ECLI:NL:RBDHA:2026:29054

ECLI:NL:RBDHA:2026:29054

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 16-09-2026
Datum publicatie 01-10-2026
Zaaknummer NL25.18161
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader in de waardering van eisers verklaringen over de inzichtelijkheid van zijn persoonlijke beleving. Gelet op de arresten Quotal en Ebilum is de rechtbank van oordeel dat eisers verklaringen over zijn persoonlijke beleving rondom de ontdekking van zijn geaardheid en beleving ten opzichte van zijn omgeving voldoende aannemelijk zijn. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom uit de verklaring van eisers partner geen homoseksuele liefdesrelatie volgt en dat verweerder de verklaring van (naam) onvoldoende gemotiveerd terzijde heeft geschoven. De rechtbank stelt verweerder in de gelegenheid eisers gestelde partner te horen en houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.18161

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. M. Gavami)

en

(gemachtigde: mr. G. Erdal).

Procesverloop

Eiser heeft op 5 juni 2022 in Nederland een asielaanvraag ingediend.

Bij besluit van 21 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen.

Eiser heeft op 17 april 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Op 16 mei 2025 heeft eiser gronden ingediend. Eiser heeft op 28 juni 2026 en 8 juli 2026 aanvullende gronden ingediend.

Verweerder heeft op 16 juni 2026 een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, Y. Gababe als tolk, en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiser is geboren op [datum] 1997 en heeft de Ethiopische nationaliteit. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is. Volgens eiser heeft hij ongeveer op zijn dertiende ontdekt dat hij op mannen valt. Eiser kon hier niet over praten of openlijk uiting aan geven, omdat hij uit een religieuze familie komt en homoseksualiteit in Ethiopië strafbaar is. Via zijn werk heeft eiser [naam 1] ontmoet, met wie hij zijn eerste relatie kreeg. Zijn broer [naam broer] is achter zijn relatie met [naam 1] gekomen, waarna hij eiser besloot te achtervolgen. Eiser stelt dat [naam broer] hem heeft betrapt en dat hij als gevolg daarvan is mishandeld door zijn broers. Vanwege deze mishandeling heeft eiser besloten, samen met [naam 1] , in 2017 Ethiopië te verlaten. Eiser is vervolgens via Soedan en Libië naar Europa gegaan. Eiser is eerst in Italië aangekomen. Hij heeft ook verbleven in Duitsland en Frankrijk, waar hij ook asielaanvragen heeft ingediend. Eiser heeft in zijn asielprocedure in Nederland voor het eerst verklaard over zijn homoseksuele geaardheid en stelt in Nederland ook een relatie te hebben met [naam 2] . Verder stelt eiser niet langer islamitisch te zijn, maar zich als atheïst te identificeren, wat volgens hem niet geaccepteerd is in Ethiopië. Bij terugkeer naar Ethiopië vreest eiser vermoord te worden of in de gevangenis te belanden vanwege zijn geaardheid.

Het bestreden besluit

2. Verweerder heeft uit het asielrelaas van eiser de volgende relevante asielmotieven gehaald:

3. Verweerder heeft het eerste asielmotief geloofwaardig geacht. Eisers homoseksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen, het tweede asielmotief, heeft verweerder niet geloofwaardig geacht. Eisers verklaringen vormen volgens verweerder geen samenhangend en aannemelijk geheel in de zin van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw. Volgens verweerder heeft eiser met betrekking tot zijn gerichtheid summier verklaard over hoe het voor hem was om erachter te komen dat hij homoseksuele gevoelens had en zijn de verklaringen over hoe eiser erachter kwam dat hij op mannen viel summier en algemeen. Daarnaast stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser weinig tot geen inzicht heeft verschaft over de beleving van zijn gerichtheid ten opzichte van zijn omgeving.

