) werd negatief geretourneerd wegens uitblijvend contact. Twee schorsingstoezichten zijn recent beëindigd omdat de verdachte zich onttrok aan de voorwaarden, waaronder een klinische opname. De reclassering verwacht dat een klinische opname, binnen een verplichtend strafrechtelijk kader, een herstart kan bieden en een noodzakelijke eerste stap vormt richting een delictvrij en middelenvrij bestaan. Aansluitend wordt een ambulante behandelverplichting geïndiceerd geacht, met de mogelijkheid van een kortdurende klinische opname gericht op detoxificatie. Ook ziet de reclassering meerwaarde in begeleid wonen of maatschappelijke opvang. Dit alles onder toezicht van de reclassering (inclusief de hiermee verbonden meldplicht).
De verdachte heeft zowel op de terechtzitting als bij de reclassering verklaard dat hij gemotiveerd is voor klinische behandeling omdat hij het contact met zijn dochter en zoon in zijn leven wilt houden. Ook heeft hij verklaard dat hij hiervoor het door de reclassering genoemde verplichtende kader wel nodig heeft. De verdachte ziet eveneens meerwaarde in de overige voorgestelde voorwaarden waaronder begeleid wonen.
De verdachte is inmiddels succesvol aangemeld voor de Afdeling Forensische Zorg (AFZ) van Fivoor voor diagnostiek en klinische behandeling binnen deze kliniek. De verdachte is hiertoe op een wachtlijst geplaatst. Wanneer er plaats is voor de verdachte kan evenwel nog niet worden aangegeven. Verder is van belang dat de verdachte (ook dan) clean dient te zijn alvorens hij kan worden opgenomen. De verdachte heeft benadrukt dat hij dit inmiddels is en dat hij vrijwillig controle hierop ondergaat.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Deze oriëntatiepunten sluiten aan bij de door de officier van justitie gevorderde strafmodaliteit en strafmaat. De rechtbank zal, zoals gevorderd door de officier van justitie en in navolging van het reclasseringsadvies, een deel hiervan voorwaardelijk opleggen met als bijzondere voorwaarden hetgeen de reclassering heeft geadviseerd. De rechtbank zal hieraan een proeftijd van twee jaren verbinden, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen.
7. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel
Medipoint heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 1.613,--, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
[aangever 5] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 267,--, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partijen in hun vorderingen vanwege onvoldoende onderbouwing.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman volgt de officier van justitie in haar conclusie, maar heeft zich ten aanzien van de benadeelde partij [aangever 5] (nadien) gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
Medipoint
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
[aangever 5]
De vordering is namens de verdachte niet gemotiveerd betwist en door de benadeelde partij voldoende toegelicht in het schadeformulier. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting staat daarmee vast dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding I bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering, bestaande uit materiële schade, geheel toewijzen.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 6 april 2026, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De verdachte zal voor het bij dagvaarding I bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 267,--, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 6 april 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 5] .
8. De vordering tot tenuitvoerlegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering van 16 juli 2026 gevorderd dat de bij parketnummer 09/308741-25 door de politierechter te Den Haag op 19 november 2025 voorwaardelijke opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair afwijzing bepleit, subsidiair verlenging van de proeftijd, meer subsidiair omzetting in een taakstraf.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie van tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen, waartoe verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in deze rechtbank, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat deze zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten.
9. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
- 36f, 57, 63, 310, 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I, II en III ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6. bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van dagvaarding I:
diefstal, meermalen gepleegd;
ten aanzien van dagvaarding II:
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd;
ten aanzien van dagvaarding III:
diefstal;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 2 (twee) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
opneming in een zorginstelling
- zich tijdens de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door Fivoor (afdeling forensische zorg) of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. Hiernaast werkt hij mee aan het diagnostisch onderzoek binnen een zorginstelling. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de geconstateerde problematiek (psychische problematiek, verslavingsproblematiek, cognitieve vaardigheden, woonoverlast en/of andere problematiek). Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
beheersing middelengebruik
- gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet, waarbij de controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest, waarbij de reclassering bepaalt hoe vaak en met welk middel wordt gecontroleerd;
ambulante behandeling als bijzondere voorwaarde: artikel 14c lid 2 onder 11 Sr)
- zich gedurende de proeftijd laat behandelen door het Fact team van Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de aanwezige problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de veroordeelde dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
- gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een nader te bepalen instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering en behandelaar. Het verblijf start aansluitend op een opname, indien geïndiceerd. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
meldplicht
- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Fivoor, [adres 3] , op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht;
geeft opdracht aan Reclassering Fivoor tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
bepaalt dat de benadeelde partij Medipoint niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 5] toe tot een bedrag van € 267,-- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 6 april 2026 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 5] ;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 267,--, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 6 april 2026 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 5] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 2 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;
gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 19 november 2025, gewezen onder parketnummer 09/308741-25, te weten gevangenisstraf voor de duur van twee weken.
Dit vonnis is gewezen door
mr. T. Ketelaars, voorzitter,
mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, rechter,
mr. C.M.A. de Koning, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. J.M. Molenaar, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 oktober 2026.