4. Ook eisers verklaringen over zijn relaties zijn volgens verweerder niet aannemelijk. De relatie met [naam 1] acht verweerder niet aannemelijk gemaakt, omdat eiser oppervlakkig heeft verklaard over wat hij leuk en minder leuk vindt aan [naam 1] , maar ook over wie hij is als persoon. Eiser wist weinig te vertellen over [naam 1] 's familie, wat zijn relatie met [naam 1] anders maakte dan een gewone vriendschap, de ontwikkeling van zijn relatie en over de inhoud van zijn gesprekken met [naam 1] . Daarnaast verklaart eiser volgens verweerder oppervlakkig over de activiteiten die hij met [naam 1] ondernam en vaag over hoe de relatie is geëindigd. De relatie met [naam 2] acht verweerder evenmin aannemelijk. De verklaringen over de relatie met [naam 2] zijn summier, oppervlakkig en niet persoonlijk volgens verweerder. Eiser kon ook niet het verschil tussen [naam 2] en [naam 1] inzichtelijk maken. Daarnaast weet eiser weinig te vertellen over de LHBTIQ-whatsappgroepen waarin hij zit en heeft hij inconsistent verklaard over zijn daadwerkelijke reden voor het aanvragen van asiel.

5. De problemen die eiser stelt te ervaren naar aanleiding van zijn homoseksualiteit zijn mede om die reden niet geloofwaardig. Bovendien heeft eiser ongerijmd verklaard over de ontdekking van zijn geaardheid door zijn broer en wisselend over het moment waarop zijn broer hem met [naam 1] heeft gezien. Eisers verklaringen over de mishandeling acht verweerder oppervlakkig en summier, zijn verklaringen over de overige omstandigheden van het incident stroken niet met elkaar en eiser heeft wisselend verklaard over de activiteiten op die dag. Over de dag na de mishandeling zou eiser niet persoonlijk, summier en algemeen hebben verklaard.

6. Het gestelde atheïsme heeft verweerder niet getoetst als apart asielmotief, omdat eiser heeft verklaard dat dit niet de aanleiding voor zijn vertrek vormde en hij dit niet nader heeft onderbouwd. Eiser komt niet in aanmerking voor vluchtelingschap of subsidiaire bescherming. Eiser krijgt daarom geen asielvergunning op grond van artikel 29, eerste lid aanhef en a en b, van de Vw.

Toepasselijk recht

7. Zoals volgt uit het procesverloop, is de asielaanvraag van eiser ingediend vóór 12 juni 2026. Dat heeft tot gevolg dat de procedurele voorschriften uit de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) die in deze uitspraak worden aangehaald, zoals die luidde vóór de inwerkingtreding van de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026, en de Procedurerichtlijn, in dit geval van toepassing zijn.

Heeft verweerder het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden?

8. Eiser stelt dat verweerder het gehoor onzorgvuldig heeft uitgevoerd, omdat verweerder niet heeft doorgevraagd over zijn verklaringen over stress, hoofdpijn, gevoelens van schaamte en zelfreflectie. Verweerder heeft volgens eiser gedurende het gehoor de vragen slechts herhaald, maar geen verdiepende vragen gesteld. Eiser verwijst naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 2 september 2021 waaruit volgt dat verweerder moet doorvragen wanneer merkbaar is dat de vreemdeling moeite heeft zijn gedachten en gevoelens onder woorden te brengen. Volgens eiser omvat het doorvragen dat er onder andere rekening wordt gehouden met zijn referentiekader, dat de vraagstelling wordt aangepast, of dat er een ander onderwerp wordt aangesneden om de gevoelens en gedachten van eiser te achterhalen.

In het verlengde daarvan stelt eiser dat verweerder ten onrechte heeft vastgesteld dat eiser de persoonlijke beleving van zijn gerichtheid niet inzichtelijk heeft gemaakt. Eiser stelt dat hij dat wel heeft gedaan door onder andere verklaringen af te leggen over de door hem ervaren schaamte, de bij hem spelende vragen, de daaropvolgende stress en hoofdpijn, en de uiteindelijke acceptatie van zijn gerichtheid. Volgens eiser verwacht verweerder ten onrechte een gedetailleerd verhaal over zijn innerlijk proces. Eiser stelt dat verweerder, ook in de waardering van zijn verklaringen, onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. Eiser stelt dat zijn etnische achtergrond van invloed is op hoe hij gebeurtenissen reconstrueert en praat over gevoelens. Eiser verwijst in dat licht eveneens naar de Afdelingsuitspraak van 2 september 2021, waaruit volgt dat niet iedere vreemdeling in staat is over zijn gedachten en gevoelens ten aanzien van zijn seksuele gerichtheid te verklaren. Verweerder verwacht ten onrechte meer van hem vanwege het feit dat hij al een aantal jaren in Europa verblijft.

9. De rechtbank stelt vast dat eiser terecht aanvoert dat het doorvragen op zijn verklaringen van belang is om hem in staat te stellen zijn persoonlijke verhaal te doen, maar uit het gehoor blijkt niet dat verweerder dat onvoldoende heeft gedaan. Evenmin blijkt uit het gehoor dat verweerder zijn vraagstelling niet heeft aangepast en geen rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser. De rechtbank constateert dat verweerder juist op verschillende momenten de vragen anders heeft geformuleerd op momenten dat eiser iets niet begreep, heeft doorgevraagd bij onvolledige antwoorden, verdiepende vragen heeft gesteld en zijn vraagstelling heeft verduidelijkt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het gehoor daarom voldoende zorgvuldig uitgevoerd.

De rechtbank volgt eiser echter wel in zijn stelling dat verweerder in de waardering van eisers verklaringen over de inzichtelijkheid van zijn persoonlijke beleving onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. De rechtbank stelt vast dat verweerder meer diepgang en details verwacht over zijn ontdekking, ontwikkeling en acceptatie, maar daarbij onvoldoende oog heeft gehad voor het feit dat eiser een islamitische opvoeding heeft genoten, zijn geaardheid geheim heeft moet houden, dat zijn geaardheid strafbaar is in Ethiopië en dat hij uit een cultuur komt waar niet over dit onderwerp wordt gesproken. Dat eiser al geruime tijd in Europa verblijft doet daaraan niet af.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser in de waardering van zijn verklaringen. De rechtbank is daarom van oordeel dat het besluit onzorgvuldig is.

Heeft verweerder terecht niet getoetst of eiser bij terugkeer een risico loopt op grond van zijn atheïstische overtuiging?

10. Eiser voert aan dat verweerder had moeten toetsen of hij bij terugkeer een risico loopt op grond van zijn atheïstische overtuiging. Volgens eiser heeft hij in het verleden geen problemen gehad vanwege zijn overtuiging en vormde dit evenmin de reden van zijn vertrek uit het land van herkomst. Volgens eiser is vooralsnog mogelijk dat hij bij terugkeer in de problemen komt.

11. De rechtbank overweegt dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet heeft onderbouwd welke problemen hij bij terugkeer zou krijgen vanwege zijn atheïstische overtuiging. Ook ter zitting heeft eiser hierop geen reactie kunnen geven. Daarbij heeft verweerder terecht betrokken dat uit landeninformatie blijkt dat de Ethiopische grondwet religieuze vrijheid garandeert en groepen met verschillende geloofsovertuigingen al lange tijd samenleven. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Heeft verweerder eisers homoseksuele geaardheid terecht ongeloofwaardig geacht?

12. In de arresten Quotal en Ebilum heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) geoordeeld dat de terughoudende toets aan de geloofwaardigheid van een asielrelaas niet verenigbaar is met het Europese recht. Daarnaast volgt uit de arresten dat de rechter bevoegd is om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van eisers gestelde geaardheid. In lijn met deze rechtspraak toetst de rechtbank het besluit daarom vol.

13. Uit het voorgaande is gebleken dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser in de waardering van zijn verklaringen over de ontdekking, ontwikkeling en acceptatie van zijn geaardheid. Wat dit concreet in de zaak van eiser betekent, bespreekt de rechtbank hierna.

14. Eiser voert—samengevat—aan dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat hij onvoldoende gedetailleerd over zijn innerlijke proces heeft verklaard. Ook heeft verweerder ten onrechte tegengeworpen dat eiser onvoldoende kan verklaren over [naam 1] , met wie hij in Ethiopië een relatie heeft gehad. Verweerder heeft verwachtingen die niet passen bij de Ethiopische context. Ten aanzien van eisers verklaringen over zijn relatie met [naam 2] in Nederland, hanteert verweerder een selectieve lezing van de verklaringen zonder rekening te houden met zijn afkomst en cultuur. Eiser voert ook aan dat het feit dat hij beperkte kennis heeft van de whatsapp-groep van LGBT Asylum Support hem niet kan worden verweten. In beroep heeft eiser een verklaring van [naam 2] overgelegd. Ook heeft eiser in beroep een verklaring van LGBT Asylum Support overgelegd. Daaruit blijkt dat eiser in februari 2023 naar aanleiding van een melding over een onveilige situatie in de crisisnoodopvang in Almere is overgeplaatst naar een speciale unit voor LHBTIQ-asielzoekers in het AZC in Almere. Daarbij heeft LGBT Asylum Support eiser geholpen. Ook meldt deze verklaring dat eiser deelneemt aan lokale en algemene whatsappgroepen voor LHBTIQ-asielzoekers en dat eiser naar onder meer de Pride in Utrecht is geweest.

Proces van ontdekking van eisers homoseksuele geaardheid 15. De rechtbank overweegt dat de verklaringen van eiser, voor zover deze zien op zijn persoonlijke beleving rondom de ontdekking van zijn gerichtheid en de beleving ten opzichte van zijn omgeving, gelet op zijn referentiekader, niet summier of algemeen zijn. Verweerder werpt ten onrechte tegen dat eiser summier heeft verklaard over zijn eigen gevoelens en gedachtes en zich meer heeft uitgelaten over wat anderen denken. Eiser heeft weliswaar verklaard dat hij bang was voor de reactie van de buitenwereld, de schade die hij zou aanrichten en wat zijn familie zou overkomen, maar heeft daarbij ook verklaard over de eenzame gevoelens die hij heeft ervaren. Eiser voelde zich leeg en het voelde alsof hij niet bestond. Dat eiser heeft verklaard zich tegenover zichzelf niet geschaamd te hebben, betekent nog niet dat eiser summier over zijn gevoelens heeft verklaard. Eiser heeft juist uitgebreid verklaard waarom hij zich niet tegenover zichzelf schaamde, maar enkel ten opzichte van de buitenwereld. Eiser heeft verklaard zich bewust te zijn van het feit dat hij zichzelf niet kon veranderen. Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij zich afvroeg waarom hij op mannen viel en waarom hij anders dan de rest was. Volgens eiser was het een worsteling om uit de kast te komen, wetende dat het niet is toegestaan binnen de islam en in Ethiopië. Eiser kreeg stress van zijn situatie en van alle vragen in zijn hoofd. Dit leidde volgens eiser tot hoofdpijn en ziekte. Dat eisers verklaringen over hoe hij erachter kwam dat hij op mannen viel niet getuigen van een persoonlijk verhaal en blijven steken op seksuele aantrekkingskracht, volgt de rechtbank evenmin. Uit de verklaringen van eiser blijkt immers dat hij ongeveer dertien of veertien jaar oud was toen hij ontdekte dat hij op mannen viel. Eiser merkte dat hij zich tot mannen voelde aangetrokken op seksueel gebied, maar ook het gevoel had dat hij met een man een toekomst wilde opbouwen. Eiser heeft verklaard dat hij met een man wilde trouwen en wilde samenwonen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eisers verklaringen, voor zover deze zien op zijn persoonlijke beleving rondom de ontdekking van zijn geaardheid en de beleving ten opzichte van zijn omgeving, voldoende aannemelijk zijn.

Relatie met [naam 1]

16. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft tegengeworpen dat eisers verklaringen ten aanzien van [naam 1] oppervlakkig en summier zijn. De rechtbank constateert dat eisers verklaringen inderdaad weinig persoonlijke details bevatten. Zo verwijst eiser naar aanleiding van de vraag wat hij leuk vindt aan [naam 1] en zijn persoonlijkheid enkel naar zijn gedrag en mooie uiterlijk. Daarnaast wist eiser niet of [naam 1] broers en zussen had. Ook wist eiser weinig te vertellen over de inhoud van de telefoongesprekken met [naam 1] . Ook heeft eiser vaag verklaard over hoe de relatie met [naam 1] is geëindigd. De rechtbank is van oordeel dat dit kan worden tegengeworpen aan eiser omdat [naam 1] de eerste man is waarmee eiser zijn gevoelens heeft gedeeld, hun relatie drie jaar heeft geduurd en hij samen met [naam 1] Ethiopië is ontvlucht. Van iemand die zijn geliefde is kwijtgeraakt met wie hij aanvankelijk een toekomst wilde opbouwen, mag verwacht worden dat hij uitgebreider kan verklaren. Dat eiser [naam 1] inmiddels zeven jaar geleden uit het oog is verloren, doet daaraan niet af.

Relatie met [naam 2]

17. De rechtbank is ook ten aanzien van eisers relatie met [naam 2] van oordeel dat verweerder eisers verklaringen terecht summier, oppervlakkig en niet persoonlijk heeft geacht. De rechtbank ziet dat terug in eisers antwoorden op onder andere de vraag wat hij leuk vindt aan [naam 2] , waarop eiser antwoordt dat hij zijn gedrag leuk vindt, dat [naam 2] een goed mens is en een goed hart heeft. Daarnaast omschrijft eiser het uiterlijk van [naam 2] met het gegeven dat hij twee ogen en oren heeft. De rechtbank is met verweerder eens dat het redelijk is om te veronderstellen dat eiser in staat zou moeten zijn meer inzicht te geven in de eigenschappen van [naam 2] en waarom de relatie zich onderscheidt van een normale vriendschap. Het is allereerst aan eiser om met zijn verklaringen zijn relatie aannemelijk te maken. Dat neemt echter niet weg dat andere bewijsmiddelen, zoals de verklaring van [naam 2] van 7 juli 2026, kunnen bijdragen aan de aannemelijkheid van eisers relatie en uiteindelijk aan de aannemelijkheid van zijn gestelde geaardheid. Nu eiser deze verklaring kort voor de behandeling ter zitting heeft ingebracht, kon verweerder de verklaring niet betrekken in het bestreden besluit. De rechtbank zal, in het kader van de ex nunc-beoordeling, de verklaring van eiser bij de beoordeling van het beroep betrekken. De rechtbank heeft verweerder daarom ter zitting gevraagd om ten aanzien van de verklaring van [naam 2] een standpunt in te nemen.

Volgens verweerder onderschrijft de verklaring van [naam 2] juist dat er geen relatie is, omdat [naam 2] in de verklaring schrijft dat er sprake is van een vriendschap met tussenpozen. Ook blijkt daaruit niet dat het een homoseksuele relatie is. Verweerder hecht weinig waarde aan de verklaring van [naam 2] omdat eiser zelf heeft verklaard niet verliefd te zijn op [naam 2] en dat hun relatie niet serieus is. Bovendien betreft de verklaring van [naam 2] een derde-verklaring, waar in het algemeen weinig gewicht aan toekomt.

De rechtbank constateert dat er in de verklaring van [naam 2] niet enkel wordt gesproken over een vriendschap. [naam 2] schrijft immers over zowel een ‘friendship’ als een ‘relationship’. De rechtbank stelt vast dat [naam 2] schrijft over een zekere ontwikkeling in hun verhouding tot elkaar. Uit de verklaring volgt dat ze vrienden waren, dat hun relatie met de tijd hechter is geworden en dat eiser homoseksueel is. De stelling dat aan een verklaring van een partner in het algemeen weinig gewicht toekomt, strookt niet met de werkwijze van verweerder in de WI 2026/24 ‘Geloofwaardigheidsbeoordeling seksuele gerichtheid, genderidentiteit en/of genderexpressie’. Daarin staat dat de informatie van derden altijd wordt meegewogen maar het gewicht dat hieraan wordt toegekend afhankelijk is van de ingebrachte informatie en de individuele omstandigheden van het geval. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met zijn ter zitting ingenomen standpunt onvoldoende heeft gemotiveerd waarom uit deze verklaring volgt dat eiser geen homoseksuele liefdesrelatie heeft met [naam 2] .

Algemene kennis discriminatie en repressie in Ethiopië en LHBTIQ-whatsappgroep

18. Ten aanzien van verweerders standpunt dat eisers algemene kennis over discriminatie en repressie in Ethiopië zijn gerichtheid niet onderbouwt en dat hij weinig wist te vertellen over de LHBTIQ-whatsappgroep waarvan hij deelnemer is, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is allereerst van oordeel dat eisers algemene kennis over de situatie voor homoseksuelen in Ethiopië voldoende is en dat dit kan bijdragen aan de geloofwaardigheid van zijn geaardheid. Wat betreft eisers verklaringen over de LHBTIQ-whatsappgroep, stelt de rechtbank vast dat eiser hierover in het nader gehoor kort heeft verklaard. Eiser heeft in het nader gehoor gesproken over de voorzitter van de whatsapp-groep, [voorzitter] , en dat de heer [voorzitter] alles regelt. Volgens verweerder is het opmerkelijk dat eiser hier zo weinig over weet te vertellen. De rechtbank overweegt dat het niet duidelijk is welke conclusie verweerder hieraan verbindt. Daarbij komt dat eiser in beroep een verklaring van [voorzitter] heeft overgelegd, waarin eisers deelname aan LHBTIQ-whatsappgroepen wordt bevestigd. De rechtbank heeft deze verklaring ook bij de behandeling van het beroep betrokken en verweerder ter zitting om een standpunt gevraagd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat aan de verklaring van [voorzitter] weinig bewijswaarde toekomt en de hoeveelheid inconsistente verklaringen van eiser niet kan compenseren.

De rechtbank overweegt dat verklaringen van derden in het geval deze feitelijke informatie aan het dossier toevoegen, kenbaar betrokken moeten worden bij de geloofwaardigheidsbeoordeling. Uit de verklaring van [voorzitter] volgt dat eiser via LGBT Asylum Support in 2023 in een van de LHBTIQ+ units van het Centraal Opvang Asielzoekers (COA) is geplaatst, dat eiser onderdeel uitmaakt van de lokale als ook de algemene whatsappgroep en naar onder andere de Pride in Utrecht is geweest. Nu hieruit volgt dat eiser al sinds 2023 betrokken is bij LGBT Asylum Support en deelneemt aan de whatsapp-groepen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder met het ingenomen standpunt ter zitting de verklaring van [voorzitter] onvoldoende gemotiveerd terzijde heeft geschoven.

Wat betekent het voorgaande concreet voor de geloofwaardigheidsbeoordeling in deze zaak?

19. Uit het voorgaande is gebleken dat eisers verklaringen over zijn persoonlijke beleving ten aanzien van de ontdekking van zijn geaardheid en de beleving ten opzichte van zijn omgeving aannemelijk zijn, verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat aan de verklaring van [naam 2] over de relatie met eiser beperkte waarde toekomt, eiser over voldoende algemene kennis over de situatie voor homoseksuelen in Ethiopië beschikt en dat verweerder de informatie uit de verklaring van [voorzitter] onvoldoende heeft betrokken.

Zoals hiervoor is weergegeven, volgt uit de arresten Quotal en Ebilum, dat de rechtbank de bevoegdheid heeft om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van eisers gestelde geaardheid. De rechtbank maakt in deze zaak echter geen gebruik van deze bevoegdheid, omdat de rechtbank onvoldoende overtuigd is van de gestelde homoseksuele geaardheid van eiser. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser summier over zijn relatie met [naam 1] heeft verklaard. Verweerder mocht ook tegenwerpen dat eiser eerder in Duitsland en Frankrijk asiel heeft aangevraagd, maar daar niet over zijn homoseksuele geaardheid heeft verklaard. Dit laatste doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van eiser, nu van hem verwacht mag worden dat als hij uit Ethiopië is vertrokken vanwege zijn homoseksuele geaardheid hij dit aan zijn verzoeken om internationale bescherming ten grondslag had gelegd. Dat hij stelt dat hij niet wist dat hij in Duitsland of Frankrijk bescherming kon krijgen vanwege zijn geaardheid, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft echter niet zonder meer kunnen concluderen dat de verklaring van [naam 2] en de verklaring van [voorzitter] , in samenhang bezien met de verklaringen van eiser die de rechtbank wel aannemelijk acht, zijn homoseksuele geaardheid nog altijd niet aannemelijk maken. Uit de verklaring van [voorzitter] blijkt dat eiser sinds begin 2023 betrokken is bij onder meer LGBTIQ-whatsappgroepen en dat hij onder meer naar een Pride is geweest. Ook is een verklaring van [naam 2] overgelegd, die een relatie met eiser stelt te hebben en waarin wordt verklaard dat eiser homoseksueel is. Volgens WI 2026/24 kan verweerder, indien er wordt getwijfeld aan een verklaring van een partner, er bij wijze van uitzondering voor kiezen om de partner te horen. Dit gebeurt op basis van vrijwilligheid. Als de partner niet mee wenst te werken aan een gehoor, zal dit niet in het nadeel van de vreemdeling meewegen. De rechtbank overweegt dat in een situatie als de onderhavige, waarin eiser wordt tegengeworpen dat hij summier heeft verklaard over zijn relatie met [naam 2] , verweerder dient te beoordelen of andere verklaringen, de verklaringen van eiser kunnen ondersteunen. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder in deze procedure moet onderzoeken of het horen van de gestelde partner van eiser steunbewijs kan opleveren voor de verklaringen van eiser. Ook dient verweerder gelegenheid te krijgen om een nader standpunt in te nemen over de verklaring van [voorzitter] .

Tussenconclusie

20. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de geloofwaardigheid van eisers homoseksuele geaardheid onvoldoende heeft gemotiveerd, in het licht van de overgelegde stukken in beroep. Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft verweerder het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. Het bestreden besluit is daarom genomen in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb.

21. Nu de rechtbank nog geen definitieve conclusie kan trekken over de geloofwaardigheid van eisers geaardheid, komt de rechtbank niet toe aan de bespreking van de tegenwerpingen van verweerder ten aanzien van eisers gestelde problemen in Ethiopië vanwege zijn homoseksuele geaardheid.

22. Op grond van artikel 8:41a van de Awb beslecht de rechtbank het haar voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank verweerder in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen de gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Hierbij is van belang dat de asielprocedure van eiser al erg lang loopt en dat toepassing van de bestuurlijke lus eraan kan bijdragen dat deze procedure sneller wordt afgerond.

23. Van verweerder wordt verwacht dat hij binnen twee weken na deze uitspraak bekendmaakt of hij gebruik maakt van de mogelijkheid om de gebreken in het bestreden besluit te herstellen door het nemen van een nieuw besluit met inachtneming van deze uitspraak. Als verweerder van deze gelegenheid gebruik maakt, ligt het in de rede dat verweerder, zoals onder 19.1 is overwogen, [naam 2] uitnodigt voor een gehoor over zijn gestelde relatie met eiser. Indien verweerder ervoor kiest om [naam 2] te horen, verwacht de rechtbank dat hij dit binnen acht weken na deze tussenuitspraak doet. Vervolgens moet verweerder binnen vier weken na de aanvullingen en correcties daarop een nieuw besluit nemen. Daarna zal de rechtbank bepalen hoe de procedure wordt voortgezet en partijen daarover informeren. Alle verdere stukken in de procedure moeten zodra zij beschikbaar komen in het digitale dossier worden geplaatst.

24. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2013.

25. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

- verzoekt verweerder om, als hij van deze gelegenheid gebruik maakt, de in 23 vermelde termijnen in acht te nemen;- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.J. van Beek, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Aden, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.A.J. van Beek

Griffier

  • mr. F. Aden

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand